Skip to main content

Full text of "Reinaert de Vos: episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 




KF 

HHlillllili 

HN 4RKF K 



m. 



KF /C^^a 



JU 






lifciF^i 



l)K>a]^iifidt€(a(0BSïD| 
lmmg0«gsaB!gaa| 

mOM * THE LI BRARY- OF JAMESRUSSELL LOWELL 
PUKCHASED OVSUBSCRÜPTION M'D-CCCC 



THIS BOOK IS NOT TO BE SOLD 
OR DISPOSED OF OTHERWISE 



# 



r 






Uyi^s0<A,fW^ : 




/'^^/^ <^ ^^ ^^>?>,^cj: 






•^ 



r 



••• 4 






¥ liSr 



. 



REINAERT DE VOS. 



■i 










A eleJ'<i:£Oi,aeU^7reJi^ éi (}tuuC. 



.-«ja 



2 




^Ij^ 






^fif Oe l}c<ftf£ u>tteu walfdfZ hoeken 



REINAËRT DE VOS 



EPISCH FABELDICHT 



TWAELFDE EN DERTIENDE EEUW, 



HBT 



AENMERKINGEN EN OPHELDERINGEN 

▼AH 

J. F. WILLEMS, 

l KORDIGLTa AGADEBB TAN BtUBSIL, TAN RT KOHOIttlK NBraULANMCH IRfTlTIIR, BBZ. 




GENT, 

BY F. EN E. GYSELYNCK, BOEK- EN STÉENDRÜKKERS. 

1836. 






N, 



HARVARD 


UNlVERSlfY 


LIBRARY 


.'...-'il mVö/'. i .,. 


Irolu'.Xx :>-: :- / 


'■""/..f',^."' 



VOORBERICHT. 



JStna drie eeuwen lang heeft men in de geletterde wereld 
met onderscheiding gesproken over de verdiensten van het 
gedicht Reinaerl de Vod; doch ook meermalen getwist, om 
^ast te stellen, wafir, en door wien dit werk oorspronglyk 
zy geschreven. 

Eindelyk scheen men het eens omtrent de stelling, dat 
de Nedersaksische Reinekb in oorspronglykheid en voortref^ 
félykheid al (fe andere gedichten van dien naem verre over^ 
trof, en als een der beste, zoo niet als het geestigste, der 
voorbrengselen van de duitsche poezy m^est toerden vereerd, 
toen de oplettendheid van eenige geleerden, waeronder bo^- 
venal uitmuntte de in duitsche oudheden en taelkunde door 
en door ervarene Jagob Grixm, zich bepasldelyker vestigde 
op de gedichten der Vlamingen in de middeleeuwen j en 
daeruit ontstond dan, Yoor den onpartydigen beoordeelaer, 
de overtuiging, dat de oudstbekende epische behandeling 
der dierenfabel, in welke de vos of de wolf een hoofdrol 
speelt, aen Vlaenderen niet kan worden betmst, en dat 
het Saksisch gedicht slechts voor eene vertaling vcm -het 
Vïaemsch mag worden aengezien. 

Inzonderheid is er in den loop der laetste tien Jaren veel 
gedogen, om de dichterlyke verdienste en de geschiedkundige 



VI VOORBERICHT. 

aangelegenheid onzer dierenfabel naer waerde te doen kenr- 
nen en schatten. Grims, Mone, Hoffmann ton Fallersleben, 
Scheller^ Langer (1) en Ettmüller (^), in Duitschkmd^ 

MÉON , RaYNOUARD , ROBCRT , St. MaRC GliARDIN (3) , Chabaille 

in Frankryk^ Sgheltesa^ Ten Broegke Hoekstra en Groebe 
in Holland^ hebben alle te dien einde min of meer werk" 
'zaem geweest. Van mynen kant maakte ik de Zuidneder^ 
landers aendachtig op dit meesterstuk der poezy hunner 
voorvaderen y door eene Verhandeling^ geplaetst in den 
Messager des Sciences et des Arts de Ia Belgique va/n het 
jaer 1833^ en door eene omzetting of nieuwe berymingvcm 
het oudste gedeelte des Nederlandschenl^emaerU^ hét ju/er 
daema te Eecloo in druk verschenen. 

By dü al^ laet het zich nqgthans aenzien^ dat deze 
geleerde Vossenjacht, [indien ik het zoo heeten mag}) nogr 
niet geheel is ten einde geloopen. Men zegt, dat Grihh in 
de Burgondische handschriftenbibliotheek te Brussel nog 
eentge stukken heeft ontdekt, die tQt den cyclus onzer fhbel 
behooren , waeronder een dierengesprek , Ecbasis genoemd, 
en eene latynsch berymde. fabel van den vos en den haen. 
Ook MoNE heeft nog het een en ander opgedaen, wat daertoe 
betrekkelyk is, e7i zal vermoedelyk met nieuwe bewyzen op^ 
treden, om de historische aüusienva/n d^n Reinardus Tulpes 
te betoogen, in antwoord op de aenmerkingen van Grisis en 
Raynoüard , alzoo laetstgenoemde geleerden het bestaen dier 
historische aenduidingen teenemael loochenen. 

Wyders is my almede bekend, dat de heer Borxans^ pro^ 
fessorder vlaemsche letterkunde by de hooge school te Gent, 



(1) In de Neue algemeine deufsche Btbliotheh, deel lxxï, bl. 172. 

(2) In de Bl&iiem fUr Hteraritche Cntêrhalimng, 1833 , N» 20» 23. 

(3) Zynd artikels OTer Ie Roman de Renart zyn Terschenen in het Journal des 
DébafB, 



VOORBERICHT. vii 

eene reeks van critüche aenteekentngen staet in het licht 
te geven, waerdoor Reiaardus , henevens het vraegstuk hoe 
oud dit epos zy, niet weinig zal worden opgehelderd, na,er 
men uit 's ma/ns kimde in het vak der latynsohe letteren 
mag voorzien. 

Doch, gelyk het in myn bestek niet ligt de sage van 
Reinasrten Isengrim in haer geheelen omvang, voortpkm- 
ting en vervorming, te beschouwen, welke taek door Grihh 
op zulke voortreffelyke wyze afgewerkt is, in zynen Rein- 
hart Fuchs, gedrukt te Berlyn in 1834, zoo heb ik my, 
by deze tegenwoordige uitgave, voorgesteld, en ook verkies^- 
lykst gevonden, geene andere zaken te behandelen, dan 
die met het hier geleverde gedicht in eene rechtstreeksche 
verhouding staden. 

Slechts de helft van den Nederlandschen Reinaert, in vor- 
sen , was ons door duitsche drukken bekend geworden, toen 
wy vernamen, dM een frasi ha/ndschrift van het geheel, op 
perkemsnt, en nagelaten door den beruchten boekverzam^- 
laerWïLLikM Heber, in den aenvang dezes Jaers, te Londen 
stond verkocht te worden. Op voordracht van Serrure en 
van my heeft het Gouvernement tot den aenkoop van dit 
stuk last gegeven, met dat gevolg, dat wy ons kort daerria 
mochten verblyden hetzelve asn de bibliotheek van Burgoty'e 
te zien toegevoegd. 

Sedert de maend Mei in last hebbende om er eene uitgave 
van voor te bereiden, heb ik my met iever a^en het werk 
gezet. By de eerste inzage van het codex bespeurde ik al'^ 
dra, dat de text zeer verschilde van de tu)ee ftragm^nten, 
ons door Grjeter en GvavM medegedeeld, en dat de inhoud 
eene veel jongere omtaerking en uitbreiding bevattede, dan 
den Reinaert, in het zoogenaemde Comburgsche hand^ 
schrift (thans te Stuttgart) bewaerd gebleven. Ik bevond 



VIII VOORBERICHT. 

dat veel rymregels ontbraken ^ en datj op schier oUe blad' 
xydeUy een asnmerkelyk getal êchrj/ffbuten iich voordeden, 
die de lezing duister en soms geheel onverstaanbaar ma^h^ 
ten. Over het algemeen kwam my het afschrift vry gebrek- 
kig voor, en zeker niet bea/ntwoordende aen den onmatig 
hoogen prys, waarvoor het was verkregen; schoon het troer 
zyy dat dergelyke gedenkstukken va/n nationalen roem nooit 
te duer kunnen worden betaeld. 

Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede ben ik dus 
te rade geworden het by Gribibi afgedrukte eerste gedeelte, 
3474 versen beslaande, als grondtext te volgen , plaetsende 
de varianten van het handschrift onder dien text, in af'^ 
zonderlyke kolommen. Doch de aldus opgeteekende variae 
lectioues waren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb ver- 
plicht gezien, tcdlde ik geenen dubbelen text in zyn geheel 
leveren, daerin besnoeiingen te maken, hier in bestaende, 
dat 'ik het min belangryke verschil van spelling en van 
woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als variante heb 
laten gelden wat werkelyk verandering was, of wat my 
toescheen voor de kennis onzer otide tael eenige oplettend^ 
heid te verdienen. 

Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waer^ 
van het eerste den ouden Reinaert der twaefde eeuw uit^ 
maekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende 
eeuw geschreven; hoewel ik het daer voor houde, dat het 
oorspronglyke rymwerk eigenlyk met F* 3394 eindigde, en 
dat de onmdddelyk daer achter komende 80 regels slechts 
den overgang hebben moeten uitmaken tot het verhael eener 
nieuwe hofhouding van koning Nobel, of, met andere woor- 
den, tot het werk va/n den vervolgschryver. 

De oude prosaver taling, gedrukt te Delft in hetjaer 1485, 
en door Sühl heruitgegeven, de fragmenten in GiiüTERS 



VOORBERICHT. ix 

Odina und Teutona en in Grihh's Reinhart Fuchs medege^ 
deeldy midsgaderg de Sakgische vertaling onder den n€iem 
van Reineke bekend, stelden my in stoet, althans ten deehj 
om de zoo even vermelde gapingen van het ha/ndschrift aen 
te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers 
te herstellen, om de schryfwyze mjeer regelmatig voor te 
dragen, m£t een woord, om eenen meer critisch behandelden 
tewt aen het publiek te leveren. Ik heb aen^dit vereischte, zoo 
veel in my was, getracht te voldoen; doch ook telkens myne 
emendatie?i (zengewezen, door eene naeuwkeurige opgave van 
de verkeerdgestelde woorden, zoo als ik die in het hand" 
schrift aentrof, en dit ter vergelyking en beoordeeling va/n 
bevoegde rechters, aen teder uitspraek ik my gaeme loil ge- 
dragen. Wasr myne verbeteringen byvoegingen moesten 
worden, daer heb ik ze tusschen twee haekjens [ ] inge^ 
klamdj en zoo deed ik almede ten aenzien der ontbrekende 
rymregels, welke ik m/y verstout heb er by te dichten. Zie 
p 2764, 4966, 4986, 5022, 5260, 5524, 5703, 5896, 
6088 , 6110, 6388, 6464, 6550. Intusschen moet ik zeggen, 
dat ik de door Grixm met stippen aengevulde regels 1076 , 
1087, 1162^ 1972, voor geene uitlatingen in hetComburg" 
sche handschrift aenzie. Het zyn blykbaer drieregelige ry^ 
msn, dergelyke menby onze ouden op meer plaatsen ontmoet. 
Ik heb die regels echter laten staen, gelyk ik ze by hem vond, 
zoo dat het den lezer wordt vry gelaten over dit punt te oor^ 
deelen naer goeddunken; gelyk dit dan ook het geval zal 
zyn met drie a/ndere samenrymingen , in het tweede boek 
zich voordoende, alwaer de F' .4676 , 5508 , 5574 door my, 
naer het voorbeeld van Grimh, zyn blank gelaten. 

Wat de spelling betreft: ik heb my op vele plaetsen ver^' 
oorlof d de min of meer Hollandsche en inkrimpende van 
het handschrift (die my voor het overige ook zeer slordig voor- 



X VOORBERICHT. 

kwcm) naer fh eigenschap van het zachtere vlaemsch te 
wyztgen^en te9^g te brengen j zonder dasrvan telkehe oen* 
wyzing te doen^ en zender mg cheromtrent eten een vasten 
en zich gelgkklgvenden regel te tüillen verbinden j wat trou^ 
9Jöens ook niet weltnogelyk wa/re geweest, en by de echryfwyze 
der ouden, die zich in alles vryelyk bewoog, onvoegzaem 
zou hebben geschenen. Niet dat ik daer door de ffollandsche 
spelling van vroegeren tyd wil misachten, ofmst den Spaen- 
fichen Brabandep van Breerq uitroepen : 

Wy Brabanders 
Wy qpreken gemaynlyk perfect ons vayers tael ; 

maer ik begreep, dat men aen den ouden vlaemschen dichter 
meest terug geven, wat hem, byzonder eigen is. Portus de 
Heuiter , een geboren Delftenaer, noemde reeds in zynen tyd 
zekere holla/ndsche uitspraek een woorijienaf bytsel en half 
eetsel (1). 

Wyders ben ik met myne eigene aenteekeningen zeer 
spaerzaem te werk gegaen, m,y doorgaens vergenoegende de 
verouderde woorden en spreekwyzen of door omschryving^ 
of door eene korte verklaring , op te helderen, en my niet 
altyd gehouden achtende de voorbeelden of autoriteiten by 
te brengen, waerop ik dezelve steune. Dit laetste zou my 
te verre buiten myn bestek hebben afgeleid^ behalve dat ik 
ook geen liefhebber ben van uitweidingen, door welke den 
oorspronglyken schryver als het ware belet wordt zynen weg 
te gaen, en de aendacht van den lezer zonder noodzake^ 
lykheid wordt verdeeld en afgetrokken. 

Eindelyi^ m^oet ik berichten, dat drie platen, na/melyk 
die tegen over den titel, en die op bladz. 4 an 49 , naer het 
handschrift zelve zyn vervaerdigd, terwyl de overige vignet- 

(1) ^ederduiiache ór^agraphié^, Antwerpen, 1081, bladt. 93. 



VOORBERICHT. xi 

ten door den kumtenaer bewerkt zyn volgens de plaetjens, 
voorkomende in den latynschen Reineke van Hartman Sghop- 
per; uitgezonderd de hofdam, bladz. 142, toelke genomen 
ig uit de dusgenoemde pracktuitgave van Gottsghed. 

Gent, ckn 20 Augustus, 1836. 



In weltlicker Wyssheit ys kein Boeok ^sohreven, 
Dem men billick mehr Rohm nnd Loff kan geven , 
Als Reineke Yoss ; ein schlicht Boeok , darinnen 
Tho sehnde ys ein Spegel hoger Sinnen. 
Yorstendigheit in dem ringen Gedicht 
Als ein dürbahr Schat yerborgen licht. 

J. W. LAüEsifBSE&*8 Plattdeutsche gedichte, 4* saiire. 



INLEIDING. 



Tan in de vroegste tyden af heeft men waergenomen dat . 
de dieren zekere karakteristieke eigenschappen bezitten, en 
in derzelver levenswyze handelingen aen den dag leggen, 
welke met die der mensehen al yry wat overeenkomst 
hebben. Het kon dus niet missen dat men dikwyis men- 
schen en beesten met elkander vergeleek , ja dat men fi- 
guerlyk de eigenschappen en hoedanigheden van de eenen 
aen de anderen toepastte en overdroeg , waerby dan soms 
gevolgtrekkingen gemaekt werden , die niet altyd ten voor- 
deele van ons tweevoetig geslacht uitkwamen. Men vond 
den hond getrouwer dan den vriend , den ezel verduldiger 
dan den held; men zag, dat sommige fluitende en blatende 
schepzels malkander, in hunne tael, beter verstaen, dan 
deze en gene huisgezinnen en familien. Zulke vergelyking, 
hoe vernederend in zekere opzichten , was echter leerzaem 
en stichtend; en zie daer den oorsprong der dierenfabel ! 

Zoo lang veeteelt en jacht de voornaemste bezigheid was, 
in welker voordeelen schier al de rykdom der natiën lag 
opgesloten , spraken de menschen onderling van wolven en 
vossen, gelyk wj nu van de fransche republiekeinen of 
spaensche cortes zouden spreken. De helden ^ die destyds 
op menschenjacht of dierenroof uittrokken , noemden zich 
gaerne Wolfgang, Adelwolf, Wolger^ Wolfhart, Eberhart, 



XIV INLEIDING. 

BereffJiarty Lewengild, Lewenhart, Lewbold; doch, naer 
mate de menschen meer beschaefd werden , en dus min- 
der met de dieren omgingen , verzwakte ook van lieverlede 
hunne belangstelling in het dierenleven , en geraekten deze 
verschrikkelyke obrlogsnamen in onbruik, of doken weg 
onder de latynsche vermommingen van Adolf, Everard, 
Bemard, Leonard, Leopold, en wat dies meer zy. 

Geen volk ter wereld heeft ooit meer bezordheid voor 
vee en huisdieren getoond dan de Franken. De capitu- 
larien bewyzen zulks ten overvloede, óp byna elke bladzyde. 
Het moet derhalve geen verwondering baren, dat ook by 
hen , het eerst van al , eene soort van dierenfabel ontstaen 
is, waervan men vergeefs een voorbeeld by andere natiën 
zoeken zoude, eins thierfabelj zegt Grikm (1) der gich nictUi 
anderswo zur sette stellen lasst. Die fülh ihrer entstehung 
und ausbüdung üherbietet alles, was das aUerthum in der 
fabel hervorgebracht hat. Mit der ganzen kraft des epos, 
knospe an knospe sühwellend , erbiühte sie cms cleuisohen 
stamm in den Niederla/nden, dem nordlichen Frankreich 
(Fransch-Ylaenderen en ommestreek) und dem westlichen 
Deutschland. » Inderdaed, waer zou men elders zulke ge« 
dichten kunnen aenwyzen ak de IsengrimuSy Meinardus 
vulpes en Beinaertj alle drie op onzen vlaemsehen .bodem 
voortgesproten? Bidpaï, Esopus, Fedrus, La FoRTAine hebben 
voorzeker zeer geestige fabels geschreven: 

Faisant parier Ie loap et repondre Fagneau , 
Et passant plas avant; les arbres et les plantes 
Sont devenus chez enx créatures parlantes (^), 

terwyl onze voorvaders, om niet tegen de waerschynlyk- 
heid te zondigen , de boomen en planten , zoowel als de 

(l) Reinhart Fucha, bl. XVI. — (2) tiroHUun, Fabhs, livre II, 1. 



INLEIDING. XV 

risschen, hebban stom gelaten; doch wie van deze dich^ 
ters , yraeg ik , beeft het ooit gewaegd eea doorloopend yer- 
hael uit het dierenryk samen te stellen, waeryan de wolf 
en do TOS de hoofdp^rsonnagien , ja de helden zyn , in 
wrok en haet tegen elkanderen OTerstaende als Achilles en 
Aganiemnon |n de Iliade, en waerin de eenheid van het 
epos , gepaerd aea episodische verscheidenheid , zoo heerlyk 
^ich voordpet , terwyl al de handelende dieren hunne na- 
tueriyke geaerdheden volstandig vertoonen én bewaren , in 
dier voege , dat men bet gedicht met die zelfde belangstel- 
ling leest , waermede men eea^ ware geschiedenis zou be- 
jegenen? Zoodanig dichtwerk nu, is, beide in delatynsche 
en in de vlaemsche tael, onder de Belgen het eerst ver- 
schenen ! 

Het valt niet in myn bestek by de schoonheden van dea 
lêengrimus of van den üetnardus vulpes opzettelyk stil te 
staen. Ik laet deze taek aen anderen over, en vergenoeg my 
hier te berichten , dat de eerste , groot 689 versen , door 
Grimm , en de tweede , afgedeeld in vier boeken , te samen 
6596 regels beslaende, door de zorg van Mone, is in het 
licht gekomen (I). Isengrimus s^hynt nog in de elfde , of al- 
thans in den aenvang der twaefde eeuw, vervaerdigd; doch 
omtrent den ouderdom van Reinardus is men het niet eens. 
De uitgever Mone denkt, dat dit carmen eptcum deels in de 
negende eeuw gedicht, en deels in de twaelfde vermeerderd 
of geinterpolleerd zy ; maer noch Grimk noch Raynouard (2) 
willen dit aennemen , en beschouwen het voor een gewrocht 
der twaelfde eeuw. Ik zal hier over dit punt niet beslissen , 

(1) Isengrimus in den Reinhart Fuchs, te Berlin by Reinier, in 1834, bl. 1-24 
en Reinardus te Stuttgart en Tubingen by J. G. Cotta, onder d^n titel yan Reinardvê 
vulpes, carmen epicum seculis IX ei XII conscriptum , ad fidem codd,-MSS. edidit 
ei adnoiaiionibus iMtuiraviiYKksciscüB Jobepiivs Morb, 1832, beide in-8». 

(2) Journal des Savants, Juillet 1834. 



XVI 



INLEIDING. 



en laet ook gaerne de vermoediDg in haer geheel, of by 
het yerhael der lotgevallen van Eeinaert, al dan niet, eene 
histoiï&che aengelegenheid moge ten gronde liggen. De zaek 
is my nog eenigzins duister ; al heb ik dan ook , vóór het 
lezen der met zoo veel oordeel in het midden gebrachte te- 
genbedenkingen van Grimm , niet ongenegen geweest het ge- 
voelen van EcGARD , Mone , Ettmuller en Saint Marg Girardin 
by te stemmen (1). Reinaert mag voor den Lotharingischen 
graef Reginamus, Isengrim voor den koning van Austrasie 
Zwentiboldj gehouden of niet gehouden worden , de Neder- 
landsche oorsprong onzer fabel hangt van deze historische 
gissing niet meer af, maér rust op andere en beter gewaer- 
borgde grondslagen. Laten wy dus dit punt onverlet , en 
gaen wy nu over tot hetgene er, ten aenzien van den vlaem- 
schen Reinaert, valt op te merken. 

Zeer vermoedelyk was de fabel van den vos en van den 
wrolf vóór de negende eeuw, als volkslied of sage , reeds by 
ons inheemsch geworden (2) ; maer het gedicht zelve , waer 
van wy hier handelen , schynt eerst in de tweede helft der 
twaelfde eeuw, denkelyk omtrent den ja re 1170, te zyn 
opgesteld; behalve dat er in den loop der dertiende en 
veertiende eeuw eenige veranderingen zyn aen toegebracht, 
waervan wy later zullen spreken. Alle omstandigheden 
loopen te samen om deze jaergissing te bevestigen. En zoo 
zou dan de Reinaert het oudst bekende dichtstuk in onze 
moedertael wezen, waerop de Nederlanders mogen roem 
dragen. 

(1) Zie Egcabd's Voorrede op de Collectanea etymologica van iBinnTZ, bl. 34-52, 
ïyn Comineniar, de rehua francia orientalis, II, p. 781, 782, 797-8iOO, Etmüi- 
XE&8 artikels in de Bldtfem für litterartsche Unterhaltung , 1833, Nm 22 et 23, 
SiJDfT Ma&c GiKABDUf's artikeU in het Journal dea Déhats, en myn betoogd in denilfe«- 
eager dea Sciences et dea Arts» 

(2) GiiMM, in de GötHngiache gelehrte Anzeigen, 1834, bl. 883. 



INLEIDING. XVII 

Wellicht zal ctit stdsel op den eersten oogslag aen yeleu 

gewaegd roorkomen, dewyl men tot dus verre aen geene 

vlaemsche schryflael der twaelfde eeuw heeft durven den-* 

k^i, en men Maereant doorgaens in den strengsten zin be« 

schouwt voor 

Den vader 
Der dietscer dichter altegader (1); 

doch men hoore myne bewysredenen, en men oordeele dan ! 
Voorloopig zal het niet ongepast zyn te doen bemerken 
dat men , volgens myne wyze van zien , maer al te lang 
gewoon is geweest de meeste nederiandsche gedichten der 
middeleeuwen aen latere tyden toeteëigenen , dan waertoe 
zy werkelyk behooren. Schier altoos heeft ncien , met uit- 
zondering aUeen van Maerlart , den inhoud der handschrif- 
ten van de veertiende eeuw voor voortbrengsels van dien 
tyd, of hoc^tens voor opstellen van de laetste helft der 
dertiende , gehouden (2). De Fransche Romans , vóór of 
omtrent 1150 gemaekt, zouden eerst een paer honderd 
jaren later vertaeld zyn geworden ! en Y laenderen , een der 
bloeienste gewesten van Europa, onder zyne graven Dirk 
en Philips van den Elzas , aen wier hof de poezy der Trou- 
veres om zoo te zeggen opgekweekt is, het volkryke Vlaen- 
deren zou vóór 1250 geen' enkelen dichter in de moedertael 
hebben op te noemen! Onze tael toch werd toen reeds 
geschreven, blykens eene aenteekening van het jaer 1130, 
door MoNE medegedeeld (3). 

(1) Lehenapiegel m, xTn, V« 120 en 121. 

(2) Zoo doet men, onder andere, een onzer voortreffelykste dichtere, Duk tik Assb- 
REDB, wiens Floris en Blanchefleur door Hoffhau Yon Faliiasleben in den loop dezes 
jaers 1836 is uitgegeyen, zeventig k tachentig jaren later figureren, dan hy geleefd 
heeft. Zyn naemkomt reeds Toor in eene charter yan de maend october 1273, yermeld 
in Sr. Gbigis, Monumens aneiena, I, p. 651, toen hy zeker niet zeer jong meer zal zyn 
geweest; want de grayinne Margaretha noemt hem in dit stuk Dierekin d*Has$e- 
nedesanclerc. 

(3) Anseiger, 1834, bl. 185. 

*** 



xyiii INLEIDING. 

Op die wyze heeft men het morgenrood onzer letter- 
kunde eerst lang na de opkomst der fransche en duitsche 
doen aenbreken , niettegenstaende wy in zoo yele andere 
opzichten onzen naburen vooruit liepen. Hoe zal men dit 
verklaren? Ik voor my beA van een ander gevoelen. 

Het is by my hoogstwaerschynlyk geworden , dat het 
zoogenaemde lied der Niebelungen , waervan Serrure een 
vlaemsch fragment heeft gevonden en laten drukken , oor- 
spronglyk in de Nederlanden te huis hoort, en tot de 
twaelfde eeuw mag worden teruggebracht (1). Het onlangs 
verschenen Leven van Jesus^ door professor Meyer bezorgd, 
naer een. handschrift van het midden der dertiende eeuw, 
acht ik almede van vóór of omtrent het jaer 1200 opge- 
steld. De tael wyst dit aen. En niet minder oud schat ik 
eene beryming van de Reize des heiligen Brandaens, af- 
schriftelyk onder my berustende, en misschien ook nog 
elders gevonden wordende (2). Naer dit stuk, groot 2198 
versen , is eene nedersaksische verkorting bewerkt , opge- 
nomen in Bru«s Romantische und andere Gedichten alt^ 
plattdeutscher Spraohe. Immers , dit laet zich opmaken uit 
vele gelykluidende regels , als B. V: 

Doe Toeren si'langbe stonde 
Ende qaamen aen een eilant, 
Daer sente Brandaen yant 
Eene pine wonderlijc. 
Gheeste, den menscen ghelijc, 

(1) Hen leie dit fragment in den An%eiger 1835, bl. 191-193, waer men echter eene 
ongegronde aenmerking Tindt wegens de woorden meistren , gemeet en overtog$n, als 
zouden die eene hochtetttsche qtielle verrathen. Zy zyn rein IVederlandsch , en by onze 
beste schryTers gebruikt. Veeleer zou men kunnen staende houden , dat een OTergroot 
getal woorden en rymklanken in den boogduitscben text der Niebelungen aen eene 
nederduitsche of nederlandsche gitelle doen denken en terug zien. Schellee beeft dit 
reeds opgemerkt in zyne Bücherkunde der Scusisch Niederdeuischen Sprache , bl. 447. 

(2) In de Eorae Belgicae yan Homuif wordt er niet van gewaegd ; doch zie GiiKTBi's 
Odina'und Teutona, bl. 267. 



INLEIDING. XIX 

Die ronnen op die see : 
Heme gesciede dieke we. 

Luidende in het nedersaksische gedicht als Tolgt: 

De wint slochse in en ander lant 
Daer sunte Brandan inne yant 
En gesichte wunderlik. 
Geistlichen luden weren si gelik. 
Dar Iepen selen up ener see; 
Van not was den selen we (1). 

Ongetwyfeld is ook hel fragment yan het Romantisch 
gedicht Graef Rudolf, door de zorg van Willem Grimm 
openbaer gemaekt, te houden voor de vertaling van een 
oorspronglyk nederlandsch werk ; en daer dit fragment in 
het letterschrift der twaelfde eeuw vervat is , zoo gaet het 
zeker, dat het vlaemsche opstel niet jonger kan wezen (2). 

Zonder al verder te willen onderzoeken of niet nog eenige 
andere gedichten, als met name Salomon en Morolf^ de 
Dtetêce Catoen, Gudrun enz., tot dit tydvak behooren, zal 
ik hier alleen nog gewagen van eene vlaemsche vertaling 
der Miserere van Le Reclus de Moltens, eenen franschen 
dichter uit het midden der tv^aelfde eeuw (3), beginnende 
met de woorden: 

Deus, edel God van den paradise. 

Geeft gratie Van Molhsh Gielisey 

Dat hi uten walsche vertiere 

In dietscen warde , die staen in prise , 

Ende salich sijn ; want hise 

Vant in dboec , dat de clusenere 

Van Molinena maecte... (4). 

(1) Bims RomanHiche und andere Gedichten in alt plaiideutscher Sprache, Berlin 
und Stettin 1798, bl. 176. 

(2) W. G&m's Grave Ruodolf, Göttingen, 1828, in-4o, bl. 2, en ll<»n*f Ameiger, 
1834, bl. 180. 

(3) HitUnre litteraire de la France, XIV, p. 33-38. 

(4) Copta mihi , pa^f. 129. 



%x INLEIDING. 

Ik hael dit leerdicht te gereeder aen ^ dewyl in het zelve 
reeds van üeinaert wordt melding; ^maekt, in een der 
laetste strophen , namelyk deze : 

Qaade tonge , met aconen warden 
Gheet si mi miae ere afcarden , 
Ende icken caens ^^hefalaoaereii niet. 
So scoae redene si mi barden 
Met al te male haren Reinarden j 
Dat scijnt^ dat «i mi minnen iet; 
Mar, achter^ dar men mi niet en siet, 
Singen [si] van mi een argher liet. 
Dats iammer van selken papelarden : 
Si hebben linen in hare riet, 
Ende wuUen es hare in gesciet : 
Si stelen dat si souden vrarden. 

Overigens sluit meer dan een historisch bewys zich by 
dit vermelden van Reinaert aen , en doet ons het bestaen 
van een gedicht dezes naems, in de volkstael der Vlamingen 
van de twaelfde eeuw, als eene daedzaek vaststellen. Hoe 
zeer ik dit reeds elders heb aengetoond, zoo kan ik toch niet 
nalaten het hier te herhalen , en daeromtrent nog nieuwe 
getuigenissen in het midden te brengen. 

Toen Henrik de eerste, hertog van Braband, ten 
jare 1213, by eehen oorlog met Luik, zich in de noodzake- 
lykheid bevond een' wapenstilstand te moeten vragen , en 
hy,te dien einde, met geveinsde demoedigheid en leedwezen 
over gepleegden kerkroof ^ zich tot den graef van Vlaen- 
deren wendde , riepen de daerby tegenwoordig zynde vla- 
mingen uit : c( Ha, ha, Reinaert is munniky Reinaert is 
heremijt^geworden ! » waerschynlyk zinspelende op ons ge- 
dicht, V' 268 — ^283, 368 — 386. Dux, suorum mdens in" 
teritum fugit ad ipsum comitum, quasrens inducias et 
veniam de commisso. Super cujus palliata hypocrisi finn^ 
drensis indignati procères , eya, inquiunt, Reinardus fuotus 



INLEIDING. XXI 

eêt monachus. » Twee gelyktydi^ schryrers komen in dit 
verhael overeen (1). 

In Westvlaenderen , gedurende een inerkelyk deel der 
twaeUde eeuw, raekten de boeren meermaels aen het mui- 
ten, wegen» bezwaer Tan lasten. Hunne oproerigheid ging 
ten jare 1201 tot eenen Toklagen oorlog oTer. Men noemde 
hen de Blasuwvoeiers ^ en hunne tegenparty, deaenhangers 
van het hof, werden de Isengrimmet^ geheeten. Wat de 
eerste naem betreft, bet is bekend, dat de tos by Zweden 
en Denen nu nog den toenaem Tan blafbt draegt; doch 
teTens bedenkeiyk, of men dat dier ooit hier te lande zoo 
genoemd bebbe. Kiluin Terstaet door Blaeuwvoei'een ze- 
keren Togd, Taiü het slach der sperwers, en Tertaelt Acei^ 
püer $teUaris, aquila stettarü^ circus^ Tulgo btavipes. Wat 
er Tan zy, nieuwe sdiry vers , waeronder zekere Seynde^ 
ryckxy sdïepenen Tan Veurne, die in de zeTentiende eeuw 
Tan dezen oorlog een omstandig Terhael te boek stelde , 
maer bet oniiil^;^^én Uet, nieuwe schryTers, zeg ik, zou-^ 
den, naer de gewoonte Tan hunnen tyd, hierin twee adelyke 
famUien willen zien, namelyk die der Ingerycks, en die 
der Blaeuwvoeten s dodi behalTe dat deze namen in de 
ridderschap Tan Vlaenderen niet Termeld ^yn (2) , zoo Talt 
nog bezwaerlyker aen te nem^i , dat partyschappen in dit 
gewest ooit onder familienamen hebben geschuild , iets wat 
daerenboTen by den siryd Tan 1201 geenszins te pas kwam. 
Immer gebruikte men spotnamen of sobriquets, zoo als de 
Cocarullen, de Leliaerts, de Clauwaerts, de Creesers (3), 

(1) CoAVBiTiui Geata pmHficum Leodimêium, H , p. 231 et 627. 

(2) In «enen brief Tan het jaer 1181 vindt men als getuigen Riquardu8 Blavoei dé 
Furrm, (HbaAu Diplom, I, p. 278). Het is de eenigste dien ik in onze charters heb 
Icimnen vinden; doch was hy ridder, of geestelykeTMsLis Sroo, IH, bl. 99 spreekt nog 
yan eenen Pouweh Blauvoet Is Blaeucoef een vogel, dan staet de naem gelyk met 
andeMB, De FtUk, De Boeck^ MuÊêohe, De Saen, enz. 

(3) In het voörbygaen ly opgemerkt, dat Creeeer» niet van creysechen, maer ifm 



XXII INLEIDING. 

de MecontenteUy cie]Veigen, en dergelyken. « Blaeuvoet, 
zeg^ Warnkoenig (1) , latssa son nom aux Blaeuvoetins : les 
Ingrekins durent Ie leur d Sigebert Ingerijck (2). Is dit 
waer, hoe mag het dan toegekomen zyn, dat zy reeds zes- 
tig jaei* vóór den oorlog van 1201 zulke namen voerden? 
Men spreekt er van op het jaer 1143 in het Chronioon 
Flandriae van Adriaen De Büdt (3), toen voorzeker Siegbert 
Ingerygk nog niet leefde, verondersteld dat hy ooit geleefd 
hebbe. In anttquïs enunciativa proba/nt; en daerom houde 
ik my aen de benaming van Isangrtm en Flavtpedes of 
Blavoetini (by inkrimping Bloetint) door gelyktydige Anna- 
listen gebezigd. Ik wil ze hier kortelyk aenvoeren. In de 
Gesta 'Philippi Augusti, descrtpta a tnagistro Rigordo seu 
RiGOTO y ipsius regis chronographo , in Dughene's Htstoriae 
Fremoórum scriptores^ V, p. 54 , leest men : Eodem anno 
(1213) venit rex Philippus cum immenso exercitu Bolo^ 
mam; et ibi per dies aliquot naves suas et homines de 
diversis partibus venientes expectans, transivit usque Gron 
valingas, villam opulentam in fmibus Flandrias, super 
mare Anglicam sitam,, ad quam tota classis ejus secuta 
est eum. Ibi ex condicto debebat comes Ferrandus venire 

ad Regem, et ei satisfacere de omnibus injuriis Dum 

autem esset rex in obsidione Gandavi, venerunt de Anglia 

reesen {surgere ad bellum) moet worden afgeleid. Het woord k eene samentrekking Tan 
ge-reesers (geiende het augment ge^, dat dikwyls tot k oyergaet, een meer collectiyen 
üa te kennen). Vergelyk Vm Hbklv op Y* 270. De heer Steto handelt in het breede 
"Oyer de beteekenis van het woord creesers, in zyne Prysyerhandeling Sur les trouble9 
de Gand de 1540, pag. 160-167. 

(1) Sütoire de la Flandre, I, p. 216. 

(2) In DücsBifE's Histoire de la maison de Guinee, Preuves, p. 288, en het Chrtmicon 
tnonasterii Andrensia, by Dom Bouqübt, XVIII, p. 573 wordt daerentegen gezegd; 
Blavotinorum dux et princeps nomine Hébhenm vel Herehertua, Zoo ook nog ibidem» 
pag. 587. 

(3) Bladz. 284 van het eerstdaegt te verscbynen Corpue cArMHConfm Fknidriae, 
torn. I. 



INLEIDING. xxin 

Reginaldus, comes Bolohicbe, et GmlltelmUs comes Salebe^ 
riensiêy qui cognominatus est Longa Spada, Hugo dê 
BoveSy et multi alii, qutbus occurrtt Ferrandus comes ^ 
cum IsAivGRiifis ^/^ Bloetinis, et Flandrensibus , utpote qui 
bene praenovercmt eorum adventum : et tta subtto in nor- 
mbits cursorüs irruentes, occupaverunt naves noètras, quae 
dispersae erant per littora. A]dus yertaeld in de Chroniques 
de Saint Denis (1) : Tandis comme li rots tenöit stege de-* 
vant Ie chastel de Gcmz, Renaus li cuens de Boloigne, 
..Guillaume Longue^Espée , Hue de Boves, et maint autre, 
riche home, qui venoient d' Angleterre , arriverent au port. 
Li cuens Ferrant, qui bien ot senti leur avenementj leur 
court a Vencontre, o toz les Ysangrins et les Blootins. et hs 
FiAMEKs; Hs issirent des grans nés (nefs) et se misrent en 
petites nes cursoires : totes les nés Ie roi prisrent, qui es-* 
toient esparses par Ie rivage. Mille et cinq eens nés i avoit 
par nombre. Dit gebeurde op een oogenblik dat de Blaeuuh 
voeters met hun' heer verzoend waren (2). Wie ziet niet 
duidelyk, dat men door.de Isengrins den adel, door de 
Blavotins de boeren, en AootAeFlam^ens eigenlyk de ylaem- 
3che stedelingen of poorters verstond? Het Chronicon Güil- 
UELBii Arkorigi noemt ze almede Isangrifii et Bloettni (3) , 
en zoo doet ook , op verscheiden plaetsen , Guiluelmus Brito 
in zyne Philippidos (4) , welke laetste schryver toen zelf op 
den tocht van den franschen koning in Ylaenderen was. 
Eindelyk vind ik in de Historia Viconiensis monasterii^ dat 
de abt ^Egidius eene verzoening tusschen de Isengrimmers 
en de Blaeuwvoeters bewerkte : Sic spiritus S. gratia in 

(1) BovQVET, EUioriens de France, XVII, p. 401. 

(2) WABNKOniIG, 1. c. p. 216. 

(3) BoüQQBT» XVn, p. 89. 

(4) Ibid. p. 136, 234, 230, 249. 



XXIV 



INLEIDING. 



viia exstitit debriatui, ut meruerü pacem inter YsiiffiBJiios 
et Flayentino» (lege Blavotinos) vel Flahpebes (flavipedes) 
in partibuê Hollandiae et Zelandiae et Fla/ndrtae , qua/m 
nullus hominum attentare quibat, give re(ü, sive oomes, aut 
haro refarmare. Sic enim gv^erra erat inter eos, quod pater 
filium habens obvium , aut füiuê patrem, mox itmnaniter 
taevientes colUH pariter alter alterum suffbcabat. Erant 
autem nobile» volde una pars, residui vero, sicut supra 
diotum est^ de territorio Fumenn in Flandria, in loco aut 
circumcirca locum, qui dicitur Cayens (Keyhem) comnuh' 
rantes (1). Dat Flatipebes doet hier voorzeker aen geen 
familie denken. 

Doch genoeg hiervan. Zien wy nq of de inhoud zelve van 
het gedicht , dat wy hier den lezer aenbieden , niet naer 
de twaelfde eeuw lerugwyze. Ongelukkiglyk zyn de daervan 
bekende handschriften van veel tateren tyd. Het perkamen- 
ten codex van Comburg namelyk , thans te Stuttgart (2) , 
bevattende onder meer andere nederlandsche gedichten 
de 3474 eerste regels van Reinaert, door Ghjetbe (3) en 
Grimm (4) uitgegeven , en door Wegxherlin beschreven (5), 
schynt in den aenvang der XI V« eeuw vervaerdigd (6). Een 
ander fragment van 1038 regels, ons door Vak Wyn be- 
waerd (7)^ is van het jaer 1475, terwyl het HoUandschê 

(1) 'Aaxtn^AmpUsnnw coüecHo, VI, p. 303. 

(2) Zie daeroyer het Voorbericht de» derden deeU van HixiLAirr's Spiegel hitioriael, 
door de tweede klasse van het Instituet uitgegeyen , hl. xix. 

(3) Odina und Teuiona, ein neueê Uterariecheê Maga%in der Teuieehen und Nor* 
diechen Vorj^t, Breslau, 1812 , ld. 8» , hl. 265-376. 

(4) ReinhartFuchs, Berlin, 1834, 8o, hl. 115-267. 

(5) Beytrdge sur Geschichte altdeutscher Sprache und Dichihunei, Stuttgart, 181 1, ' 
hl. 125-151. 

(6) Gana , 1. c. hl. glit. 

(7) Hiaforieache en letterkundige Awmdeiondenj I, p. 273,cn «fgedrokt byGtnn, 
hl. 235-267, 



INLEIDING. XXV 

afschrift, in February jongstleden voor de Burgondische 
bibliotheek te Brussel aengekocht , hoogstens binnen de 
eerste vyfentwintig jaren der yyftiende eeuw kan zyn ge- 
schreven. Dit laetste H. S. is op perkament in quarto, 
groot 120 bladen, of 240 bladzyden van 34 regels elk. Het 
heeft vyf vignetten of miniaturen , welke niet zeer fraei en 
met strooken er in geplakt zyn. Op vele bladzyden ziet men 
opengelatene piaetsen , bestemd om nog andere afbeeldin- 
gen te ontvangen , en aen het einde staet een raedseiachtig 
gedicht van zestien regels , in hetwelk de afschryver zynen 
naem te zoeken geeft (Zie Byldgen N** 1 hl. 287). De heer 
Groebe , onderbibliothecaris van het Nederlandsch instituet, 
die hetH. S. in 1825 kopyeerde, en daervan het eerst be^ 
richt gaf in den Kunst- en letterbode van den 23 juny 1826, 
heeft , zoo min als ik , het raedsel van dit onderschrift kun- 
nen oplossen. Wat men van de vroegere bezitters weet 
komt op het volgende neer. Volgens aenteekeningen op een 
der voorste schutbladen heeft het boek eenmael (naer ik 
uit het schrift mag afmeten omtrent het jaer 1500) aen 
zekere Margriet Jan Beyers dochter, en vervolgens aen 
Maria Van Ham Ha^yndryck van Byler dochter, toebe- 
hoord. In 1825 was het in de Bibliotheek van den heer Rsn- 
DOEP VAN Marqüette te Amsterdam , en moest aldaer in het 
openbaer verkocht worden , onder toezicht van den boek- 
handelaer Den Hengst ; doch een engelschman ging met de 
geheele ryke verzameling door, en William Heber werd een 
paer jaren later eigenaer van het stuk, by aenkoop in eene 
auctie te Londen. Intusschen hadden Ten Broegke Hoekstra 
en Groebe er afschriften van genomen , met inzicht om het 
openbaer te maken , hetgeen echter door verschillende om- 
standigheden onderbleef. Zie daer, al wat men van dit 
eenig volledige stuk is te weten gekomen. Ik noem het het 



XXVI 



INLEIDING. 



Hollandsche handschrift y om dat het my toeschyntin Noord- 
Nederland te zyn geschreven. Hel begint met de woorden : 

Willem , die Madoek maecte , 
Daer hi dicke om waecte 
Hem jamerde seer haerde 
Dat die geeste van Reinaerde 
Niét te recht en is gescreyen : 
Een deel is daer af ter gebleven: 
Daerom ded^ hi die yite soeken 
Ende heeftse , uten walscen boeken 
In diiutse aldus begonnen. 

Ik heb reeds elders, en zoo ik meen voldoende, aenge- 
toond , dat de oudste vlaemsche Reinaert (hier bedoel ik de 
eerste 3394 versen mede , die een onverdeelbaer geheel uit- 
maken, en, gelyk Grwim zegt granz Flandrischet fdrhung 
zyn) liiet door Willem is opgesteld. Wat deze in het oude 
gedicht niet te recht ^e«eret?cn oordeelde, verbeterde hy en 
vulde hy aen \ eii in dien zin versta ik het aldus begonnen 
van dit laelsle vers; doch om geheel de vite of levensbeschry- 
ving van Reinaert te doen kennen heeft hy datgene, het- 
welk after gebleven WM ^ door middel van walsche^ dat is, 
door fransche boeken , Vervolgd en ten einde gebracht. Hy 
is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer 
of omvs^erker van het eerste boek. 

De nedersaksische vertaling Reineke en de oude prosa- 
drukken van Gouda 1479 en Delft 1485 , die de prologe niet 
kennen , en met Y^ 41 aenvangen , maken het zeer beden- 
kelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. 
Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste Reinaert be- 
gon met ¥• 11 : 

Nu keert hem daer toe mijn sin , enz. 



INLEIDING. xxvH 

Hoe men dit dan ook beschouwe , het aldtis begonnen 
Tan y* 9 steekl alloos zeer sterk af tegen Y* 40 : 

Nii hoort hoe ie hier beginne ; 

want , zie daer een dubbel begin I Er is ook eene dubbele 
bedoeling. Willem yerklaert zyne taek aentevangen om daê 
het hem %fierjammerde dat er nog zoo Teel aen de bistorie Tan 
Reinaert ontbrak; terwyl de oorspronglyke dichter slechts 
daerom de avonturen vem Reinaert maekte , om dat zekere 
dame, dm in groter hoveecheden geme hare saken keert j 
hem daer toe bad (Y* 26-31). Deze beweegreden alleen gaf 
hem de pen in hand; anders had hy etil gezwegen (Y* 26). 

Dat een Tervolg^diryTer of interpolator soms prologen 
TQor het werk Tan zynen Toorganger plaetste , is niet zopder 
Toorbeeld* In byna al de handschriften der Brabantsohe 
geesten staet er een Tan Terschillenden inhoud, €|n, wat 
meer is^ Tan Terschillenden datum. 

Indien Willem het eerste gedeelte naer het fransch hadde 
opgesteld, dan zou het gedidit daerTan toch eenigen schyn 
driigen ; dan zou by Toorbeeld de woWin , gelyk in de hoog- 
duitscbe omwerking der Tertaling Tan Hukeigh ssm Gucese- 
RAERE, Hena^t, en niet Hersint of Erswinde heeten; dan zou 
de naem van den hond, Cortois, in de fransche Branches 
bewaerd zyn geblcTen (hy wordt er Roonel, Rooniax of 
Morout genoemd; zie B. Y. hierachter hl. 329, Y* 10808); dan 
zou het tooneel def gebeurtenissen en de behandeling Tan 
het onderwerp (Y* 100, 1461-1463 enz.) niet zoo eigenaer- 
dig, niet zoo geheel Tlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk 
in de fransche Renarts eenig OTerblyfsel, eenig spoor Tan 
jEulkeen Toortreffelyk werk, als bet origineel zyn moest, ont- 
dekken. Wy zullen straks zien, dat de trouTcres geen ouder 
fransch gedicht kennen, dan dat Tan Perroz de Saint Gloud, 



xxvHi INLEIDING. 

en dat de fransche Branche^ in onze By lagen bl. 302-341 
opgenomen, eene navolging, ja grootendeeh eene letterljke 
vertaling van onzen Reinaert is. 

Beschouwt men daerentegen Willem voor den hermaker 
en vervolger van het gedicht , dan verklaert zich alles ten 
duidelyksle. Zyn werk is dan de text van het HoUandsche 
handschrift; want in hetzelve vindt men, voor eerst y eene 
omdichting van het eerste boek , blykens de menigvuldige 
varianten en toevoegsels , onder elke bladzyde van onzen 
druk aengewezen , en , ten andere j een vervolg van dit oor- 
sprongelyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit de Fa^ 
bulae extravagantes samengeraept, volgens myne aenmer- 
kingen bh 163, 189, 213, 215, 218, 219, 223, 225, 
229, 251. Des niettegenstaende heeft Willem zyne byzon- 
dere verdiensten, ook door vele invlechtingen van eigene 
vinding zich loffelyk kenmerkende , als daer zyn het verhael 
der tusschenkomst van Rukenau, de rede van Reinaert, 
waer hy zegt hoe Marten de aep zyn ontslag van excommu- 
nicatie te Rome bewerkt, en van daer een decreet van inter- 
dictie zal medebrengen tegen hen , die den vos eenig letsel 
zouden willen doen , de kampstryd met Isengrim, en meer 
andere fraeie partyen (1). 

Wy mogen het dan daervoor houden, dat Willem niet de 
dichter van Reinaert zelven , maer dat hy diegene is geweest 
wien de schryver der fabel van den Liebaert (hierachter 
bl. 295 V» 120) op het oog had , als 

Die bi Reinaerts yite wrachte. 

Doch wie was hy? Een man die vele boeoken^ die Madok 
maecte, zegt de Prologe; blykbaer een geestelyke (V* 4468 , 

(l) Wellicht is het 2iiist^e yerhael Tan de bezigheden yan Bifeluis enVuilromp, bl. 
197, 198 (in Rbihsu onvertaeld) lyn werk niet} maer door den aftchryrer ingeschoTon. 



INLEIDING. XXIX 

4549, 4788) 4790, enz), en dus alleryermoedelykst Willek 
Utbnhoye , Tan Aerdenburg in Ylaenderen , een tydgenoot 
Tan Maerlaivt , en door dezen aldus Termeld : 

Ie heb beleeft.... 

Te diehtene enen bestiaris ; 

Noehtan wetic wel dat waer is 

Dat her Willem ütenhove , 

Een priester van goeden love 

Van Erdenborg, heeft een gemaect (1). 

Immers, wy Tinden geenen anderen Willem onder de 
Ylaemsche dichters Tan dien tyd, en het Termelden Tan het 
schier onbekende Hoeckenbroek (V* 6904), in de nabyheid 
Tan Aerdenburg gelegen , midsgaders het plaetsen Tan zeker 
TOorTal op eenen dyk (¥• 6286) , laten niet toe aen eenen 
anderen te denken. 

Of nu Maerlai^t juist door Bestiaris (schrift OTer de die- 
ren) den Ternieuwden Reinaert hebbe Tsrillen te kennen 
gCTen, Talt moeilyk te beslissen; doch zeker gaethet dat 
hy , Maerlant, den Madok kende ; Termids hy dien opnoemt 
aen het einde Tan zynen Rymbybely Toltooid ten jare 1270 : 

Hier makic der Ystorien inde, 

Ende wilde wel dat elc man kinde 

Hoe ie hebbe , na mine macht , 
. Dware behouden ende dliegen gewacht. 

Elc mach sinen wille wanen. 

Vort 60 willic hem yermanen , 

Die clerke sijn ende Ystorien kinnen , 
' Of si iet yinden hier binnen 

Te verbeterne , of sijt connen , 

Dat sijt doen : enes onder der sonnen 

Menscelijc werc, weet al bloot , 

Hen heeft wel yerbeterens noot. 

Scriveren, die dit sullen scriven , 

God gheve dat si goet moeten bliven ; 

(1) Habu.jliit'8 Natn^rmiklome , blad. 2, verso , tan myn H. S. op perkament. 



XXX INLEIDING, 

Want menegen ne rouct hoe hi yerdult 

Tfolc, uptat hi die plaatse vult : 

Hem biddic dat si nemen goem ; 

Want dit es niet Madocs droem , 

No Reinaerts no Artus boerden. 

Ware dat si den bouc vervoerden 

Met valschen sermoene, si daden sonde! 

Hier over is gepijnt lange stonde , 

Ende mi ware leet , weet wel te voren , 

Soude de pine sijn verloren 

Met hare valscheit , die si scriven. 

Deze uitval tegen de boekschryvers doet zien, dat Willem, 
die Madoc maecte, reeds vóór het jaer 1270 heeft geleefd*, 
en dat zyn Reinaert een' dier gedichten was, welke onder 
de handen der afschryvers merkelyk hebben geleden. Wy 
moeten derhalve te zynen opzichte behoedzaem wezen ia 
onze oordeelvellingen , en niet te veel prys hechten aen en- 
kele woorden of gezegden, waerdoor men zou in het geloof 
komen, dat het tweede boek van Reinaert een voortbreng- 
sel der XIV® eeuw zy. Veel is er door afschryvers tusschen 
geschoven. De inmengsels echter vaneenenhistorischen aert 
zyn niet talryk. Ik ken slechts deze twee. Gelyk Willem 
voor zynen tyd de theologie van meester Juffroet al te verou- 
derd oordeelde , en hem dus door den vlaemschen Gielis 
verving (V« 2957; iEciDius a Lessinu?), zoo deed ook zyn 
afschryver der vyftiende eeuw, ten aenzien van het voorge- 
stelde beleg des kasteeU Malpertuis. Hy begreep dat men 
geen fort zonder bombaerden en donderbussen kon over- 
meesteren, en voerde ze dus in den text, gelyk later de 
plaetsnyder in Van Ghistele''s vertaling der Aeneis die tegen 
Troje braqveerde (Zie myae a^anjerking bl. 151). Einde- 
lyk bevat het fragment van Van Wyn eene zinspeling op den 
stoel van Avignon (bl. 283 V» 7726), die noch by R/rineke 
noch in het HoUandsche handschrift voorkomt. 



INLEIDING. XXXI 

Veiliger zal het daerom zyn ons oordeel uit het geheele sa- 
menstel afteleiden en optemaken , en hier toe gaen wy nu 
over. 

Dat het tweede boek yan Reinaert een yervolg van het 
eerste, en grootendeels eene navolging van hetzelve is, zal 
wel niemand betwyfelen (Zie V« 3502, 3964, 4358, 4587, 
5329, 5775, 6588). Het heeft volkomen de zelfde gang: 
hofhouding^ tzenklacht, oproeping^ biecht, aenkomst ten 
hove, verantwoording, verzoening. Dat het door eenen ande- 
ren schry ver gedicht werd , is almede buiten kyf. Het heeft 
, namelyk andere spraekvormen , andere wendingen, veel 
meer spreekwoorden (het woord bedt, door den auteur van 
het eerste boek zoo gaerne gebezigd , komt in het tweede 
niet eene enkele reize wéér). Het noemt den leeuw Lioen, in 
plaets van Nobel, enz. Ook de heer Grimm neemt dit stelsel 
van verscheidenheid in het opstel der beide gedeeltens aen , 
en Herder vermoedde het bereids uit de lezing van Reineke (I). 

Dit punt onbetwist zynde, en daer men onmogelyk in het 
eerste boek een werk van twee dichters zien kan , zoo blyft 
alleen te onderzoeken , of men met het vervolg tot aen den 
leeftyd van Willem Uteivhove kan opklimmen. Ik denk ja, 
en wel om de volgende redenen. 

De nederlandsche Tsopet , door den raedsheer Glignett 
uitgegeven, behoort zeer zeker tot de XIII* eeuw (2). Nu, 
de dichter van Ysopet onderstelt reeds in zyne vlaemsche 
lezers eene zekere mate van bekendheid met de toenamen 
van Marten en Boudewyn, in zoo verre dat zy wisten wat 
men er onder verstond. Hy schreef dan zonder voora%aende 
naemsverklaring : 



(1) Bibliothek der êchönen WUaenschaffen, band LIV, bl. 206. VergeL Wn 
1. c. bl 141. 

(2) Ctwmm's Bfdragm toid» wéê NêdwUmdiche letterkmde, Voórbericlit» bladi. 
IX en X. 



XXXII INLEIDING. 

Fabii: XVII. 

Een rrjc man hadde tere stónt 
Enen ezel ende een hont. 
Om dat hi hadde den hont soe wert 
Droech desel nijt ten honde wert. 
Hi sach den hont in groter weelde , 
Ende dat sijn here ieghen hem speelde. 
Ja 9 penst mijn here Boudewijn, 
Wat meent mijn heer?.... 

En TABEi Lil: 

Een recht man ende een yalsch tyrant 
Quamen te gader in een lant 
^ Daer men vele scimmincle yant ; 
Daer en ginc oec geen in hant. 
Een scimminkel was daer here 
Ende dwanc al dander sere..... 
Tote desen man sprac Martijn, 
Die soe here wilde sijn: 
Wat dancti, segghet hi, nu hesie. 
Van cfese heren ende van mie? (1). 

De ezel Boudewyn en de aep Marten nu, komen niet in 
den ouden Reinaert, maer wel in het tweede boek voor; 
weshalve dit laetste reeds eene zekere populariteit moest 
hebben verkregen toen de Tsopet het licht zag. Dit staet, 
myns achtens, boven alle bedenking; al wilde men zelfs 
tegenwerpen dat er nog andere fabels in omloop waren , 
blykens de drie hierachtergevoegde , en sommige toespelin* 
gen in de spreekwoorden der Bylagen : 

Menich andere rime 

Van Reinaerde ende van Ysengrime , 

Brunen den heere enten das (2); 

Immers, men ziet uitY' 4421 en de daeraen volgende, dat 

(1) Cligiikït's Bydragen , bl. 109 , 288. 
'(2) Dese rymregels welke in het Comburgsche H. S. yoorkomen (WMmum, 1.1: 
p. 131) syn niet uit den Rfmbyhel Tan Hablaiit, als Gmih dacht (JSetnAarriFWAa , 
bl» ccni). 



INLEIDING. xxxin 

de personnagie van Marton door den schryver niet ran 
elders is ontleend. Doch dit ï» niet at. Gelyk dé dichter tan 
T^opet deze twee namen uit den Retnaert haelde , zoo nam 
hy ook nog uit denzelyen de regels 6569 tot 5690 oyer, en 
plaetste ze in zyne twintigste fabd V« 5-26 (1). 

Ware het dichtsluk Madoo loï onzen tyd bewaerd ge- 
bleven , het hadde voorvast meer licht over WiLira Utbh- 
HovH verspreid. No moeten wy vragen: wat voor een roman 
mag Mctdoe geweest zyn? Mone ziet er den Malagij» in. 
Madoe^ zegt deie duitsdbe geleerde {Wdheh Madog, Ma^ 
daiffg) igt der Malagis. Brüchstücke detvon hai Bildehbyk 
tn seinen Verscheidenheden bekannt gemacht, und ztcar 
118 verse aus der Episode der Oriande wm Baseflor. An^ 
dere, die tur bdager»nff pon Egermont gehêren, besiize 
iöh sêlbst* In schleohter hoehieutsoher Uebersetzteng ist Wil- 
Umg Madoo noch in der Pfaltz. Hs des Malagis N^ 350 
vhrig (2). Die verklaring is intussehen weinig doeitreflfend , 
dewyl men geen voorbeeld geeft of weet , bewyzende dat 
men ooit anders dan Malagys^ Malegis^ Maldegys of Mal- 
dagis geschreven hebbe (3). 

Daer men , in zulk geval, zich met loutere gissingen moet 
behelpen , vraeg ik op myne beurt , of men hier niet zou 
mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc , 
zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, die omtrent 
den jare 1170 America ontdekte (4)? Hy toch vertelde won- 
derlyke dingen van eene emêere wereld^ maer zyn verhael 

(1) Guiiiiiv, bU ISd^lSd. Bon bosde hl» hy k let oog, dd Willt» aaer 40«/. 
sche hoehen dichte, en dus niet kan yerondersteld worden uit d^lH IfedviMidschen 
Têopet te hebben geput. 

(2) AuMêiger, I8S4, hL 197. 

(3) In eene donatie van Cbüdebeii aea d» abtdy yvft Si^dotk tm het J«er 706 
(St-Gerois, Monumem anciens, I, p. 464) wordt zekeren.serf üfa^c/a^M genoemd. 

(4) IbcBkmySiographieuniverselle^XXyij p. 96. 



XXXIV INLEIDING. 

werd niet geloofd , en wellicht was het om deze reden dat 
Maerlant er van spreekt als Tan droomeryen {Madoos 
drojBtn). 

Men denke hierover wat men wil , wy vermeenen , door- 
voldoende bewyzen, aengetoond te hebben, dat Willek 
IlTENHOVEde dichter van het tweede gedeelte onzes Reinaerts 
kan en zal zyn geweest , en dat 's mans werk in het midden 
der dertiende eeuw valt. Tevens vloeit uit deze omstandig- 
heid voort , dat de vroegere Reinaert, of het eerste boek , 
van ouder dagteekening is, en lang een afzonderlyk bestaen 
heeft gehad. Dit. zal, zoo ik vertrouw, aen niemand meer 
twyfelachtig wezen. 

De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek 
schynt reeds met V* 3395 voorbereid, door het optreden 
van eene nieuwe personnagie , met name Firapeely de lui- 
paerd , die den koning tot het besluit brengt om eene ver- 
goeding aen Isengrim en Bruin toeteslaen , en om vervol- 
gens Reinaert te gaen opzoeken en vangen : 

Daema sullen wi alle lopen 

Na Reinaerde , ende sulne yangen , 

Ende bi sine kele hangen ; 

Een plan , hetwelk maer eerst in het tweede boek, ¥• 3750, 
zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvol- 
eindigd liet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daer- 
voor te houden , dat de oorsproqglyke Reinaert met ¥■ 3394 
sloot. En inderdaed , deze gedachte krygt veel gronds , wan- 
neer men bezeft, dat er, volgens de uitgave van Grjeter, 
bl. 375, hier ter plaetse, namelyk aen ¥■ 3395, eene 
groote versierde voorletter in het Comburgsche handschrift 
wordt aengetroffen , toonende dat eene nieuwe afdeeling , 
en geenszins een' blooten paragraf, begint. Dergelyke hoofd 



INLEIDING. XXXV 

letter toch was voor de laetste 80 r^Is noch geTorderd, 
noch passend. 

Willem moest nog eene andere wyziging aen het werk 
Tan zynen voorganger toebrengen, wilde hy het doel, dat 
hy zich voorstelde, bereiken. Zy bestond hier in, dat Rei« 
naert Malpertuis niet mocht verlaten , om met zyn gezin 
naer elders te trekken (Y^ 33S1) ; want dit strookte niet met 
hetgene volgen moest, Y' 3524, 3784, enz. Hy veranderde 
dus de redekaveling hl. 129 en 130, en liet de regels 3322- 
3334 achterwege. 

Trekt men dit alles te samen, dan valt nog daerby in het 
oog , dat de afechryver van het codex Comburgensis den 
ouderen text van Reintzert kopyeerde , schoon hy zich voor- 
gesteld had ook het vervolg van Willem te leveren. Waerom 
hy by Y^. 3474 is blyven staen , kan ik niet doorgronden. 
Men heeft meer zulke voorbeelden van afgebroken stukken, 
en het zelfde codex bevat er nog andere. Altoos blyft het 
zeker, dat wy dien afschryver veel te danken hebben; want 
zeer waerschynlyk waren in zynen tyd de goede texten van 
het gedicht reeds zeldzaem gi^worden , aengezien de saksis- 
sche vertaler en de bewerkers der oude prosadnikken den 
omgewerkten Reinaert van Willem , zoo aU die in het Hoh- 
hmdsche hcmdsohrift zich voordoet^ alleen hebben gekend 
en gevolgd. 

Keeren wy nu tot dat gedeelte onzer taek terug , waerin 
wy ons voorstelden te bewyzen, dat de vlaemsche Reinaert 
omtrent het jaer 1170 moet zyn gedicht. . 

Yooreerst, blykt dit door onderscheidene zinspelingen 
op gebeurtenissen of persoonen van dien tyd. Het tooneel 
van Reinaerts en van Isengrims gesten is bestendig in Ylaen- 
deren , ter uitzondering van een enkel feit, voorgevallen by 
eenen dorpspastor in het land van Yermandois (Y^ 1514). 



xxxTi INLEIDING. 

Dit uitstapjen van den vos ea den wolf niet yerhaeld wor* 
dende als of het buiten 's lands gebeurd ware, aoo Tii»dt 
het zyne natuerlykste yerklaring in de gesteltenis der poli- 
tieke aengel^enhedenTan dien tyd. Door het huwelyk van 
Philips ^an den Elzas, graef yan Vlaenderen, met Isabelie, 
dochter en eenige erfgename van den in 1163 oyerledenen 
graef yan Yermandois, werd dit laetste graefechap met dat 
Tan Ylaenderen yereenigd , en bleef zulks tot aen het jtec 
1186 (1). In dien tusschentyd heefit de HemaBrt waerschyn-» 
lyk het aenzyn verkregen ; want waer van anders dit TWw 
mandois f 

Op eene andere plaets yan het gedicht Yeriiaelt de tos, dat 
hy den sdiat yan koning Ermenrik te HuUterloo onder eenoa 
boom begraven had , welk Hulsterloo in zulke groote wil- 
dernis gelegen was, dca men in zes maenden mr geen schepsel 
ontmoette (bl. 104). Het witte^boek ter archieven van Gent 
leert ons , dat men in de middeleeuwen € Oneer Yrowmen vcm 
Hulsterhe bedevaert ging (2). Men vereerde te dier plaetse 
een wonderbeeld , hetwelk , volgens eene aenteekeniog ach* 
ter de onuitgegeven kronyk dar abtdy van Droogen by Gent, 
uit de stad Teruane was aengebradit. Onze lieve vrouw, 
ontevreden zynde over de weinige eer, welke men te Teruane 
aen haer beeld bewees , zou bevolen hebben dat men het 
naer elders bracht, en dit werd, niet zonder grooten toeloop 
van volk , uitgevoerd* Twee duiQens vlogen voor de dra* 
gers yan het beeld , en wezen hun den weg aen , tot men 
eindelyk te Hulsterloo kwam. De bygestroomde menigte 
was zoo groot , dat men omstreeks Gent broodsgebrek leed. 
Zoo luidt het verhael van den geestelyken kerkbeitienaer te 

(1) WiuiKinnG, Hutoifê <!• la Fhndre, J, p. 199-201. 

(2) CAinAnT, Bydragen tot de geachiedenü voh hêt strafrecht in Vlaenderen, blad- 
lyde 356. 



INLEIDING. xMw 

Hulsterloo, ia opg^mdde krooyk; doch zonder tydd>epa- 

Bug- 

Hukteifloo^ by Kieidrecht, met ayne woestyn, bofischea ea 
moeren , werd ten jare 1136 aen de abtdy Tan Drongen af«^ 
gestaeni, Tolgens twee diplomen) hierachter op V' 2579 
en 2665 aengehaeld. Yermoedelyk zal er, ettelyke jarea 
daerna , door de kloosterboeren van die abtdy eene kapel 
gebouwd zyn ^ aen O. L. V, toegewyd; en dit Yerklaert hoe 
baer beeld, in de dertiende, Teertiende en Tyftiende eeu- 
wen , by de Tlamin^^ zoo Termaerd wa^, en zoo Teel toe- 
loops had^ tot eindelyk Hubterloo zelf, door OTerstrooming^ 
geheel Terdween« Was dit nc^ een verla4en oord toen de 
Memaert werd opgesteld (V' 2589), dan moet het gedichl 
ook ouder zyn dan het tydstip der OTerkomst Tan het won** 
derbeeld; en dit brengt ons in de twaelfde eeuw. 

Isengrims munnikswording in het klooster Tan Elmaré 
y* 1487, terugziende naer de stichting der proostdy Tan 
dien naem, ten jare 1144 (1), en het Termelden Tan Her^ 
man^ abt Tan S* Marten te Doornik V« 2737, en Tan God^ 
fridiLs Andegavensü V' 2957., beide in de eerste helft dier 
eeuw geleefd hebbende , Terdienen almede opmerking. 

Moeiiyker is het, Toor de apraekTormen des ouden Jüsp- 
fumis eenen tyd te bepalen, daer het ons aen stukken ter 
Tergelyking uit de twaelfde eeuw ontbreekt , en wy op de 
getrouwheid der bekende afschriften Tan lateren tyd niet 
Teel rekenen kunnen. Intusschen beschouw ik toch gezegden 
alsdeze: Mi begmnene sibbe ieUm ¥'2105, HektvriN^ 1070^ 
3241 (2), Hi $oude ons queddenende groeten V« 1108, Sine 
hiê Y' 1852^ Toor ouder dan M4sal4Ht's schriften, 

O) T« 2714 k MiMmm^t nes km «r 4Mr venKaw, dtt «r Mf ^m ieinwnik* 
k«n ia £liiMf • vrar«n , «■ Mk, dat ImRinmjMt d* |^0lte»Ae vwm* niet gmoeg bad« 

(2) Te oBdertDheideB tM wnim vriy kmi^iöoh vri «ns., éie omo ooeh wel eldei» 
«entr^. 



xxxviii INLEIDING, 

Sommige aenduidingen Tan rechtsgefaruiken toonen ons 
niet minder de hooge oudheid des gedichts aen , en het yer-* 
wondert my dat zulks niet door Grimm opgemerkt zy. Hier 
door alleen blykt^ dat onze Retnaert Qeene vertaling naer 
het fransch kan wezen. Ik heb op de zinspelingen van dien 
aert in myne aenteekeningen acht gegeven , en beroep my 
voor het overige op de getuigenis van Heinecciüs (I) , en op 
Dreyer's boek Von dem Nutzen des trefUchen Gedichtes Rei- 
neke de Vos zur Erkldrung der Teutschen RechtsaUerthü^ 
tner, insönderheit des ehtnaligen gerichfswesens ^ uitgegeven 
te Bützow en Wissmar, 1768, in quarto. Alleen zal ik er nog 
by voegen , dat het rechtspreken op of by eene stage van 
steen, V^2757, ons insgelyks naer hel midden der XII® eeuw 
terugvoert, alzoo reeds by het einde dier eeuw gebouwde 
sloten den steen vervingen of bedekten. Zie de aenmerking 
bl. 112. 

Andere allusien, eindelyk, betreffen het Canonieke Recht. 
Van dien aert is het geval van den dorpspastor, ¥■ 726 en 
volgende. Deze wordt voorgesteld als hebbende vrouw en 
kinderen , die openbaer met hem in hetzelfde huis woonen 
(V*731, 1176, 1240), zonder dat zulks aenzyne parochianen 
den minsten aenstoot, of aen den dichter van Reinotert 
(ook een geestelyke, naer men uit ¥• 444, 2953-2969 moet 
obrdeelen) eenige stof tot hekelen geeft. De zelfde pastor 
(onze voorouders zeiden prochiepaep^ of kort weg poep,) 

(1) Hbiubccu Elementa juria Germanici, torn. ü, P. V: « Semel me etiam usum 
esee memini testimonio elegantie ingenii poetss, cui Vulpeculam Reineke debemus: et 
puduit me promemodum, inde saepius illustrare Jurisprudentiam Germanicam, non 
quod non plura in eo poemate yel maxime ad rem facerent ; sed ne in re seria nugas 
agere Tolle yiderer. Et tarnen Teriasimum est, Germanos non modo hoe poema multis 
GraeciaB ac Latii monumentis opponere po8»e, si justum rebus suis pretium statuerent ; 
▼eram etiam incredibilem rerum prsestantissimarum Thesaurum in eo esse reperturos, 
si a se impetrare possent, ut illud in manus sumerent. > Eet spre^ yan self, dat deze 
woorden nu aen de Belgen moeten toegepast worden, aengezien de duitsche Reinêké 
niet anders dan eene yertaling Tan onsen Reina$rt blykt te wezen. 



INLEIDING- xxxix 

komt oolcTOor in den franschen Renart, bl. 323-325 hierach- 
ter; doch niet als een getrouwd man; maer als een geeste- 
lyke, die met een byzit leeft (¥• 10556 , 10628), weshalve 
hy dan ook genoemd wordt 

Li mavès cop , 
Qui Diex doint mal giste et pon pain 
Entre lui et s'orde pntain ! 

Daer het nu bekend is , dat geen priester sedert het mid- 
den der Xn® eeuw zich meer in den echtelyken staet kon be- 
geven, zonder tevens zyn beneficium te verliezen (1), zoo 
maek ik daeruit op , eensdeels , dat onze dichter omtrent het 
midden dier eeuw schreef, toen er nog voorbeelden van ge- 
huwde geestelyken konden zyn, en, ten tweede^ dat zyn 
werk ouder is dan dat van den franschen schryver der hier- 
achtergedrukte Branche du Benart^ welk laetste stuk nog- 
thans tot de eerste helft der XIIP eeuw gezegd wordt te 
behooren. 

Dit brengt ons in de gelegenheid om hier ter loops de 
fransche Renarts in oogenschouw te nemen. In geen der- 
zelven vindt men een episch samenstel van Reinaerts en 
Isengrims lotgevallen. Alle worden i&rancAe^ genoemd; maer 
waervan? 

V' 1265 lei prent ceste branche fin ; 
6-472 Or dirai, ne me voil plus tere 
Une branche et nn sol gabet; 
7186 De ceste branche n*i a plus ; 
15809 Uns prestres de La Groiz en Brie 
A mis son estude et s'entente 
A fere nne novele branche ; 

Enz. 

(l) • Seit der mitte dei zwdlften Jahrhunderi bt fesigetettt, dasi die Verheiraihttni; 
. durcli die That telbst wenigstent den Verlost des Beneficiums und der PriTilegien' dea 
geistUchen Standes nach sich aidit. > Wiint, Lehi^uch deê Kirchenrechiê , !• aut- 
gabe, bl. 207 , of de lerende uitji^Te yan dit werk, bl« 410. 



XL INLEIDING. 

Nergens wordt Tan den boomstam-zelf gewaegd, immers 
niet in dien zin , dat men daerdoor een oud Fransch ge- 
dicht aenduide. Integendeel^ de geheele samenhang der 
fransche Renarts^ door Méon (1) en Ghabaille (2) mede- 
gedeeld, en door Marchand (3), Le Grand d'Aüssy (4), Ro- 
BERT (5) en Gbimm omstandig beschreven , doet ten sterkste 
gelooven , dat de Trouveres deze hunne takken geïnt heb- 
ben, of op de Frankische Sage uit den mond des yolks, 
of op onze latynsdbe febeU Tan den wolf en den tos , erf 
eindelyk op den Nederlandschen Reinaertj hier Toor ons 
liggende. Veelal maekten zy Tan de feitelykhedea, welke in 
<le aenklacht der dieren, by dea aenTang onze» gedichts, 
of in de biecht Tan den tos , flaeuwtjens waren aeogestipt, 
meer uitgebreide Tertellingen. Laten wy, om dit nader te 
zien , de fransche uitgaTe der Benaris eens Tluchtig door- 
loopen , en aenteekenen wat tot onze Tlaemsche slukbeoi in 
betrekking staet. 

Pebbot DB Saiivt Cloud, de eerste en oudste der Branche- 
dichters , die omtrent 1230 leefde, erkent dat hy naer lAev 
boek gearbeid heeft: 

tin livre, Aucupre ayóit k non: 
La trovai-je mainte reson 
Et de Renart et i^autre choêe. 

Dit boek was dus eene Terzameling Tan gedichten , in 
welke de Aucuparius (middeleeuwsch latyn, Tan aucu^ 

(1) Le roman de Renari, Vuiêy ohe» TfenUel ei Würik, 1826, 4 toI. in-S», gere- 
censeerd door Ratkoiiaid mleJoumml des Savanta, 1826, p. 334*345. 

(2) Le roman du Renari, Supplément, varianieê et corrections, Pari»^ ches Sil- 
▼estre, 1835, in-S». 

(3) Dictionnaire hiatorique. Ia Haye, 1758 » in-fol., I, p. 277; herhaeld by Paqvot, 
Mémoireepour eervir è PhiHoire Uttéraire deê Payê-Boê, lY, p. 361-370. 

(4) Notiees et extrait^ éee Mmuêcritè de ht MKethêfue noii&noie,Y, p. 294-857. 

(5) Fablee inéditeê dee XIl^, XIU^ êt XIV^ nèelee. Paris, 1825, in-S», I , page 
cxx-cin. 



INLEIDING. xu 

pium, aucupar) de eerste plaets bekleedde, wellicht gevolgd 
door den Luparius, den Poenitentiarius lupi^ den Aii^ 
nariusj den Raparms enz., alle titek van fabels of yertel- 
lingen , meest opgesteld door Godfried van Thienen. Mone 
Tond zoodanigen bundel, en beschryft dien in zynen Anzei^ 
ger, 1834, bl. 159-163. 

Vervolgens wordt, bl. 14 van Méon's eerste deel, in het 
lange verhaeld, hoe Reinaert met Hersinde en hare kinderen 
omging (hierachter V' 73-77, en Meinardus, lib. III, ¥• 
1753). — Bladz. 29 vindt men eene branche, getiteld: Si 
oontne Renart numja Ie poisson aus charretiers ( betrekke- 
lyk tot Rein. V» 208-216) — Bladz. 36 Si comme Renart fist 
Tsengrin moine{R^\* 1487-1507 en Reinardus, lib. III, 
£abula III). — Bladz. 44 Si comme Renart fist peschier d 
Tsengrin les anguiles (/? V» 1508-1511, 6283-6395, en Rei- 
nardus, lib. I , \* 531 et sqq.). — Bladz. 181 Cest de Jïè- 
nart et d' Tsengrin et dou Lyon , com il departirent la proie 
(/? 6057-6145, en Reinardus, lib. IV, fabula II). Deze 
Branche begint aldus: 

Pierres qui de Saint Glost fd nes 

S'est tant traveilliez et penez 

Par proiere de ses amis , 

Que il no8 a en rime mis 

Une risee et un gabet 

De Renart, qai tant set d'abet, 

Le poant nain , Ie descréa , 

Par qui ont estë decéa 

Tant baron, que n'en sai le conté: 

DèS'Or commencerai le cönte. • 

Uit welke rymen op te maken is, dat de dichter geenen 
anderen gesehreTen Renart in zyne tael kende, dan dien 
van PiEKAE DE St-Cloüd. — Bladz. 285 , in verband met de 
Variante by Chabaille, bl. 127, heeft men La branche d^T- 
sengrim et de Renart et dou gresüUm : 



XLii INLEIDING. 

Un jour iaai for» d'uoe lande 
Ysengrins, por querre yiande, enz. 

Letterlyk de aeiihef Tan Éeinardus : 

Egrediens silyam mane Isengrimus, ut escam 
Jfgunis natis quaereret atque sibi. 

Bladz. 287 staet in betrekking tot de kraeivangst in ons 
tweeden boek bl. 145 en •146; doch zeer obsceen behan- 
deld. — Bladz. 307 Si conme Tsengrin iala plaindre de 
Renart d la cort Ie roi: eene uitbreiding van het geval 
wegens de eedsaflegging {B^ V* 79-85). — Het tweede deel 
begint met de fraeiste aller branchen, gedeeltelyk nage- 
drukt in de Bylagm hierachter, Ook de schryver van dit 
stuk kent geenen anderen fraaschen Renart dan dien van 
Perrot de St-Cloüi) (V» 9649), en ?egt zyne stof gehaeld te 
hebben uit zekere geschrevene historie : 

4 Y' 96ë& Ge dist Festoiro e$ premiera ven ; 

En dan volgt dé vertaling der eerste vergen van Retnaert: 
Het was in enen sinxenda^ge, enz. Nog tweemael spreekt hy 
van dezelfde historie: 

Y' 10036 Si conme e» eseril Ie «povou , 
10695 Si con dos trovons en Festoire; 

Doch welk Escrit, welke EHoire? Geene andere dan onze 
vlaemsche Reinaert. De vergelyking der twee texten laet 
deswege geen twyfel over. TrefiFend hewyzen dit, in het by- 
zonder, de volgende rymregds : V* 50 van Reinaert is by 
hem V« 9670, 83^9688, 85-9691 , Ü46-97ft4 , 522-10179, 
525-10190, 541-10182, 545-1019$, 549-10199, 550- 
10200, 577-^10240, 578-10241, 652--10282, 653-10283, 
67840292, 679-10293, 703-16316, 706^1 a2a0, 723.10338, 
724-10339, 746-10364, 804-10393, 943-10414, 944- 



INLEIDING. XLiii 

10415, 952.10416,987-10429, 997-10435, 1051-10473, 
1054-10474,1077-10498, 117640564, 1179-10569,1187- 
10573, 1198-10572, 1301-10632, 1442-10744, 1445- 
10750, 1706-10888, 1707-10889, 1725-10896, 1730- 
10912, 1731-10913, 1734-10915, 1735-10916, 1820- 
10938, 1828-10980, 1835-10986, 1843-11015, 1844- 
11016, 1849-11018. Ja, wat meer is , in V- 10493 laêt hy 
zelfs het vlaenuche woordtrf720com6staen,opde zelfde plaets 
waer hy hel in BeiiKMrt aentrof, ¥• 1073. Later, van den 
nederlandschen text afwykende, beroept hy zich op zyne 
historie niet meer, eu gaet dan zyn eigen weg. Kan 6r wei 
een sprekender bewys Tan navolging gevonden worden? 

Bi. 131 van hetzelfde tweede deel leest men eene biecht 
van den vos, veel overeenkomst hebbende met Y' 1485-» 
1511 hierachter» -^ BI. 145 Cest la batmlle ch Bênari ét 
d'Tsangrin (Zie myne aenmerking bl. 251) — BI. 155 en 
156 het geval van Tibert en den pastor. De klacht der 
vrouw luidt aldaer : 

Lassel fet-èle, inalofltme! 
Ne serai mes ohiare tetiiie; 
Mesire a perdue sa joie 
Por qaoi chiere tenve estoie s 
Cr n'aura-il mès de moi otir» 
Quant il a perdu s'anblënre; 
Cr sai bien qu'il me gerpira 
Qaant il aidier ne se porra. 
Moült sui ore triste et dolente , 
A joie ai usë ma jovente ; 
Il me donnoit si biax mengiers 
Et les bons dras plus volentiers! 

Men ziet , het is wederotti eené byzit. De sehryver móet 
den grondte&t gekend hebben; want verschillende regels 
zyn gelykluidend, B.V. Y- 13776 met iP V- 1245. — BI. 176 
het geval in den put ^R^ 6432^455). *^ Bl. 212 begint de 



xuv INLEIDING. 

branche gemaekt door een' geestelyken van La croiz en 
Brie, volgens hel mondelyk verhael van een ander : 

L'estoire Ie tesmoigne k vraie , 
Uns bons conteires Fayeraie 
Qui toz les conterres sormonte, 
A celui oi conter Ie oonte. 

De vos zegt daer, onder andere, ¥• 16876 : 

Si ai maint bon conseii doné: 
Par mon droit non ai non Renart* 

Beduidende in hedendaegscli fransch : c^est ainsi que f ai 
danné souvent un bon conseii, et que mon vrai nom (mon 
droit nom) est Renart. Wy zullen straks zien dat Ragin^ 
hart (by verkorting Rainart) in het oudduitsch raedsman 
te kennen gaf; veeshalve de mondelyke overlevering, waeruit 
deze schryver puttede, ook van eenen duitschen aert was. 

— BI. 305 (7est la branche de Renart si come il fu mires 
(Zie myne aenteek. bl. 225); waerschyolyk door een' vlaming, 
van den kant der stad Teruane, geschreven (¥• 18216). 

Het derde deel begint met eene branche, welke almede 
naer een mondelyk verhael is opgesteld : 

G'en di por ce une avanture , 
Oa ge ai mis toute ma eure ; 
Ge Toi dire k an viellart ; 

Doch de vuile inhoud moet by ons niet gezocht worden. 

— Bl. 28 geeft de branche van Richart de Lison, 

Qai Ta translatée en romanz. 

Wat aengaet Le couronnemens Renart van Marie de 
France, waermede het vierde deel van Miom aenvangt, het 
bevat eene Satyre tegen de Minnebroeders en de Jacobiters, 
en is onzer dierenfabel geheel vreemd. De daer achter vol- 
gende Renart le nouvel^ door den vlaming jAguzHARS Gieleé, 



INLEIDING- XL? 

omtrent hel jaer 1290 yervaerdigd, is ook meest allegorie 
en satyre ; doch beide dichtstukken , zegt Grivm, beide zeu^ 
gen für Flandem^ den classüchen boden der Thierfabd, 
denn auch Marie muss die idee zu ihrem gedicht^ dM sie 
den gr af en Wilhelm von Flandeim zugeignetj dart geschopt 
haben (1). 

Zy zegt naemlyk , dat zy schreef Toor 

Preu yaillaiit conté WUUaiuae 
Qai jadis fïi conté de Flandres; 
En lager : 

Ha ! caens Gnfllanme conquerans 
N'estié mie fors qae d'onor: 
A droit on tos tint a singnor 
Et 90a fïi drois k mon avis : 
N*est merreine si Ie marchis 
De Namur de 90a vos i^esamble* 

Het zou my te Terre buiten myn bestek brengen^ wilde ik 
al de zinspelingen op Vlaenderen aenhalen , welke men in 
de fransche/ienarto ontmoet. Ik Tergenoege my met het op^ 
gegevene , om aen te toonen , dat niet iry by de franschen 
geput, maer zy het onderwerp hunner gedichten of by ons, 
of uit de frankische volkssage, gehaeld hebben. Vele van 
I^unne trouveres verkeerden aen het hof der vlaemsche gra- 
ven , inzonderheid aen dat van Philips van den Elzas , dea 
weldoener en vriend van Chrestien de Troyee. De Roman 
du chevalier au lion van dezen laetsten vangt byna op de 
zelfde wyze aen als onze Reinaert, te weten , met eene ho& 
houding omtrent sinlen (2). De fransche tael bloeide des- 
tyds zeer in Ylaenderen , in zoo verre dat graef Boudewyn, 
op het laetst der twaelfde eeuw, onderscheidene historiën 

(1) RnmumT rircHS, bl. cxiTin. Het is twyfelaclitig wie Marie de France door conia 
WUUaume quijadü fu conim de Flandres mag bedoeld hebben. Zie daeroyer Is Geamd 
b*AüssT, Fdbliaux, IV, p. 321, Roqudoet, Poésie» de Marie de France, I, p. 18. 
KoBBBT, Fahlee xnéditeB, I, p. CLin, en Vahbé Db £i Rus, Eèêai hütorique sur les barde9, 
les jongleurs et les trouveres. Hl, p. 70. 

(2) Histoire littéraire de la France, XV, p. 193 en 235. 



xivi INLEIDING. 

ten gebruike der ingezetenen in die tael liet opstellen. Bau- 
doutn^ zegt De Guyse , fii pa/t Ie conseü des grands clercs 
de ses 4tat8 recusillir et composer des histoires reduites en 
forme abrégée, et les fit rediger en langue frcmgaise (1). De 
dichter Tan Reincbort schynt alstoen een grand olercj zoo 
wel in het fransch als in het nederduitsch , geweest te zyn, 
en dit verklaert ons waerom hy sommige namen , als Cor^ 
tois, Malpertuü^ Malorois en Pinte, uit eerstgenoemde 
tael ontleende. 

Na aldus den oorsprong en ouderdom der Nederland- 
sche dierenfabel , in derzelver dubbele ontwikkeling van de 
twaelfde en dertiende eeuw, toegelicht te hebben, biyft ons 
overig te zien , wat er van onzen Beinaert in het vervolg 
van tyd , ook by andere natiën , geworden is. Zyne ver- 
wantschap met de oostersche , grieksche en latynsche fabels 
door Grimm allervoortreffelykst aengeloond en beoordeeld 
zynde, laten wy hier onaengeroerd (2). . 

(1) WABHKoiNifi, Hiatoire de la Flandre, I, p. ^213. 

(2) In het yoorbygaen kaa ik nogthans niet nalaten by de door Gion aeilgebaelde 
fiübela nog iets te roegen. In de Flowers ofPereian liiierature, London, 1804, ln-4« 
bl. 198 vindt men uit de Fablea from the Bakarisfaun of Jaumee het volgende verhael 
m het persiach gedrukt, dat zeer groote overeenkomst heeft met ReitMert V* 1516 
en volgende. Ik schryf de daerbygestelde engeUche vertaling over: « A fox oftce scr»- 
ped acquaintance with a wolf, and joined him as a companion on a joumey. They 
came together to a vineyard ; hut the door v^as ahut , and the fence wat hedged 
round with brambles. An entrance is diligently sought for on every side, until, at 
length, they came to a gap, vnch would indeed admit the fox tolerably well, hut the 
wolf with the greatest difficulty. The fox first easily made his vray through it and 
the wolf foliowed , hut not without considerable exertion. They perceive a profusion 
óf various sorts of grapes, with they are prompted to taste: in short, there was an 

'abundance of fruit, of different kinds and colonrs. The crafty fox bat continttafly an 
eye upon the manner in which he was to get out again ; hut the wolf, forgetful of 
his safety, crammed himself as much as he could. The keeper of the vineyard , having 
observed the thieves , seized a handful of switches , and came running unexpeotedly 
upon them, with a view to chastize the culprits. The slim made fox, taking to flight^ 
darted through the gap as quickly as possible ; but the wolf, bemg more fat and ha- 
ving stuffed himself too much, stuck by the way. The keeper of the vineyard 
following him up, so severely trimmed the poor devil, that, half dead, most of bia 
hair torn out and with his hide besmeared with gore , he scrambled out at the gap. » 



INLEIDING. uTii 

Om kort te zyn zullen wy ons oyeracht bepalen tot een 
Tluchtig doorloopen van de volgende 

BIBLIOGRAPHISCHE LYST ox 

3n l)tt VleiexlatibBKÏ^: 

Die historie van Meinaert die vos. Aen het einde : (rAe- 
prent ter Gouden in Hollant hy mi Ghem&rt Leeu den seven- 
tienden dach in Augusto. Int jaer MCCCC ende LXXIX, 
4® goth. Eene prosavertaling van Reinaerij volgens de om- 
dichting van WiLLKM Utenhove, en afgedeeld in 43 kapittels. 
Een exemplaer k in de bibliotheek te s'Gravenhage , en 
schynt het eenigst bekende. 

(l) Wie de Historia litteraria yan Reinaert wO bestuderen kan , behalye de yroeger 
•n hier ter plaetse opgenoemde werken, nazien : Houor ünterricht wm der feutschen 
Sprache und Poesie, bl. 33S; Fauciei Recueü de l'oHgine de la langue ei poéaie frat^' 
paise, p. 197; — Massieü, Eist de ia poésie franpatae, p. 177;^- HACEimia Programma 
de moraliapohgQpeeHeo, qui noetra vemaeuia de Reineke Vos appellaniur, Hefanttad^ 
1709 f in-4<»; — Guilielmi Nevbrtgensü Eietoria Anglicana, edit. Hbauib, Hl, p. 743; 

— Gottsched's Neuesteê aua der anmuthigen Gelehrsamkeit , 1757, bl. Il2j — Lah- 
fiUT DIJ Fuaaoi B&li^tkêqua dee romaeu, U, p. 313; — > Dimi's Nebenaftmden , I, 
p. 1-256; — HraBBm's Zeretreuten bldtter^ V, p. 219; — RnmiiRin Litterarüche hiat 
der Teutschen, IV, bl. 664 ; — Piirrzn Annales iypogr. p. 372; — Visschul's Tiaam" 
i;yt/^bl.9; — Kbiuun Originee ifpogr. U, p. 291; — Flócil'b GeacMehte der Juh 
mitchen Utteratur, III, p. 28; — RoQUKFoaT I>0 la poeeie franpaise dana Ie XII^ 
et XIII^ eiêclee, p. 171 ; — Naswi's Torleaungen über die geeckichte der deutache 
peeaie^ I, 145, 183; — Koch's Compendium der deutacke litr geach. I, p. 146; -*- 
rfeuer deuiacher Merkur, 1796, II, bl. 121 ; — Rxiidiiliicg's Geachichte der N. adchai' 
achen aprache, bl 5, 359; — Bragur, IH, p. 326, IV, p. 186; — Saxh Onomaa- 
tieon, Vn, p. 355; — Jósdbhs Lexikon deuiacher dichier, IV, bl. 307; — Ekioui's Ge^ 
êchichie der Uiieraiur, II, bl. 225; — Tuddi's Gelehriea Oai-Friealand , I,p. 19; 

— SpA56KiBraG'8 Vaterkmd. Archiv, V, p. 79; — Girom's Wórierbuch der Aea- 
iheiik, I, p. 147, 519; — Boumwu's Geachichie der poeaie, V, p. 57, EL, bladz, 
347; — VoHDKi •Hager's Grundriaa zur geachichie der deuiache poeaie, p. 422; — 
Jenaer Literaiur seitung, 1814, Erg&nzungs blétt. I, p. 49; -^ Dibdih, Biblioiheca 
Spenceriana , IV, p. 244 ; — SciiELMm^B fucAorAtifule der aaaaiach Niederd. aprache^ 
p. III; — Ebebt's, Allgemeinea Bigliographiachea Lexicon, II, p: 603; — BatnsT Manuel 
du libraire, Suppl, II, p. 165; — HoFFHAior's Borae Belgicae, I, p. 125 en Fundgruben 
I, p. 240; — Eanovriachea Magazin, 1828, p. 680; 1829, p. 321, 335; — Bos- 
wel-ra's Origin of ihe duich, London, 1836, p. 18; — Biographie^ univeraelle de 
VicüAVH XVII, p. 334, XXXIX, p. 533, enz. 



xiviii INLEIDING- 

Die historie van Ikindert de vos. Aen het einde : MCCCC 
en Iwxxv opten vierden daoh vanjtmio. Deo gracins. Delf in 
Hollant. A^ goth. 112 bladen; herdrukt onder den zelfden 
titel met byvoeging yan : zum genauen Abdrucke befordert 
von LuDEWiG SuHL, Stadshibliothek(ir in Lubeck. Lubeck en 
Leipzig, 1783^ 12^. Ik heb my Tan dezen laetsten druk be- 
diend. Hy begint met de volgende Prologe: c< Hier beghint 
» die hystorie ofte die parabolen van Reynaert die to$ In 
» welcken historie bi parabolen bescreven sijn veel scoea 
» leren ende merkelike punten, by welke punten men mach 
D leren kennen die subtile cloeoheden die dagelics gehan- 
» teert ende ghebruyet worden onder den raet der heren 
» ende prelaten gheestelie ende weerlic ende onder die 
» coopluiden. ende oec onder den gemeenen vole Ende dit 
» boec is ghemaect tot nutscap ende tot profijt alre goeden 
» menschen op dat si daer in lesende sellen mogen verstaen 
» ende begripen die Toernoemde subtiló scalcheden die da- 
» gelics inder werelt gebruyct worden, niet om dat mense 
» gebruyken sal. mer om dat hem elc mensche sal mogen 
» wachten ende hoeden dat si vanden scalken niet bedrogen 
» en worden, ende soe wye dan Tolcomen verstant hier of 
» wil ontfangen die moet hem poeghen dicwijl hier in te le- 
» sen ende naerstelic aen te mereken dat ghene dat hy leset. 
» wanttet seer subtyl geset is. ghelijck als ghi al lesende 
» vernemen sult. also datmen met een overlesen den rech- 
» ten sin of dat rechte verstant niet begripen en can. mer 
» dicwijl over te lesen. soe ist wel te verstaen. ende voer 
» den verstandden seer ghenuechtelijck ende oeck profi- 
» telijk. » 

Reynaert de Vos. Een seer ghenouchlicke ende vermake^ 
licke historie : in franchoyse ende nederduytsch. Reynier Ie 
renard. Histoire tres ioyeuse et recreative^ en francois et bas 



INLEIDING. 



%LIX 



allemand. tAniwerpen by Chrütoffel Plantijn int iaer 
MDLXVI. Klein 8^, 160 bladzyden van twee kolommen, ia 
70 kapittels afgedeeld, met houtsneden. De opdracht is on- 
derteekend door JoANNES Florianus, den vertaler van OvidiuÈ 
Metamorphosig, gedrukt in dezelMe stad by Hans de Last, 
1552. Ik heb het boekjen nergens kunnen vinden , en weet 
ook niet of men hetzelve bedoeld hebbe in den Appendix 
catal. librortim jyrohib. achter Philippi II regis catholici 
edictum de librorum prohibitorum catalogo observando, 
Antverpias ex officina Ch. Plantini, 1570, in-8<>, p. 91. 
Wellicht zyn er nog andere Reinaerden tussohen 1485 en 
1566 uitgekomen. 

Reinaert de Vos vermakelyke historiën. Delft, 1603, 8<>. 

Reinaert de Vos of het dieren oordeel, Antwerpen, 1614, 
4®; aldaer herdrukt en verbeterd (dat is , verminkt) 1662, 4®; 
met eene Approbatie van M. van Et/natten, canonik en 
scholaster, die het boek aenpryst voor de scholend Van de- 
zen verbeterden test bestaen er zeker wel honderd editien. 
Alle jaren werd hy herdrukt, en op verschillende plaetsen. 

Een seergenoeglyke en vermakelyke historie van Reynaert 
den Vos. Amsterdam by Lootsman 1712, 8®, en by Van 
Putte me, 12fi. 

Reintje de Vos van Hendrik van Alkmaar, door Jagobus 
ScHELTEMA, Haarlem 1826, 8<>; zynde de nedersaksische text 
van Scheller, met eene prosavertaling. Sgheltema gaf zich' 
veel moeite om eenen Hendrik van Alkmaar in Holland te 
ontdekken, en vond dien in Burman's Utrechtsche jaarboeken 
III, bl. 109; doch daermée was hy weinig gevorderd, gelyk 
wy straks zien zullen. * 

Reinaert de Vos, naer de oudste beryming, door J. F. Wil- 
LEMS, Eecloo 1834, klein 8o. 



L INLEIDING. 

3n \)tt CtijgHecl)) 

ffi/er begynneth thystorye of Reyna/rd the foxe^ gedrukt 
te Westminster by Caxton, ^juyn 1481, fol. goth. Men kent 
slechts drie exemplaren , en nog zeldzamer is een nadruk 
Tan Pywson , waervan de heer Douge een defect stuk bezit« 
Caxton Tertaelde naer het Nederlandsch, zoo als hy zelf aen 
het slot betuigt : cc I haye not added ne mynusshed but have 
» folowed as nyghe as l can my copye whiche was in dut- 
» che , and by me Willm Caxton translated into this rude 
» and symple englyssh. » 

The most delectable htstory of Reynard the fox, newly 
corrected and inlarged tcith excellent ntorals and exposP^ 
tions. London 1671, herdrukt 1681, 4<>; met slechte hout- 
sneden. The third editton, London j printed by W. O. and 
sold by C. Rates, 1708 , 12<^; waer achter gevoegd is The 
history ofCawwood te Rook, orthe assembly ofbirds. 

The shifïs ofReynardine the son ofReynard the fox, new 
published for the reformation of mens manners. London, 
JS'rf. Brewster, 1684, 4o. 

The crafty courtier, or the fable of Reinard the fox, 
newly done into english verse, from, the ancient latin ja/mr' 
bics ofHartm. Schopperus, London , Nutt, 1706 , 8<>. 

Reynke de vos. Aen het einde: Anno dni MCCCCXCVHI, 
Lübeck, 4«*, goth., met houtsneden. Slechts één exemplaer 
bekend, thans in de bibliotheek van Wolfenbuttel . Het is eene 
berymde vertaling van onzen Reinaert, naer de omdichting 
van Willem Utenhove , schier woordelyk en doorgaens met 
dezelfde rymklanken wedergegeven. Grihh ziet Nic. Bauhanh 
voor den vertaler aen , hetwelk door Hoffmann nog wordt 



INLEIDING. LI 

betwyfeld. Laetstgenoemde geeft in zyne nieuwe uiigaye 
{Irdeitung bl. XII en XIII) de plaetsen op, welke, in yerge- 
lyking met den ylaemschen text , uilyoeriger of Toortreffe- 
lyker zouden omgedicht zyn ; doch de meeste vindt men in 
de yarianten yan Willem terug; en hetgeen de Sas ér by 
gedaen of yeranderd heeft, is yeeleer Verslechting dan yer- 
betering. Zyne yuile ayenture yan Reineke met de wolyin , 
V* 1090-1166, yerdient zeker geen aenpryzing, en zoo is het 
ook nog met andere plaetsen. Zie myne aenmerkingen 
bl. 168. Ten einde men beide texten te gemakkelyker moge 
kunnen enparallele brengen, heb ik de kapittels yan den 
Reiiieke, waer zy beginnen, in margine yan den nederland* 
schen text aenge wezen. 

Reyneke de Voss, Ëostock, L. Dtetz^ 1622^ 4<>, met hout- 
sneden; door N. Paümann bezorgd, die in de yoorrede als 
schryyer liet optreden zekeren Hinrek yxw Algkmer , wat ech- 
ter een yerdichte naem blykt te wezen , eyeneens als zyne 
verklaring : cc lek Hinrek van Alckmer, scholemester un 
tuchtlerer des eddelen dogentliken vorsten un heren , Her^ 
togen vcm Lotryngen, umme bede wyllen mynes gnedyghen 
heren, hebbe dyt yeghenwerdyge boek uth walscher und 
franszösescher sprake ghesocht un ummegh^sath in du- 
desche. » Dus uit twee spraken? ja , en wel uit die van 
Lombardde en van Frankryk; want later, sprekende van 
ebrekerie (overspel) zegt hy (achter het derde kapittel), dat 
hyder téol schud in Lombardyen un in Wallant, dar dyt 
boeck ghedyohtet is. » Louter verdichtsel. Men ziet hieruit, 
dat men' aen den inhoud van toegevoegde prologen niet te 
veel prys moet hechten , inzonderheid wanneer zy met den 
inhoud van het werk stryden. Dezelfde Z. Dietz drukte nog 
vier anderen uitgaven in 4®, 1539, 1543, 1549 en 1553, 
onder den titel van Reynke de Voss de olde, nyge gedrucket 



Lil INLEIDING. 

mtt sidlickem varsiande und schonen figuren^ erluchtet 
unde vorbetert. Gelyke titel wordt ook gelezen voor eene 
slechte uitgave by Zephelius, te Frcmcfort oen Mein, 1562, 
4^. De prosaïscheD aeomerkingen achter de kapittels zyn in 
de uitgaven van Dietz naer de gezindheid der protestanten 
uitgebreid, of weggelaten. 

Van Beyneken Voss dem olden, syner mennichvoldig ïyst 
und behendicheyt j Francf. a. M. bey Cyriaco Jacobo^ 20 
Mdrz 1550, 4<^; met houtsneden. Verschilt zeer van den text 
des jaers 1498. 

Reyneke Vosse de olde^ nye gedrucket^ mit eidlykeni vor» 
stande unde schonen figuren. Rostock, S. Molleman 1592, 
4®. In bedorven nedersaksisch. 

Reyneke Vosz datüz ain schón und nutte gedichte. Ham- 
burg by Lange ^ 1604, en by Frobenius 1608; beide in 8<*, 
met houtsneden. 

De.olde Reynike Voss, feyn zyrliken up nyge gedrückêt j 
Hamburg, Dosen, 1660, 8®; met houtsneden. 

Reineke de Vos mit den koker. Verlegt van Frytag, Boeck- 
hdndhr in Wulffenbüttel , 1711 , 4<*; door F. J. Hagkkanh, 
professor te Helmstadt, bezorgd , naer den text der Lübeck- 
sche uitgave van 1498. De koker is geen dierenfabel, maer 
een zedenspreukig gedicht, dat echter weinig om 't lyf heeft. 

Reineke de Voss mit einer verklaring der olden sassischen 
worde. Eutin, Struve, 1798, 8®. Uitgegeven door Bredow. 

Reineke de fos fan Hinrek fan Alkmer upt nye utge^* 
geven unde forklared dorg Df K.F.A. Scheller , Bruns- 
wyk 1825, 8<>. Men beschuldigt den uitgever, dat hy den 
text van den Lubeckschen druk des jaers 1498 op sommige 
plaetsen eigendunkelyk verbeterd , en geheel naer zyne by- 
zondere spelling (in zyne voorrede ontwikkeld), veranderd 
heeft. 



^LEIDING. uu 

üeineke Vos. Noch der Lübeoker ausgabe wmjahre 1498, 
nUt eitdeitung, glossar tmd anmerkungen von Hoffmann ton 
Fallersleben. Breslau 1S34, 8<>, Keurige uitgaTe, yerzeld van 
een welbe werkt Glossarium. 

3nl)m|o0dlrmt6(i): 

Reeds op het einde der twaelMe eeuw schreef Hbiivricb 
DER GucHSENAERE eeu gedicht van /{emAar^, waerscbyniyk 
in navolging onzer vlaemsche en latynsche fabels ; doch van 
zyn werk is geen handschrift oTergebleven , niets, dan eene 
omwerking en verkorting van eenen ongenoemden uit de 
dertiende eeuw, die de fransche branchen moet gekend heb< 
ben, en een paer namen verfranschte : Hersant, Schcmte^ 
kier. Grimm heeft dit opstel uitgegeven in zynen Reinha/rt 
fuchs: vroeger was het gedrukt in Koloczaer codex altdeut- 
scher gedichte, Pest 1817, 8% p. 361-420. Mét ¥• 1321 be- 
schryft de dichter de hofhouding van Koning Nobel, en 
volgt den loop der gebeurtenissen als in Retnaertj zyn 
verhael heeft nogthans meer overeenkomst met de branche, 
hierachter in onze By lagen medegedeeld. Zoo vindt men er, 
onder andere, de mtraculeuse genezing in van den haes 
op het graf van Coppe, ten gevolge van welke deze laetste als 
een martelaresse beschouwd wordt. Voor hel overige zyn al 
de in het hoogduitsch gedrukte Reinaerden, welke wy nu 
gaen opnoemen , vertalingen of navolgingen van den Sak-^ 
sischen Retneke. 

Reintcken Fuchs. Das ander teyl des buchs Schimpff 
tmdEmst.YvdJictnTÏ aenMein, by CyriacusJacobus, 1544, 
fol. Berymde vertaling, door Migh. Beuther bezorgd, « dessen 
arbeit^ zegtGRiMM^ durch auslassungen und ungeschickte 
behandlung so sehr sündigt, dasssie unlesbar ist, und alle 
anmut der dichtung verwischt. » Nadrukken bestaen er van 



UY INLEIDING. 

1666, 1562, fol; 1574, 1587, 1590, 1608, 1617, 8^; deels 
by ZephdiuSy deels by Bassaeus in dezel&ie stad Francfort 
aen het licht gekomen. . 

Jieineke Fuchs, auffdass neue mtt allerhemd jetztger zett 
üblichen reim-arten atisgezieret j mtt etzlichen hundert 
versoen bereichert^ mtt unterschiedlichen gitten und lehr^ 
sdtzen verbessert, Roslock, by Wilde, 1650, en 1662, 8o; 
met slechte houtsneden. Ook in rym, met eene nieuwe 
glosse j Tolgens den smaek van dien tyd. Na deze uitgave is 
de hoogduitsche prosa bearbeid, getiteld: Der listige Rei-- 
neke Fuchs, das ist ein sehr nutzliches lust-und sinnreiches 
BOchléin, waervan menigvuldige drukken bestaen. 

Heinrichs von Alkmar Reineke der Fuchs mit schonen 
Kupfem, nach der Ausgabe t'on' 1498 ins Hochdeutsche 
übersetzet, von J.C. Gottscheden, Leipzig und Amsterdam, 
verlegts Peter Schenk, 1752, in klein folio. De geëtste pla- 
ten zyn vervaerdigd naer teekeningen van den nederland- 
schen kunstenaer Allert van Elverdin gen , wier originelen 
met de bibliotheek van den. hertog van Marlborough te 
Londen, in 1819, verkocht zyn. 

Ritter Reineke von Waldbtirg. Dresden 1791, 8®. Eene 
vrye nadichting. 

Reineke Fuchs in 12 gesdngen, von J. Wfg. von Goethe, 
Berlin, by Unger, 1794 , S^. In hexameters vry gevolgd naer 
den nedqüiaksischen text. Dit gedicht van den grooten 
Goethe is in het deensch overgebracht door den beroemden 
CËHLENSGHLJEGER, lüóbenhavn , 1806, S^. 

Reineke Fuchs. Ein volksbuch. Aus den plattdeutschen 
reimen in hochdeutsche prosa a/ufs neue getreu übertragen, 
Tübingen, by Osiander, 1817; langwerpig 8<*, met pi. 

Reineke der Fu^hé von 2>. TF» Soltau , in 4 büchem und 



INLEIDING. 



LV 



12 gesdngefi, Berlin 1803, Braunschweig^ 1823, %^. In Tier- 
Toetige rymen. * 

Reineke Fuchs, gesaubert und abgekurtzt von F. RASMAnif , 
Heilbron, 1822, in 24^ 

En Raeffuebog, som kaldes paa tyske Reinike Foss, nu 
nylige fordanskit aff^EEKMknn Weigere. Lubeck, by J. Ri~ 
cholffj 1555, en Kopenhagen, by P. Hake, 1656, beide in 
4^; met houtsneden. Berymde vertaling naer het hoog- 
duitsch; later omgewerkt in een' anderen druk, Kopenha-* 
gen, 1747, 8<^. 

RjByncke Fos$, thet dr en skön oeh nyttigh dicht. Stock- 
holm, by Meurer^ 1621, %^. In rym, naer het deensch. 

Reinick Fuohs eller michel rdf, 3 uplagan. Stockholm 
1775 , 8<>. In prosa. Er bestaet ook eene Yslcmdsche over- 
brenging. 

JnIjrtJTanerI): ' 

Le livré de maistreRegnctrd et de dame ffersanl sa femme, 
Uvre plaiscmt et facetieuou. Imprimd nouvellement a Paris 
par Philippe le Noir, libraire. Klein 4<>, goth.; zonder jaer- 
teekening; doch volgens Brünet niet vóór 1521 gedrukt. Dit 
boek bevat de prosaïsche vertaling van Jean Tenessax, be- 
werkt naer Renart le nouvel van Jagquesars GxhAz , en is 
herdrukt onder den titel van Le docteur en malice, maistre 
Regnard, demonstrant les ruses etcautelles qutl use envers 
les personnes ^ Rouen 1550^ en Paris 1551, in 18®, fig. Mar- 
GHAMD en Paquot spreken nog van andere editien; doch men 
twjrfelt of zy bestaen. 



ivi INLEIDING. 

Le Renard ou Ie procez des bestes, traduction enrichie 
de figures en taille douce, BruxeUes, chez Jacqties Panneels 
et Charles De Vos, 1739, S^. Met eene goedkeuriog van 
den 6 july 1739, door H. J. Lamhert, censeur^et essamina^ 
teurdes livres. Het is eeneyertaling der nieuwere ylaemsche 
prosa ; doch de namen der dieren zyn veranderd : Reinaert 
heet Trigaudinjlsengrim Glouton, Grimbert Dotnmant^enz, 
Barbier in zyn Dictionnaire des Anonymes, N^ 16311, zegt 
dat dit boekjen in 1788 te Parys herdrukt is, onder den titel 
van Les intrtgues du cabinet des rats; men mag echter 
daer aen twyfelen ; want de ralten hebben met onzen Rei- 
naert niets gemeens. 

De heer Robert belooft ons eerlang eene uitgave van jRe- 
nard Ie contrefatt. 

3n Ijrt Catjjn : 

Opus poetieum de admirabiU fallacia et astutia vulpe^ 
oulae Reinekes. Auctore Hartma/nno Schoppero, Novofo^ 
rense Norico. Francf. a. M., by Fabritius 1567, en by Bas-- 
soms, 1574, 1579, 1580, 1584, 1595, in 12^; met fraeie 
houtsneden van J. Aman (of Ammon?) en Yirgilius Solis, mids- 
gaders eehe opdracht aen keizer Maximiliaen den IL Het 
boek bevat eene vloeiende vertaling in versen naer dé hoog- 
duitsche rymen van Migh. Beuther: 

Quos, puto, Saxonico Beutherus, ore loquentes 
Germano jussit cultius ore loqui. 

ScHOPPER kende den oorspronglyken schryver van Rei^ 
nasrt niet: Ego autorem libelli ubi cognovero, ab ipso liben^ 
tissime, si quid a me neglectum inconditumqus allatum 
^t, corrigi ac emendari patia/r. Hy ondernam het werk in 
vroegere jarien : 



INLEIDING. LYii 

Qijiem condidi floientibiu 
Hartmanus annis integer 
Ad castra natas Norica, 
€nm 'quatuor natalibus 
Animm Tideiis T%euinam 
Dum caesar in feros Getas 
Secundus armis fortibus 
Maximilianus falminat. 

Volgens Ebirt is de eerste, volgens Brunet de tweede 
uitgave (aen het einde het jaer 1575 hebbende), voor de 
beste te houden. Deze vertaling heeft niet weinig bygedra- 
gen , om den inhoud van onzen Reinaert by vreemde natiën 
kenbaer te maken. 

MMEN DER BIEREN. 



Rbinaert,' de Vos (soms ook Reiner gespeld^ meffen roden 
boerde V* 60 ; dat felle dier 88 ; die felle mem 105 ; 
meester 154, 6017; scone Jongelinc 223; gerecht 
mem 263; die felle gebure 343 ; die felle stige 395; 
die felle 614; die ribaut 938 ; rode scalc^ felle gier 
940; felle creature 1704 ; ongetrouwe 1705; onreine 
vraet 1738; onreine quaet 1801; heer 1015; felle 
gast 1888 ; die felle vode 1948 ; quctet wicht 3405 ; 
vuuh wicht 3660 ; va/n rade wijs ende vroetj ende 
van groten geslachte 3694; de rode 3745, 3771; 
roet 3834, 6178, 7771 ; vuul catijf 5286; snel ter 
ja^ht 6125; lose scalc 6272; lose vos 6920; souve^ 
rein bay uw 7611. 

Zyn vader biet ook Reinaert, V» 6017, die listige oude 2370; 
- die vroede^ die boude 2398; studeerde te Montpellier 
in medecinen 5952. 



iviii INLEIDING. 

De naem yan Reinaert of Reinharty vroeger Reginhart 
of Raginhart^ en nog vroeger Ragtnohart en Ragnohari 
geschreyen , in oorkonden der zeyende , achtste en negende 
eeuw, beteekent zooyeel als raedgwer, en is afgeleid yan het 
Gothisch woord ragin, regitij dat is, consilium. Bewyzen 
hieryan geeft Grimm, bl. gcxl , gcxli , en Masssanih in Mone's 
Anzeiger, 1835, bl. 184. Zie ook hieryoren bl. xLiy. Men 
gelooft dat het meermaels betwyfelde woord Rachinhurjo 
of Rachimburgug , als consilium ferens , yan den zelfden 
wortel stamt. Beneken , daerentegen , in zyn' Teuto oder Ur^ 
namen der Deutschen, bl. 389, yertaelt Reinhart door fester 
herr; doch deze yerklaring houdt geen steek. 

IsENGRiM , de Wolf, oom yan Reinaert V* 1632 (doch zie 
V» 1486) de heer 187, 2886 ; die grise 2266 ; moer- 
scalc 3822 ; can walsch , dietsch ende latijn 4047 ; 
sterc , groot ende lanc 6516, 7115; de hongerige 
6599, 6637; die ta/n honger grimt 6449; nie soo 
satj hi en had geeme m^eer gehad 6485 ; sterke vra^t 
6767 ; groot ma^r sondér hert 6864 ; heeft soo me^ 
nich lam verslonden 7^018. 
Yeeltyds schreef men ook I^enghtn (in het Hollandsch 
handschrift byna altoos Ysegris, zelfs daer, waer het rym ifn 
yorderde). De oorzaek daeryan is , dat men oulings by ons 
gewoon was in yeel woorden de m met de n te yer wisselen. 
Zoo zyn grimmen en grynen eenèrlei ; zoo stelde men pel^- 
grijn voor pelgrim (V* 3017), ie bem yoor te ben (V" 380); 
zoo rymde man op nam. (V" 105); ^ram op began (V" 107), 
enz. By de duitschers biet Otnifs en Dieterich^s helm zoo- 
wel Hildegrijn als Hildegrim, (Grimm's Deutsche Mythologie^ 
bl. 146). Ik kan derhalye met het geyoelen yan Mone niet 
instemmen, in den Anzeiger für Kunde der teutschen Vor^ 
zeil uitgedrukt, jahrgang 1835, bl. 48, als zoude Isengrim 



INLEIDING. ux 

by uitsluiting een hoogduitsche naem zyn , en geen neder-- 
landsche. De latynsche dierenfobels , in Ylaenderen opQe" 
ftteld , spellen toch volstandig Igengrimus. « hem, eisen ist 
» keine niederl&ndische Form , zegt die geleerde schryver, 
2> und dieser namen widerstreitet schon der Ansicht, dass 
» die Sage Tom Isengrim einen niederlandischen Ursprung 
}> hèbe. Die Oertlichkeiten beweisen nur die niederlandische 
» Aneigung. Wir wissen, dass die sachsische und nieder-- 
» landische Mundarten schon zu Anfang des 9^^^^ Jahrhun- 
» derts das auslautende m in n geschwacht batten, fol- 
» gerichtig zeigen die spateren Niederlander so wie die 
» Franzosen fast nur die form Isengrifn für Isengrijm. Da 
y> in der sage Isengrim eiae besondere Bedeutung hat, aiso 
» kein gleichgültiger Namen ist, so muss man die Kenntniss 
a> dieser Bedeutung bei jenem Yolke suchen , welches den 
y> Namen am h&ufigsten gebraucht hat. » Uit dien hooMe 
besluit hy dan ook , dat de naèm Igengrim ons uit Beieren 
zy oyergekomen, yermids men dien in de oude charters yan 
dat land, sedert de negende tot in de dertiende eeuw, het 
meest aentreft (1). 

Niemand zal ontkennen dat Isengrim een historische het 
deniiaem geweest zy ; ik neem ook aen , dat Isen jzer^ en 
oyerdrachtelyk zwoerd, beduidde , en dat men dus jdoor 
den naem zooveel als de grimmige mei het zwoerd ver* 
stond. Immers , deze verklaring stemt wel overeen met het 
gez^de van den wolf in den JReinordtM, lib. I, V' 1481 : 

Hinc et ab antiquis cogpiominor Isengrimas 
Gorniseca ; 

Want men kan geen hoornkliéver, geen hoornhouwer zyn, 

(1) By de door hem Mngewesene pUetten kan men nog'Toegen XatmgHm •piêoó^ 
pus, op het jaer 933, in Pmn, Mckumtkta gefmaniae historica, I, p» '94! : 



tx 



INLEIDING. 



zonder een snydend werktuig te bezigen. Ik twyfel echter 
of myn geleerde yriend Mone zyne stelling zou kunnen toI"-- 
dingen. In Beieren, evenzeer als in België, schreef men 
Isengrin, hengrinus, Ysengrynnus^ Isencrin: dit blykt uit - 
de Toorbeelden door hemzelf aengevoerd ; en wat Isen be-» 
treft , deze Torm was ook onzer tale niet yreemd , en is nog 
bewaerd gebleven in henddke (de yzersterke dyk), alzoo 
genoemd in brieven van het jaer 984 (1); in Isenkruidhj 
KiuAEN verbenacaj in Isenhart, een mans- en vogelsnaem 
(Theutonista aurifex); in henberg en Isenloo^ by Veume 
gelegen ; in Isenbruin, een lakenkleur; in de Nederlandsche 
familienamen Isenghien, Isendoorn^ enz. Bovendien heeft 
het Anglosaksisch almede hen; zoo dat men deze vorm niet 
uitsluitelyk aen Hoogduitschland mag toerekenen. 

Dat Isengrim in Beieren als mansnaem veel meer voor- 
komt dan by ons, schynt my, ten aenzien van den oorsprong 
der dierenfabel, juist tegen Mone, en tegen dat land, te 
getuigen. Waer de sage van Isengrim zoo sterk in omloop, 
zoo algemeen bekend was , als in Vlaenderén , in zoo vwrc 
dat het volk er den spotnaem van Isengrimmers aen heb- 
zuchtige grooten gaf, daer kan de heldennaem, verachtelyk 
geworden zynde , niet zoolang voortgeleefd hebben , als el- 
ders. Intusschen is er toch tot heden toe binnen Oostende 
eene familie overgebleven, die zicÏLÏêengrt/n noemt. 

Doch het komt my voor, dat hen van Ysen^ dat is, tot ys 
worden, of door koude schrik bevangen zyn {horrere), mag 
worden afgeleid (2). Wellicht zyn hen en her niet anders 

(1) JResponaum ad quasitum: QueUea aont les places dans les Pays-Bas, qui depuis 
Ie sepHème siècle jusqv^au douzième onf pu passer pour des villes^ Bruxelles , 1818, 
page 21. ' ' 

(2) Volgens Budsidtk^s Verklarende geslachtlyst, I, bl. 181 (waermede Hvtubcopir's 
Pfoe00>.U, bl. 340 moet Tergeleken worden) stamt ei%en en eislyk (tchrikken en 
schrikkelyk) yan bet oude eisen > wonden. Kwn daerentegen zou bevriezen zyn. 



INLEIDING., Lxi 

dan yioch^y yffend; figuerljk snesk het metael to^qpaêt (1)« 
De Yorm lêOTj reeds in het gothisch, S^^f^ ook in alle de 
andere duitsche dialecten, bekend, dchynt my Teel ouder 
dan isen (als ferrurn). Zeker gaet het, althans, dat men 
dien in de oudste schrifteii aentreft; Uykens de Toorbeelden 
aengehaeld in GaArr's Sprachichcttz, I, U. 488* Byakliennu 
Iseuj in zyne oorspronglyke beduidenis, blootelyk yzer ware 
geweest , en niet de yoorstelling yan het f/gkoude stoel, dan 
zou men , naer ik denk, onder de heldennamen zoo wél een' 
/«ar- of Isamhartj hambart, en Uarrich, als een' hcmr- 
hart, Isanbartj ha/nrich, geteld hebben. Wanneer men 
Tan yzermetael spreken wilde , zeide men in Ylaender^ 
Boudewyn de Yzeren, en in Duitschland der eüem Mein^ 
rich (2). Wyders kon men den wolf ook geen gepaster naem 
geven dan de ysetykgrimmige j en deze yerklaring staet bo^ 
Tendien beter in yerband tot weerwolf, Iqupgarau, en der- 
gelyken. De yslanders heeten den ysbeer y^MJo//* (isolfr), en 
misschien ligt hier eenige betrekking in tot Isengrim, Ik 
laet de beslissing aen kundiger over, dan ik ben, in de 
noordsche talen. 

KwBL, de Leeuw, die con£no\^ 44 ; oeninc here 66; ioete 
here 420 ; edel here 991, 2555 ; wé9eUo 1330, 2975^ 
3381 ; coninc Hoen 18i37, 3398^ ha4'de vroet 1899; 
müde 2193; edel coninc 2209 ; so wel geboren 2340; 
soet ende goedertiere 2341 ; genadich allen dieren 2342; 
. hopende ten gewinne 2496; doért al oen stoet 2767, 
5465; coninc rike 4316 ; weigert geen recht 4620. 
De leeuw is yan ouds yoor den edelsten en gevolgelyk yoor 

(1) « Dm kalte eben, eiae altbergebradite umschreibttni^ de» tchwertet, • fla|s;t 
Ginni.'«Bnwei1en lag (m het geven Tan namen) eine geschickte yergleichnng tam 
Gmnde, wie man éaê Eisen wegen seiner Kalte scheint mit den Eite verglichèn tu 
haben; » legt KmikiüiK», in lyne Gêtehichtê der Pfüd9r§ich9i8chê Sfirfichê, bK 48. 

(2) Limburger Chrcnik, bl. 1. 



txii INLEIDING. 

den koning der dieren vereerd geworden. De oudpersisëhe 
naem Schirsohah, by de grieken Xeroses gespeld, beleekenl 
leeuwkoning (1). Al de Nederlandsche proyincien voeren dit 
dier in hun wapen. Robert de Vries, graef van Vlaende- 
ren , was de eerste onzer vorsten , die het op zyn schild had , 
ten jare 1072; doch de leeuw was lang'na hem nog tot geen 
erfteekea der vlaemsche souvereinen geworden. De over- 
levering, of liever eene oude sage, brengt mede, dat Philips 
van den Elzas, na in het heilige land den koning Nobillion 
{Nobel Lion) en zynen zoon Nobiliter overwonnen te heb- 
ben , dit wapenbeeld het allereerst aennam (2)^ Wy hebben 
foöven gezien, dat Chrestièn de Troj/es voor dien graef eenen 
Roman , Le chevalier au lion, dichtte , en dat onder zyne 
regering Reinaert het licht zag. Kan men wel een klassieker 
tydvak voor den oorsprong onzer dierenfabel uitdenken? 

Brune, de Beer, oom van Reinaert V" 629^ here 480; bode 
525; felle vraet 544, 1091, 2491; helt mare 615; 
die keitij f ^M ; omalichst alre dieren 778 ; metten 
bnmen baerde 258 ; s'konings serjant 984 ; de stoute 
here 3411. 
Alzoo genoemd om zyn bruinkleorig hair. Hy was heer in 
Ardennenland (V- 2255). 

FiRAPEEL, dé Luipaert, V* 3395; des ooninx maéch 3397; die 
ooene 34^6 ; die boude 52;43 ; crijtwaerder 6931 . 

(1) Habakse's Akademische voorlezingen , bl. 61 . 

(2) I Ende hendelicke («egt die Excellente chronykevan Tlaenderen, bl. 28, verso), 
die coninc van Abelyneu was daer ghevelt, ende terstont die graye Philips woeMe 
hem dat sweert yan sineit sone van den fondamente totter herten in sinen buyc, 
lodende: Ghi swoert dat gbi dat sweert van huwen sone weder hebben sout, ghi 
hebbet nu , houdet wel. Ie sal een lijcteeken van hu houden , want huwe wapene is 
eenen swarten leeuwe, ende die heb io op hu ghewonnen, ende Sallen TOerdn^ic ende 
myne naer<^omers, technder memorie dat ie hit verwonnen faiebbe. » Zie veicder Vbbdb 
SigiUay p. 6, 96, 97; BBiVComt, Betchtyving van den Prwmche^ bl. 49; Rinssn 
Analyse hüiorique, euppL, p. 274; Ijtuwu Obeeftationê $ur h type du tikfyem^dyB 
de la monnaie deê Paya-Baa, p. 17. 



INLEIDING. Lxiii 

Het is fransch, Fier^-è^pd, Fier de $a peau. 

Beltn, de ram V* 1851 , neef van Reinaert 3080; capelaen 
2947,2981; Aé^fóf^ri 3241. 
cc Nomen dat mtrea lana Belino i> zegt de Reikahdus 1 , 
¥■ 1349; Welke woorden wy aen prof, BorMans ter verkla- 
ring overlaten. Men kan ook denken aen het latynsche bor' 
larsj fransch beier j waervan bêlier. Reeds in 1053 vindt 
men eenen Belinué clericus te Nevecs. Zie Martene , Colkc^ 
tiol^p. 434. 

TiBERT, de Kater, V» 107, neef van Reinaert 1073, 5787; 

heer 1015; wijs ende geleert 1032, 2265; helt vri 

1072 ; die felle 1877; neef van Bruin 1962. 

Hy wordt inde latynsche fabels Tebergus genoemd (Monb 

's Anzeiger 1835, bl. 357). Zyn oude naem is Dietbrecht of 

Dietprecht (zoo als hy ook by Héinrigh der Glighsemaerb 

voorkomt), dat is, de glansende. Becanus en Kiliaen vertalen 

Dignus incremento. Men zou ook aen Dieverij anders dief^ 

aertj kunnen denken. 

Grimeert, de Das, Reinaerts neef Y* 177; de icone 1437. 
Zooveel als de grimmige. 

CoRTOis, de Hond, een franschspreker Y' 99. Hy toont dat de 
franschen reeds in de XII^' eeuw om hunne Courtau- 
sie beroemd waren. Een andere hond wordt Rifn 
geheeten,Y» 2676, 2879. 

Pancer, de Bever, Y» 126, 1861 , 5204. c< Weder form noch 
bedeutung sind sicher, » zegt Grimm. 

Martyi^ , de Aep Y" 4421 ; advocaet des bischops van Kame- 
ryk 4425. By de franschen is Martin thans niet de 
naem van den aep. maer van den ezeL Zyn kinderen 



Lxiv INLEIDING. 

heeienBifteluüY^ 6121, 7432, VuilrompbUZ, 7412, 
en Ha/renet (die de hairen zuiyert) 5157, 7413. 

FoBCONDET,hetEverzwyn ¥• 1859. De oorsprong dezes naems 
is onbekend. In de firansche Rena/rts komt hy niet 
voor. 

BoüDEWYN, de Ezel, 5700, 5707; ^t zelfde als Baldtoin, door 
Beneken heldentnüthtger freund yertaeld, wat vry 
wel stemt met Meinardus lib. IV, V" 369 : 

BaldTinas senior bona qai fiducia fertar. 

LA»PREEL,het^onyn Y* 3512^4448. Oudtyds zei menLAupE, 
en daeryan is Lamper het mankonyn , en Lamperig^ 
Lampering of Lamprey, het jong. Zie Bilderdyk's 
Verklarende GeslachÜyst , op het woord. 

CuwAERT, de Haes V" 138, neef van Reinaert 3252. GRiini 
leidt den naem af yati het fr. coua/rd, ital. codardo, 
lat. caudatus, als latende dit dier, uit beyreesd^ 
heid, den staert, coda, cauda, coue, queue, han- 
gen. Deze verklaring is zeer aennemelyk; doch ik 
heb er eene andere, welke met onze latynsche die- 
renfabel beter harmonieert. Ct^i/?schynt my cou (ge- 
iyk schuw schouw, ruw rouw, kluw klouw is). In 
onze oude tael zei men kimde voor koorts, later koi^ 
wee. Wanneer Reinaert aen Cuwa^rt vraegt : Cu^ 
waert, hebdi coude9 gi bevet (¥• 2654), dan spreekt 
hy vankoortskoude , en dryftmet zyn* neef den spot. 
In de fransche branche heeft de haes een koorts, die 
hy niet kan kwy traken, en waervan hy slechts door 
een soort van mirakel op het graf van Coppe wordt 
verlost. Het woord koude nu, wordt te Brugge, en in 
een groot deel van Westvlaenderen, als koede uitge- 



INLEIDING. 



LXV 



sproken (yanwaer het nog gebruikelyke : o gy ver^ 
vaerde koet!), en daeryan hebben de franschen hun 
gautte gesmeed, welkgoutte oulings by die natie aen 
allerlei ziekten werd toegepast , waerschynlyk om 
dat alle ziekelyke toestand de koorts naer zich sleept. 
Zelfs de tandpyn noemden zy goutte, B. V. in den 
Roman du Renart V" 14322 : 

La male gote aies es denz. 

Als bioote koorts yindt men goutte yermeld in den Fa- 
bliau de Guillaume au faucon (1) : 

Une molt grant dolor me tient : 

üne goute qui ya et yient 

Me tient es membres et el chief..... 

€e n'est mie da mal dudoit, 

Ainz est un mal qui fait suer 

Ceus qui Tont , et souTent tranbler. 

In het middeleeuwsch latyn , eindelyk, is Koude of goutte 
GüTTA, en heeft dezelfde yeelzydigebeteekenis (2). En zie daer 
de reden , waerom de haes in den Reïnardus den naem yan 
GuTTERO voert. Cuwaert beduidt dan zooveel als kou^aert, 
de koortsige. 

Hermeune, Reinaerts wyf V' 1365; teder van herten 3838; 
die wise 3846. Het woord wil zeggen : zoo zacht als 
Hermelynvel. Zy verblyfl, met hare twee welpkens 
Reikardym en Rosseel (de rosse), bestendig op het kas- 
teel van Malpertuus, fr. mauvais pertuis {Mala~ 
pertj ook de naem van eene familie, opgenoemd in de 
Belgische Jurisprudentia heroica, p. 394). Willem 
ÜTENHOVE schryft altyd Maperthuus. 

(1) JSixm Fabliaux etcontes, IV, p. 422, 423. 

(2) Vergel. Du Gaitgb Glossarium, yQtho GutUt, enGMna^iReinkart Fuchsjhh ccxxxTf. 



ixvi INLEIDING. 

HsAsmDB of He&swirde, het wyf yan Isengrim; die scone 
vrouwe 242; sooon wijf 1655. De rechte oude naem 
is ffersuifUj door Gbihm fortis bello yertaeld. 

Slupecade, het wyf van den Das V" 5194, 7408. Van Slui- 
pen en yan Kadoj en dus repe^is in saxum^ zegt 
Grism. 

RuKENAu , het wyf van Marttjn den Aep V" 4581 ; Reinaerts 
/ moei 4739. Die naeuw riekt, die scherp ruikt. 

Cantegleer, de Haen, ook heer Cantecleer genoemd , V" 285, 
375. Naer het latyn, cantu clarus. In België zegt men 
kleir voor klaer. Hy had tot wyf JRode (de roode) die 
vroede Y* 331; en zyne kinderen heeten Gantaert 
(de zangerige), een hane toide mare 295^ Graiant (de 
kraeier) , die goede hane ende die scoonste die men 
vant 295 , 300, Pinte (fr. pintade)^ Sproete (de ge- 
sproette, gespikkelde; in de latynsche fabels Sproti^ 
nus)^ en Coppe V* 387, die mare 417 ; die soe wale 
conste scraven 462. Kop of kop is een soortnaem van 
dit vogelengeslacht ; waervan in het oude liedjen : 
die kob zal leggen ! Zie Bilderdyk's Gesla^htlyst^ op 
Haan en Kop. 

TiECELYN , de Rave V» 1860. In de Malbergsche glossen op de 
Salische wet , Tit. VII , wordt de sperwer Sucelin 
geheeten, vermoedelyk de zelfde naem (1). Tiezelinus 
komt voor in charters van 998 en 1067 by Mieris, 
Groot charterboekj I , bl. 55 , en Mirjbüs I, bl. 663. 

CoRBOüT, de Kraei (fr. corbeau)Y^ 3563. Zyn wyf heet Scher- 
penebbe (de scherpe bek) V* 3563. 

(l) Wum, Corpus juru Germanici ontiqui, 1, p. 17. 



INLEIDING. Lxyii 

De andere dieren zyn yan minder aenbelang, en spelen 
geen rol in het gedicht; immers niet dan als figuranten. 



Terwyl het boTenstaende onder de pers lag^ yiel my een boekjen in 
handen , beyattende de Fabels van Yahtan, in bet Armeniaensch : Choix 
de FaheU de Yartan , publié par la société Aaiatique, Paris , Lihrairie 
oriëntale de Doivdet-Dupré , IBSö, 8^. De scbrfrer was een tydgenoot 
van Willem Utenhoye, en stierf ten jare 1^71. Drie zyner Fabels beb- 
ben groote oTereenkomst met on%e ylaemscbe gedichten. De eerste , 
namelyk van het boekjen , gelykt aen die Tan den Liebaert, in de JBy^ 
lagen bl. 292. De tiende beyat de Buü-deeling Y' 6066-6146; en de 
yyf-en-twintigste den Kranhen-keuw Y' 5946-6018. Ik achtte het niet 
ongepast zulks hier nog bytevoegen. 



REINAERT DE VOS. 



EERSTE BOEK. 



Willem , die vele boeken maecte , 

Daer hi dicken omme waecte, 

Hem vernoide so haerde 

Dat die geeste van Reinaerde 
5 Niet te recht en es gescreven. 

Een deel es daer after gebleven : 

Daer om dedi de vite soeken , 

Ende heeftse na den walschen boeken 

In dietsche aldus begonnen. 
10 God moete ons siere hulpen jonnen ! 

Nu keert hem daer toe mijn sin , 

Dat ik bidde in dit begin ^ 

Beide den dorpren enten doren , 

Ofte si comen daer si horen 
15 Dese rime ende dese woort, 

Die hem onnutte sijn gehoort, 

Dat sise laten onbescaven. 

Te vele slachten si den raven , 

1 Willem, die Hadock msQcte, Ende.oordeleiiinenBei^rym vAlach, 5 . 

2 Hem jamerde zeer haerde. Daer 8y niet meer af en weten 
9 In duutsche aldus begonnen. Ban ey doen hoe ty alle heten 

1 6-24 Of 8i hem duncken niet goed gehdort Die nu woenen bynnen PaTyen : 

Dat 8y die ongela«tert laten; Deden ey wel si aoudena vertyen, 

Her ao wie die doget haten , Ende laten begaen ^ken man , 10 

Die maken mitter logen malsdli Het sulken kjmsten als hi can. 

V*. 2 Dicken y dikmaels. — 8 Hem verdroot zoo hard, zoo zeer. 
— 4 Geeste f fr. geste. — S De vite, de levensbeschryying ; doch Kiliaen 
heeft ook vüey flandricè treke. — 10 Siere y synere, zyner. — 18 Dor- 
pren, onbeschii^lden ; doren, dwazen. 

Var. 16 Y'. 8 Doget, deugd. 9 Fertyen, voorbytrekken. 



REINAERT 



Die emmer es al even malseh : 

20 Si maken sulke rime val^h , 
Daer si niet meer af én weten 
Dan ie doe , hoe dat si heten 
Die nu ia. Bahikmien leven. 
Daden si wel, si soudens begeven. 

25 Dat en seggie niet dor minen wille; 
Mijns diehtens ware een gestille , 
Ne hads mi ene niet gebeden , 
Die in groter hovescheden 
Gerne keert hare saken : 

30 Soe bat mi , dat ie soude niaken 
Dése avonture van Reinaerde. 
Al begripic die grongaerde 
Ende die dorpren entie doren 
Ie wille , dat die ghene horen , 

35 Die gerne plegen der eren 
Ende haren sia daer toe keren , 
Dat si leven hoofschelike , 
Sijn si arem , sijn si rike , 
Diet verstaen met goeden sinne. 

40 Nu hoort , hoe ie hier beginne. 
Het was in enen sinxendage 
Dat beide bo^chLende bage 



[Reineke, I,kap. 1.] 



26 Sijn gedicht wair gebleyen stil. 

32 Al berisp ie die musaerde. 

37-40 Dat sy leven in heuscbeiden. 
Nu hoort , ie sel u Tooft besceiden 
Den sin des -weorts , na dft pyologek 
Mer iö bid u, so wat4k toge , 
Hoort «tiewoorden , ende merct dea sin; 5 
Onthout , dair leit Ted wijsheit in. 

41-45 Het was op enen pinxter dach 
Dat men woude ende Telde sach 



Groen staen, myt lover ende grass, 
Ende menich vogel blide vniss, 
Hit sange, in hagen ende in bomen ; 5 
Die crude sproten uut, ende die bloe- 
(men, 
Die vret roken Mer ende daer, 
Ende die dach vraasehoon ende claer. 
Nobel, die conincvan aMen dieren, 
Had s^n hoff doen I^Feygiren 10 
Sijn lant al door, ende overa). 



y% 19 Mdkck, week. — 2ft Hoveschede»^ heosdbJieid, cMMfoutcr. 
SO Soe, zj. — 32 Grongaerde, fr. grognards; in het üottaBèBche hand- 
schrift Musards. — 42 Beide, giecaiii^oi<Uyk , gelykely^. 



EERSTE BOEK. 3 

Met groenen loveren warèa beTaea. 

Nobel die CDDtnc faadde gedieie» 
45 Sijn hof craieren oret ai , 

Dat hi waende , kadde hijs geypsA ^ 

Houden ten wel groten loTe. 

Doe quamea tes coninx hoTe 

Alle die diere ,, groot ende dene ^ . 
50 Sonder yos Rehiaert alleoe. 

Hi hadde te hoye 90 Tele mkdaen ^ 

Dat hire niet dorste gaea. 

Dte hem besoitdiidbL kent oixtsiet. 

Also was Reinaerde gesciet ; 
55 Ende hier omme scuwedi woninx hof ^ 

Daer hi in hadde cranken lof. 

Doe al dat hof yersamet was 

Was daer niemen ^ sonder die das ^ 

Hine hadde te dagene over Reinaerde , 
60 Den feilen, melAai roden baerde. 

Nu gaet hier op ene dage. [leineke, i. 2. v*. 33.1 

Isengrijn ende sine mage 

Gingen yoor den coninc staen. 

Isengrijn begonste saen 
65 Ende sprac: « Coninl^here, 

Dor u edelheit ende dor u ere, 

Ende dor recht, ende dor ^naden , 

Ontfermt u der groter scade , 

Die mi Reinaert heeft gedaen , 
70 Daer ie af dicken hebbe oatfaen 



53 Wie quaet doet^ie scuwet dat licht 55 Also dede Heynaert dat hoff. 

54 Dat seit die tcrift al oirer recht. 68 Ontfaennt u miere scade. 



Y'. 45 Craieren, uitroepen. — 46 fietwelk hy dacht, "viel hem dit 
mede. — 80 Sonder, uitgezonderd. — 82 Hire, hy er. — 88 Scuwedi, 
schuwde hy. De achteraengevoegde i geldt voor hi, of Toor di: dit zy 
eens voot al aengemerkt. — 89 Èine, hy en, of hy. — 64 Saen, spoe- 
dig. 



4 REINAERT 

Groten laditer ende yerlies. 

Voor al dandre ontferme u die» 

Dat hi mijn wijf hevet verboert , 

Ende minen kindren so misyoert , 
75 Dathisebesekede,daer. si lagen, 

Datter twee.noint [meer] ne.sa^n , 

Ende si worden staer blint : 

Noehtan hoondi mi sint. 

Het was so yerre comen 
80 Datter enen dach af was genomen ^ 

Ende Reinaert soude hebben gedaen' 

Sine onsculde : ende also saen 

Alse die helege waren brocht, 

Was hi andersins bedocht , 
85 Ende ontvoer ons in sine veste. 

Here , dit kennen noch die beste 

Die te hove sijn comen hier. 

Mi hevet Reinaert , dat felle dier, 

So vele te leede gedaen , 
90 Ie weet wel, al sonder waen^ 

Ware al tlaken perkement , 

Dat men maket nu te Gent , 

Ine gescreeft niet daer an. 

Dies swijgic noehtan ; 
95 Ne ware mijns wives lachter 

Ne mach niet bliven achter, 

71 Grote scande, swaer Terlies. 87 Die tot uwen hoTO èijn alhier. 

73 Dat hi mijn goede wijff Terdoort . 89 So veel gedaen te leide 

74 Ende mijn kijnder so Termoort. 90 Hy en leeft niet diet u seide. 
76 Datter geen synt nye en sagen. 93 Slen zouts >dair in niet scryren : 
86 Heer, dat weten noch die beste 94. Dit laet ie noch al after bllven. 

V*. 71 Lachier, lasterlykheid , schande, hoon. — IA Misvoert, mis- 
daen. — 75 Besekede, bezeikte. — 80 Dach, rechtdag. — 88 Die 
heiige brocht, de reliquien aengebracht. Wanneer men zich by eede 
zuiveren wilde (onsculde doen) , deed men zulks op de overblyfsels der 
heiligen, en men noemde dit eekeren ten heiligen. — 84 Bedocht, he^ 
dacht; en niet beducht, als Grimm stelt, Reinhart fucha, bl. 209. — 
98. Ine, contractie yan te ^n. — 9B. Ne ware, maer. 



BI. 4. 




X-^ JÜTjtr.-^.WtfitH.a. ötvtjC-. 



^^ i|tftffti wpiioert >rtr fètU ^i^* 

1^ ett leeft uiet^tett^fiit^ 

1 fiAlnfnertiolpterhementi 

2)rt^ lakett ^ntmcHtHaettte^tfent 

"ïDitlnet te no^ «ilitfli^r Umeu 



EERSTE BOEK. 

No onverswegen , no ongewroken, n 
Doe Isengrijn dit hadde gesproken, 
Stont op e^i hondekijn , hiet Cörtois , 

100 Ende clagede den eonino in fransois : 
Hoet so arem was , wilen ere, 
Dat alles goets en hadde mere 
In enen winter, in enen vorst, 
Dan allene ene worst, 

105 Ende hem Reinaert, die felle man, 
Die selye worst stal ende nam. 

Tibert, die cater, die wart gram. 
Aldus hi sine tale began, 
Ende spranc midden in den rinc , 

110 Ende seide : cc Here coninc , 

Dor dat gi Reinaerde sijt onhout , 
So en es hier jónc no out , 
Hine hebbe te wroegene jegen u. 
Dat Cortois claget nu , 

115 Dats over menich jaer gesciet : 

Die worst was mine , al en clagie niet. 
Ie hadse bi miere list gewonnen , 
Daer ie bi nadite quam geronnen 
Omme bejach in enen molen, 

120 Daer ie die worst in hadde gestolen 
Enen slapenden molenman. 
Hadder Cortois iewet an 
Dat was bi niemene dan bi mi. 
Hets recht dat onberet si 



97 Noch on^ebetert off ongewroken. 22 Mer had dair Cortoys yet an. 

13 Hy en heeft te wroegen Toor u, 24 Het is best dat ontboren si 



V. 101 PFikn ere, weleer. — 103 Dat, dat 't. — 109 Rinc, de 
afgeperkte dingplaets; Grihh's Deutsche Recht8ahefik4mer, bl. 7479 009.*-* 
111 Onhout y ongenegen. — 1 13 ^^nie^eii^ beschuldigen. -^l%%Iewet, 
iets. — 124 Onberet, ontbeerd ^ yersteld, ontdragen, Tenchoyen^ weg- 
gedaen , écarté , by qikïmk onherecht. 



6 REINAERT 

126 Die clage^ die Clortois doet. » 

Paneer, de beyer, sprac : « Diaet u goet 

Tibert , dat men die da^e onbere ? 

Reinaert es een recht moordenere , 

Ende een trekere , ende een dief : 
130 Hine heeft ooc niemene so lief, 

No den coninc, minen bere, 

Hine wilde dat hi lijf ende ere 

Verlore ^ mocht hire an winoeii 

Een yet morseei van eere hinnen. 
135 Wat sechdi van eeré la^ ? 

En dedi gistren aen den dage 

Ene die meeste OTerdaet 

An Cuwaerde den haae , die bier staet , 

Die noit enich dier gedede ? 
140 Want hi hem, binnen scoililix yrede 

Ende binnen des coninx geleede , 

Geloyede te leerne sinencréde^ 

Ende sondene maken capelaen. 

Doe dedine sitten gaen 
145 Vaste tussdien sine be^M. 

Doe bègonsten si over eene . 

Spellen ende lesen beede, 

Ende. lade singen crede. 

Mi geyiel , dat ie te dien tiden 
150 Ter selyer stede soude liden. 

Doe hoordic haerre beider sanc , 

Ende maecte daerwaert minen ganc 

26 Fanther tprac : dochtet u na goet , 36 Wat segdi yan eenre sagen? 

27 Tybert dat men der dagen ontbaer? 44 Ende deden Toor sitten gaen. 
32 Hy en ivoude dat hi goet ende eer. 60 Dat ie dair terby soude liden. 

y. 1S4 Morseelf fr. morceau. Eere, yarkorting van eenre, of eetter. 
141 Geleede, trygoleide, fidee pubUea, cómfneaiue tutus et Ober. — 142 
Crtde, credo, in Reioeke trede f doch. dit laetste val wel een 8i;ltt*yffeil 
zyn. — 148 Soudene, zoude hem. De suffix ne beteekent l^em. — 147 
Beedey beide. — 150 Liden, Yoorbygaen^ waervan nog overlyden. 



EERSTE BOEK. . 7 

Met eere harde saielre yaerde : 

Doe yandic daer meester Reinaerde^ 
155 Die siere lessea hadde begevea, 

Die hl Ie Toren op^ hadde geheTeii, 

Eade diende yan üneu oudea spete, 

Ettde hadde Guwaerde bi der kele , 

Ende soude hem thooft af heU)en gfenomen , 
160 Waer ie hem niet Ie hdjpea eomeii « 

Bi ayenturen 'm dsen stonden. 

Siet hier noch <tte yerssohe wonden 

Ende die teekine, here conai», 

Die Cuwaer t yan hem cntfinc. 
165 Laetti dit hliyen ongewroken^ 

Dat u yrede. dii9 es te broken , 

Gine wreket, a]s uwe mannen wiaen , 

Men salt uwen kindren misprisen 

Hier naer, oyerwelmenich jaer. » 
170 c< Bi gode , Paneer, gi sediit waer ! 

SpraQ I$je Agriji» , ^aer W stoet : 

Here , wa^r Reiqa^rt doot , het waer ons goet : 

AIso beh<iii<ibi»i God mijn leyen ! 

Ne ware, wert hem dk vergeven y 
175 Hi sal mmh bonen binnen eere maent 

Sulkeix^iliaftniet ne bêwaent. 

Doei sprane op Grimbert , die das , [Reui«k«,i,3.v. 149.] 

Die Reinaerts broeder sone was , 

Met eere yerbolgenlike tale : 
180 c( Herq I^ngri^n , men weet dat wale , 

56 Dat hi T9B4f ^^ eerfUtt^ hsA opgüb^vx^i. 68 Ken ea nUk u^weft ^iodefe» m^ pfiien. 

59 Ende 8094& he^ tiiijff hf l^op ge^Apon. 73 Ons allen cUe gen» i« xteAofk levq». 

63 Van kuwaert den. eelljn^]^ 76 SuU|;iei| dUtea. im lutkel waent. 

64 Ie segge u wel, heer coninck. 79 Ende aprac myt eenre grymmendertale: 
67 Gy en rechtet als u mannen wisen , 80 Heer Ysegrim, gi en segt niet wale. 

Y'. 1«8 Lamiy laet gy. — IM T^bfoken, gebroken. ^- 17S Zoo waer 
ak God ta^ faet leinen behoadaj 

Yaa. ID9 Ifgjf, het leven. -** l«a EMytiek, de ellendige, de onge- 
lakkige. 



8 REINAERT 

Ende hets een out Uspel : 

Yiants mont seit ^Iden wel. 

Yerstaet , neemt miere talen goóm : 

Ie wilde ^ fai hinge an enen boam 
185 Bi siere kelen ^ als een dief, 

Die andren heeft gedaen meest grief. 

Here Isengrijn , wildi aengaen 

. Soendinc , ende dat öntfaen , 

Daer toe willic helpen geeme : 
IdO Mijn oom en salt ooc niet weernen; 

Entie meest andren heeft misdaen 

Sal den andren in baten staen , 

Van minen oom ende van u , 

Al comt hi niet clagen nu. 
195 Ware mijn oom wel te hove , 

Ende stonde in sconinx loye , > 

Here Isengrijn>, als gi doet, 

En soude den coninc niet dinken goet, 

(Ende gine blevets heden onbegrepen), 
200 Dat gi sijn vel sa hebt genepen 

Dicwile met uwen scerpen tanden ; 

Dat hi niet ne conde geanden. 
Isengrijn sprac: c( Hebdi geleert 

An uwen oom dus liegen apeert ? » 
205 « In hebbe daer an niet gelogen. 

Gi hebt minen oom bedrogen 

83 Wat ^jt gi Reynaert mynen bom. Dat hijs niet en conde Teran4woorden 5 

86 Heer ysegrim waert u seWer lieff. S^ns vrienden, dies nyet gem en hoor- 

99-07 Ende gi en blijft niet ongewroken , ( den. 

Dat gi myüen oom dus hebt heropen , • 6i hebten menieh werff bedrogen , 

Didce over u félld tanden , * Meer dan ie seggen sonde mogen : - 

Ende hem gedaenh^tdiek veel «eanden, Mer doch wil ie u zommich pimt bewi- 

, (sen. 

V' 181 Bispely byspraek, spreekwoord, gplykenis. — 188 Goom, acht. 
— 188 Soendinc, Zoengeding. Zie daerover Gannabrt's Byiragen tot de 
hennis van het oude Strafrecht , derde uitgave^ bl. Së8 en volgende. — 
190 PFeemen, aïweren. — m In baten staen, goeddo^i, betalen* — 
198 En, t'en. — 202 Geanden, wreken. — 204 Apeert, fr. appert. 



EERSTE BOEK. 9 

Harde dicke in meneger wisen , 

Gi misleettene van den pladisen , 

Di hi u warp van der kerren , 
210 Doe gi hem volohdet van verren , 

Ende gi die beste pladise oplaset; 

Daer gi u ane hadt versadet. 

Gine gaeft hem no goet no quaet , 

Sonder ailene een pladisen graet ^ 
215 Dat gi hem te jegen brochtet , 

Dor dat gijt niet en mochtet. 

Sint hoondine van enen bake , 

Die vet was , ende van goeder smake ^ 

Dien gi leit in uwen museel. 
220 Doe Reinaert eisschede sijn deel , 

Andwoordi hem in scerne : 

c< ü deel willic u geven geme , 

Reinaert , scone jongelinc : 

Die wisse ^ daer die bake an hine ^ 
225 Becnause, soe es so vet. » 

Reinarde was lettel te bet , 

Dat hi den goeden bake gewan ^ 

In suiker sorgen, dattene een man 

Vinc , ende warpene in sinen sac : 
230 Dese pine ende dit ongemac 

12 Daer gi wUve mede a«et. 19 Dien scoot gi al in u buuckzeel. 

13 Ende gaeft hem dair off groot noch 21 Ende oec had gegeten gem , 

(cleyn, 22 Andwoorde gi hem , tot uwen schem. 

1 4 Dan der pladisen graet alleyn. 26 Dien liet gi lopen door u zet. 

17 Ende alto dedi oec Tan den haeck. 30-33 Dair hi en myt groten anxt nut brack^ 

y. 208 Gy misleidet hem ten aenzien Tan den platdys. — 217 Hoon- 
dine^ hoondet gy hem. Bake, verkenvleesch, spek, hesp. In R^neke 
wordt het voor een geheel vet zwyn genomen , en by Gottsched (Reineke , 
b1. 12) hangt het eerst aen eenen nagel, en daerna aen een krummhoh, 
— 219 Museel, fr. museau. — 221 Scerne, spot. — 225 Soe, zy. — 226 
Lettel te bet , luttel beter, weinig winsthebbend. 

Vak. 219 Buucseel, buiksel, doorzyger, loogpyp; gelyk men by het 
linnenwasschen gebruikt. — 225 Zet, aersgat. 

2 



10 REINAERT 

Hevet hi leden dor Isengrijm 

Ende hondert werveii meer, daïi ie u rijm. 
Ghi heren, dinct u dit genoech? 

Nochtan om. meer ongevoech 
235 Dat hi claget,, om sijn wijf, 

Die Reinaerde heyet al haer lijf 

Gemint , so doet hi hare ; 

Al ne makedent sijt niet mare , 

Ie dart wel seggen oyer waer, 
240 Dat langer es dan VII jaer , 

Dat Reinaert heyet hare trouwe; 

Om dat Harsint, die scone vrouwe, 

Dor minne, ende dor quade sede 

Reinaert sinen wille dede , 
245 Wattan? soe was sciere genesen: 

Wat tale mach daer omme wesen ! 

Nu maket here Cuwaert, die hase. 

Ene clage van eere blasé ; 

Of hi den Crede niet wel en las , 
250 Reinaert, die sijn meester was, 

Moehte hi sinen clerc niet blouwen? 

Ende wat wel na op die dooi. Dat hi syn wij ff aldus bedraecht, 5 

Dit mygyal ende desen noot Ende ty selve niet en claecht. 

Heeft Reynaert geleden door Tsegrim, 48 Een clage ende een tijsvase. 

£nde twee warff noch in meerre pijn. ö 61-65 Host hi sijn scolier niet slaen, 
36 Dat gi laet clagen oTer tijn wijff. (Dat wair onrecht ende mysdaen) 

43 Dair myn eynde door hueacheide (?) Ende wennen hem Tan sijn tuuscherien? 

46-46 Wats dan? sy was te Trede ende Ie segt openbaer, ie wUt wel lyen , 

(cort genesen. Nummer en leerden sy te degen. 6. 

Wat clage soude dair meer off wesen ? Nu claecht Gortoys dat hi had Tercregen 

Waer Tsegrim hier (?) hi souds ontberen: Het pinen een goede worst : 

Hy doet hem soItc luttel eren Die clage die waer best goTorst. 

V 236 lAjf, leven. — 2S8 Marey vermaerd, bekend. — 245 TVcU- 
tan, het fr, qu'importe? Soe was scire genesen, zy was spoedig verlost, 
de vrucht kwyt. BAUMikifN maekt hierby de zonderlinge opmerking , dat 
men waerschynlyk in Lombardyen en in Waellant overspel bedryft 
acbter de deur ( echten gaden) ; docb vermoedelyk spreekt by by figuer. 
— 251 Blouwen, slaen. 

Var. 243 Myn eynde, lees meineede, — 251 Lyen, belyden. — 8 Ge- 
vorst, geverst, uitgesteld. 



EERSTE BOEK. 11 

Dat ware onrecht, in trouwen f 

Cortois claget om eene worst , 

Die hi verloos in eenen vorst: 
255 Die clage ware bet verholen. 

En hoordi , dat soe was gestolen? 

Male quesite male perdite : 

Om recht wert men qualike quite 

Dat men hevet qualic gewonnen. 
260- Wie sal Reinaerde dat verjonnen , 

Dat hi gestolen goet ginc an ? 

Niemen die recht versceden kan. 
Reinaert es een gerecht man : 

Sint dat die coninc sinen ban 
265 Hevet geboden , ende sinen vrede , 

So wetic wel , dat hine dede 

Dinc negeene , dan of hi ware 

Hermite ofte clüsenare. 

Naest siere huut draecht hi een hare. 
270 Binnen desen naesten jare 

Sone at hi vleesch, no wilt no tam. 

Dat seide die gistren danen quam. 



62-67 Tement die recht sceiden can. Wat scaet hem al is hier beclaget ? 

Tis reden , die hem rechts yerstaet , Reynaert is een gerechtich man , 

Dat hi dieflic goet aen Taet ; Die geen onrecht gedogen en kan , 16 

Ja dyent Tan edelre hoger geboort, Ende dair om haet hi die quade, 

Also wel alst mynen oom toebehoort. 5 Ende hi leeft by sijns meesters rade; 

Al had hi al Cortoys gehangen, Want synt die coninck dede 

Doe hi hem myt diefte had beyangen , Roepen ende kundigen mede 

Hi en had daer niet Teel aen mysdaen ; Synen Trede , socht'hi op nyemant geen 
Dan tegen die croon hadt gegaen (bejach. 20. 

Te rechten buten oorlofs ons heren: 10 Hy en et mer eens op enen dach. 
Dair om liet hijt den coninck teren. 70 Ende castijt sijn lichaem seer : 

Al heeft hijs crancken danck bejaget, In enen jaer off in meer. 



V* 232 In trouwen y trouwens, ma foi, — 2ö7 Zoo gewonnen *oo yer- 
loren; een spreekwoord. — 258 Om recht y te recht. — 260 P^erjonneny 
misgunnen. — 262 Ferscedeny scheiden, uiteendoen. — 969 Hare^ 
bairenkleed, in 't fr. haire, lat, cilicium. 



12 REINAERT 

Malcrois hevet hi begeyen 

Sinen casteel , ende hevet op heTea 
275 Eene cluse, daer hi leget in. 

Ander bejacfa ^ no ander gewin 

So wanic wcJ dat hine hevet, 

Dan caritate, die men hem gevet. 

Bleec es hi ende mager van pinen , 
280 Honger, dorst; scerpe carinen 

Dogfaet hi voor sine sonden 

Recht te desen selyen stonden. » 
Doe Grimbert stont in dese tale , 

Sagen si van berge te dale 
285 Canticleer comen gevaren , 

Ende brochte , op eene bare , 

Eene doode hinne , biet coppe , 

Die Reinaert hadde bi den croppe 

Hooft ende hals af gebeten. 
290 Dit moeste nu de coninc weten. 

Cantecleer quam voor die bare gaende , ^l'^^'^^i]' 

Sine vederen sere slaende. 

In wedersiden van der bare 

Ginc een hane wide mare: 
295 Die een hane hiet Cantaert , 

Daer wilen na geheeten waert 

Vrouwe Alenten goeden hane ; 

Die ander hiet , na minen wane, 

78 Yet of niet, dair hi of leeft. 94 Gingen twee hanen die dr oevich waren ^ 

80 Honger ende dorst ende swaer termynen. 95 Die een haen heet Cantecleer, 
91 Cantecleer die quam voor gaende. 96 Daer na geheten wart wilen eer. 

V 280 Carinen, Tasten, earena. — 281 Doget hi, verdraegt hy, on- 
dergaat hy. — 287 Eene doode kinne. In vroegere tyden moest het doode 
lichaem van een vermoorden voor den rechter gehracht worden ; doch 
naderhand het men toe, dat de naeste bloedverwant de rechter hand 
van het zelve afsloeg, en alzoo metter dooder hant zyne klage deed. Zoo 
worden lager, v» 8615, slechts de vederen van de vermoorde Scerpen- 
ebbe vertoond. Vergelyk Gwmm's Deutsche RecktsaUerthümer, bl. 879, 
881. — 294 PFide mare, wydvermaerd. — 297 Vrouw Alentes goede 



EERSTE BOEK. 13 

Die goede hane Graiant, 
300 Die scoonste hane , die men vaut 

Tusschen Portaengea ende Polanen. 

Elkerlijc yan desen hanen 

Droech een bernende stallioht, 

Dat lanc was ende ricbt» 
305 Daer waren Goppen broeders twee^ 

Die riepen o wi ende wee. 

Om haerre sustre Goppen doot 

Dreven si clage ende jamer groot. 

Pinte ende Sproete droegen die bare : 
310 Hem was te moede barde sware 

Van haerre suster^ die si hadden verloren , 

Men mocht harde yerre horen 

Haerre tweer karminge^ 

Dus sijn si comen int gedinge. 
315 Gantecleer spranc in den rinc 

Ende seide : « Here coninc, 

Dor God ende dor genade , "^ 

Nu ontfarmet miere scade, 

1 Tusschen HoUant ende Ordanen. 17 Hoort na my , door u genaden , 

3 Droech wyeroock ende stallicht. 18 Ende ontfermt u der grooter scaden. 

haen. Alenie scliynt yerkort yan Adeleniy Adelindc. Ziet dit op Adelheid, 
graef Arnouts gemalin , gestorven in 964 , en begraven in het klooster 
van St-Pieter te Brugge; — op Adelheid, vrouw van graef Boudewyn 
van Ryssel , overleden in het door haer gestichte klooster van Meessene , 
1079; — of op Adele de Clermont, vrouw van Willem van Dender- 
monde (Vredti Geneal. cómitum Flandrtce^ p. 45)? 

V* 801 Tusschen Britanje en Polen. — 803 Bernende staUicht, bran- 
dende waskaersen (Hutdecophi op Stoke, iii, bl. 188). — 806 O wi ende 
iveey oei! en weel Wanneer men eene moordklage deed, werd er driemael 
door de verwanten des vermoorden irce, of wraek, of wapen (wopqn) geroe- 
pen , en driemael het zwaerd opgeheven : hier is dit laetste door den veder- 
slag der hoenders vervangen. Zie Oude f rieaache wetten, hl . 271, en Grimm s 
Rechtsaltert. , bl. 878. Met zoodanig geschrei moest men beginnen. « Dat 
geruchte is der klagebegyn, » legtdeSassenspiegel (Edit. Hoheter, bl. 57.) 
— 817 Dor God. « De klager gedaen hebbende sijn wapenroep, éeèer 



14 REINAERT 

Die mi Reinaert heeft gedaen , 

320 Ende minen kindren, die hier staen , 
Ende seere hebben haren onwille. 
Ten ingane van aprille , 
Doe die 'winter was Tergaen , 
Ende men sach die bloemen staen 

325 Over al die velde groene , 
Doe was ie iier ende coene 
Van minen groten geslachte : 
Ie hadde jonger sonen achte , 
Ende jonger dochtren sevene , 

330 Dien wel luste te levene , 
Die mi Rode die vroede 
Hadde brocht te dien broede. 
Si waren alle vet ende stare , 
Ende gingen in een scone pare , 

335 Dat was beloken in eenen mure ; 
Hier binnen stoet eene scure , 
Daer vele honden toe hoorden , 
Dat si menich dier fel scoorden ; 
Dies waren mine kindre onvervaert. 

340 Dit benijdde dus Reinaert, 



23 Als die wynter leden was , 32 Eerde mjsselic op Toede. 

24 Ende men sach lover ende gras 36 Dair bynnen stont eens monics scuere , 

25 Schoon bloeyen, ende staen groen. 37 Dair sessstercke hond toe hoorden, 
31 Die mijn wijf Coppen, die vroede , 38 Die menige dieren den pels scoorden. 



voorts sijne klagte aen Gode van den hemel , aen den graye , ende aen 
den bailju Tan de plaetse , ende allen goeden luyden ; verhalende hoe , 
waer, wanneer ende van wie den overleden met geraden wille was ge- 
wonde! ter doot , ende dat daer aen was gebroken Godes vrede van den 
hemel, des graven vrede, ende des bailju ws vrede , ende alsulken vrede 
als ieder onschuldig man behoort te hebben van eenen andren, dien hy 
niet misdaen en hadde ; versoekende dat het selve ongelijk soude wer- 
den geregt. » H. Grotii Inleydinge ioi de H. regtsgeleertkeyi , bladz. 341. 
V* 335 Beloken, gesloten: van het werkwoord beluiken. — 386 Stoet, 
stond. — 338 Scoorden, scheurden, van ee» reten. 



BI. 15. 




dertZ^ifMlifTKA, a 






EERSTE BOEK. 15 

Dat sire waren so vaste binnen , 

Dat hire negeen eonste gewinnen. 

Want Reinaert , die felle gebure , 

Hoe dicken ginc hi om de mure 
345 Ende leideom ons sine lagen ! 

Alsene dan die honde sagen , 

Riepen si nae met haerre cracht. 

Eene warf wart hi op de gracht 

Bi avonturen daer belopen , 
350 Dat ie hem sach een deel becopen 

Sine dief te ende sinen roof , 

Dat hem die pelse sere stoof. 

Nochtan quam hi bi baraten : 

Dattene God moete verwaten ! 
355 Doe waerwi sijns lange quijt ; 

Sint quam hi als een hérmijt , 

Reinaert , die mordadege dief ^ 

Ende brochte mi segele ende brief 

Te lesene , here coninc , 
360 Daer u segele ane hinc. 

Doe ie die lettren began lesen^ 

Dochte mi daer an gescreven wesen , 

Dat gi haddet coninclike 

Over alle uwen rike 
365 Allen dieren gebodene vrede , 

Ende ooc allen vogelen mede ; 

Ooc brochte hi mi ander niemare , 

Ende seide ^ dat hi ware 

Een begeven clusenare , 
370 Ende hi hadde gedaen vele sware 

47 Setten «y hem aen myi alre cracht, 63 Dat gi had koenlike. 

48 Ende eens doe was hi op die dracht. 65 Alle dieren gegcTen Trede. 

84 Vandanen. Datten goede Terwaet ! 70 Ende leefde in penitentien swaer. 

y* 388 Barnet, bedrog. — 854 F^erwaten, yervloeken, doemen. — 
360 Begeven , wereldbegeyen , van de wereld afgezonderd levende. Zie 
over dit woord Hqtbbcopse, opSroKB^ni^ bl. 449 en Eoujmm's Fund- 
gruben I , bl. 850. 



16 REÏNAERT 

Voor 8ine sonden menige pine; 
Hi toochde mi palster ende slayine , 
Die hi broehte van der Elmare , 
Daer onder ene scerpe hare. 

375 Doe sprac hi : « Here Cantecleer, 
Nu moogdi wel vorwaert meer 
Van mi sonder hoede leven : 
Ie hebbe bi der scole vergeven 
Al vleesch ende vleeschsmout. 

380 Ie bem voort meer so out 
Ie moet miere sielen telen. 
Gode willic u bevelen! 
Ie ga daer ie hebbe te doene , 
Ie hebbe middach ende noene 

38S|Ende primen te seggene Tan den dage. » 
Doe nam hi neven eere hage 
Sinen wech , ende te dien gescede 
Gine hi lesen sinen crede. 



71 Hi had ontfaen om die sonden sijn. 80 Want ie bin worden so out. 

76 Nu mochdi wel Toortaen meer 84 Ie heb noch text ende noene 

77 Vanmysondersorg^eleTen; 85 Ende Tesper ie lesen van den dage. 

78 Want ie heb Toort aen begeren 86 Doe nam hi, onder enen hage, 

79 Alle yersch yleyseh ende sout ; 87 Synen weeh tenen geseeyde. 



Y' 372 Paltter ende slaviney pelgrimsstaf en kleed. Zie het Glossa- 
rium yan Ducan ge op het woord Sclavinay alwaer men leest , ex chronico 
Andiensi : Pedes tncedens in habitu peregrini, qui tmlgo dicitur sclatnna. 
— 878 Elmare , eene van St-Pieters te G^nt af hangelyke proostdy, gelegen 
op de grensen van Vlaenderen en Zeeland, in 11-44 gesticht, en in 
1424 overstroomd, volgens Sanderds Flandria illustratal^ p. 252, 288. 
Men ziet de plaets nog op de oude kaert van het jaer 1274 by Smallegangb, 
Chronyk van Zeeland , bl. 120. — 878 Bi der scole vergeven, d. i. by de gees- 
telyke gemeenschap , in het klooster, afstand gedaen. Het woord school 
komt van iScAofen^[vergaderen), en beteekende oudtyds zoo veel als ver- 
zameling, volgens BniiBRDTK's P^erklarende geslacMyst III, bl. 85, en de 
voorbeelden aengevoerd in HoniAim's Glossarium achter Fhris en Blan- 
chefloer^ bl. 154. — 881 Telen, vracfat aenbrengen. — 887 Gescede , 
afscheid. 



EERSTE BOEK. 17 

Ie waert blide ende onTeryaert , 
390 Ende gine te minen kindren waert ; 

Ende was so wel al sonder hoede , 

Dat ie al met minen broede 

Sonder sorge ginc buten mure : 

Daer geviel mi quade aTonture; 
395 Want Reinaert ^ die felle 8age , 

Was gecropen dor de hage , 

Ende hadde ons die porte ondergaen : 

Doe waert miere kindren saen 

Een gepronden uten getale , 
400 Dat leide Reinaert in sine male. 

Quade avonture mi doe nakede: 

Want sint dat hise smakede 

In sinen gieregen mont , 

Ne conste ons wachtre , no onse bont 
405 No bewaebten, no bescermen; 

Here, dat laet u ontfermen. 

Reinaert leide sine lage 

Beide bi nachte ende bi dage , 

Ende roofde emmer mine kindre; 
410 So Tele es tgetal nu mindre , 

Dant gewone was te sine , 

Dat die XV kindre mine 

Sijn gedegen al tote yieren, 

So suyer heeftse die ongiere 
415 Reinaert in sinen mont verslonden : 

Noch gistren wart hem metten honden 

93 Wanderen ghinck buten der muren. 3 In synen gierigen Tuylen mont , 

95 Want Reynaeri had geleit sijn lage. 4 Ende konde jager noch hont 

98 So dat hi mijnre kynderen zaen 5 Ons bewaren noch bescermen. 

99 Een heeft geprijnt unten getale. 6 Heer coninc laet u dit ontfermen. 
1 Dier ons groot mysgeyal doe naecte. 14 So na heeft die yalsche gier. 

V* 391 Sagcy koorts; als of men zeggen zonde: die booxe peut! — 899 
Gepronden^ geroofd; van j^nWen. Zie Van Heelu, op V* 5988. — 41-4 On- 
gterCf vreeslyke, wreede; verkort van ongehire, hoogd. ungeheuer, en 
anQlossctiseh unkyre. Zie Wachter ; Ghssar, germ. p. 1743. 

3 



18 REINAERT 

Ontjaget Coppe die mare , 
Die hier leget op dese bare. 

Dit clag^c u met groten sere : 
420 Ontfaremt u mijns ^ wel soete here! » 

Die conine sprac : « Grimbert die das , 5*vir1»5*i 

U oom , die clusenare was / 

Hi heyet gedaen so goede carine ! 

Leyic een jaer, het sal hem seinen. 
425 Nu hoort , heer Cantecleer, 

Wat sal der talen meer? 

U dpehter léget al hier versiegen : 

( God moet haerre sielen plegen ! ) 

Wine mogense niet langer houden , 
430 (God moeter al gewonden ! ) 

Ende sullen onse yigilien singen ; 

Daerna sullen wise bringen , 

Den liehame ter eerden met eeren. 

Dan sullen wi met desen heren 
435 Ons beraden ende bespreken ^ 

Hoe wi ons best gewreken 

An Reinaerde Tan dese moort. » 

Doe hi gesprac dese woort ^ 

Beval hi jongen ende ouden , 
440 Dat si yigilien singen souden. 

Dat hi geboot was sciere gedaen. 

Doe moehtemen horen ane slaen 

Ende beginnen , harde ho , 

Dat placebo Domino , 

17 Mijn dochter ontjaget Coppen, die mare. 30 Want wi willent gode laten gewouwen , . 

21 Die conine sprac : hoordi hier, her das. 31 Ende doen vigilien Toor haer uel singen. 

23 Heeft gevast sulke karynen. 38 Doe hi geseit had dese woort. 

28 Daer willen wy eens doden recht me 42 Doe ginck men dan aenslaen 

(plegen. 

V* 417 Marey vermaerde. — 424 Scinefty blyken. — 4S6 Der talen, 
dier, dezer tale. — 480 Gewouden ^wILen. — 441 Sciere, spoedig. — 448 
Ho, hoog. — 444 Placebo. By lyk-of-zieldiensten zingt men na het vers 
Requiem ceiemam, enz. Placebo Domino in regione vivorum. 



EERSTE BOEK. 



19 



445 Ende die verse, die daer toe hoorden. 
Ie seide ooc , in waren woorden .^ 
(Ne mare het ware ons te lanc), 
Wie daer der sielen yers sanc , 
Ende wie die sielenlesse las. 

450 Doe die vigilie gehent was , 

Doe leidemen Goppe in dat graf ^ 
Dat bi engiene gemaect was 
Onder die linde in een gras , 
Van marberstene , die slecht was : 

455 Die letteren , die men daer sach 
An den sarc , die daer op lach , 
Dede an tgraf bekinnen , 
Wie daer lach begraven binnen. 
Dus spraken die boecstave 

460 An den sarc op den grave : 
« Hier leget Goppe begraven , 
Die so wale conste scraven , 
Die Reinaert die vos verbeet , 
Ende haren geslachte was te wreet. » 

465 Nu leget Goppe ouder mouden. 
Die coninc sprac te sinen ouden , 



48-72 Die responsen die daer toe hoorden ; 
Daerom cort ie desen woorden! 
Doe die lessen ten eynden strecten , 
Ende die psalmen mitten collecten, 
Was die commenda gelesen myt be- 
sceit , 5 
Ende sy was in dat graff geleit , 
Daerop een menner steen , die was 
Gepolyst als een gelass, 
Met letteren groot daer in gehouwen, 
Dat men claerlic mocht aenscouwen 10 
Wie daer onder lach begrayen. 
Dus spraken die boecstayen: 
< Coppe, Canteclaers wijf, die beste 



Die ye eyer leide op neste. 

Off die myt voeten cons gescrayen , 1 5 

Die leit onder desen serck begrayen. 

Reynaert die fel, diese Terbeet 

Sonder bescheit myt Talschen lagen. 

Sy willen dat alle die werelt weet 

Op datmense te meer mach beclagen. » 20 

Aldus nam dit gescrift een eynde. 

Die 'coninck ontboot alle die hi kende 

Wijs Tan rade , om hem te bespreken 

Op Reynaert^ yan deser ondaet. 

Doe andwoorde also die raet 25 

Dat sy den coninc voor tbeste rieden, 

Dat hi Reynaert soud ontbieden. 



Y' 452 Bi engiene, ingeniosè, kunstelyk. — -454 Slecht, effen, ge- 
polyst. — 462 Scraven, schrabben, krabben. — 468 Onder mouden, 
onder het zand, onder de aerde. 



20 REINAERT. 

Dat si hem alle bespraken , 

Hoe si alrebest gewraken 

Dese grote oyerdade. 
470 Doe waren si alle te rade 

Dat si daer den coninc rieden , * 

Dat hine dan sonde ombieden , 

Dat hi te hove soude comen , 

No dor scade, no dor yromen 
475 Ne liete , hine quame int gedinge , 

Ende men Brune yan dien dinge 

Die bodsoap soude laden . 

Dies was die coninc soiere beraden , 

Dat hi dus sprac te Bruun den bere : '^'^'«t*] 

480 « Here Bruun , dit seggic voor dit here , 

Dat gi dese bodscap doet : 

Ooc biddic u , dat gi sijt yroet , 

Dat gi u wacht yan baraet ; 

Reinaert es fel ende quaet : 
485 Hi sal u smeken ende liegen , 

Mach hi , hi sal II bedriegen 

Met yalschen woorden ende met sconen ; 

Mach hi , bi Gode , hi sal u honen. » 

c< Here • seit hi , laet u castien ! 
490 So moete mi God yermalendien , 

Of mi Reinaert so sal honen , 

Ine salt hem weder lonen , 



78 Des wa» die coninc al yan staden, < Ay lieTe Heer, laet dat bliTeii. 

Ende mitten wisen wel beraden. So geeff my God ongcTal 

80 Her Bmnn, ie zegge n, ds een heer. Off my Reynaert yet honen sal, 

82 Mer ummer ziet dat gi u hoet. Ie en sel hem weder dat in wriTcn, 

84 Want Reynaert is fel ende quaet, Dat hi aen tkortste eynd sel bliTcn. * 

Ende weet menigen losen raet. Dus schiet hi blide ende Tro Tan daen; 

87-96 Ende honen ofte schem driyen. » Mer eer hy keert selt anders gaen. 



V* 480 Here f heir, yerzameling. — 485 Smeken, Tleien* — 489 Laet 
u kostten y laet uw kastyen, uw terecht wyzen, daer: ik heb het niet 
noodig. — 492 Zoo ik het hem niet wedervergelde ! 



Bl.20. 




Lii^ di/'Jé£(^yseb/ 'tck. o^ Gojni. . 



tjf (fel V finekcn «?#T hcgvtt 



EERSTE BOEK 21 

Dat hijs an den dulsten si ; 

Nu ne sorget niet om mi ! » 
495 Nu neemt hi orlof , ende hi sal naken , 

Daer hi sere sal misraken. 
Nu es Brune op die vaert , 

Ende heyet in siere herten onwaert ; 

Ende het dochte hem OTerdaet , 
600 Datiemensoudesijnsoquaet, 

Ende dat hem Reinaert honen soude. 

Dor den keer yan eenen woude 

Quam hi gelopen dor ene woestine , 

Daer Reinaert hadde de pade sine 
5Q6 Geslegen erom ende menichfoude, 

Also als hi uten woude 

Hadde gelopen om sijn bejach. 

Beneden der woestinen lach 

Een berch^ hooch ende lanc , 
510 Daer moeste Bruun sinen ganc 

Te middewaerde over maken , 

Sal hi te Maupertuus geraken. 

Reinaert hadde so menich huus; 

Maer die casteel Maupertuus 
515 Was die beste yan sinen borgen : 

Daer trac hi in , als hi in sorgen 

Ende in node was bevaen. 

Nu es Brune die bere gegaen 

Dat hi te Maupertuus is comen. 
520 Doe hi de poorte hevet vernomen, 

98-500 Stout van moede ende onyeryaert. Een wecb, hooch ende lanck. 

2 Door dat doncker Tan den woude. ' 11 Te mydde duer recht maken. 

5-9 Dick had gehouden om sijn bejach. 16 Daer lach hi in alt hi wat in lorgen. 

Betiden der woestynen lach 18 Hu is Brann ao lang gegaen. 

¥• 493 Zoo dat hy er het meest zal aen getroffen tyn. Duist is van 
het oude duUen, dollen , treffen. Zie Bildebdtk's Verhandeling wer de 
geslachten, bl. 338. — 498 Onwaert , yerachting , yerontwaerdiging ; 
hier yersmading van al wat vrees baren kon. 



22 REINAERT 

Daer Reinaert ute plach te gané , 

Doe ginc hi voor die barbecane 

Sitten ÖTer sinen staert, 

Ende sprac: cc Sidi in huud, Reinaert? 
525 Ie hem Bruun ^ des coninx bode , 

Die hevet gesworen , bi sinen gode , 

Ne coxndi niet ten gedinge , 

Ende ie u niet Toor mi bringe , 

Recht te nemen ende te gevene , 
530 Ende in vredenTOort te leyene , 

Hi doet u breken ende raden. 

Reinaert , doet dat ie u rade , 
. Endé gaet met mi te hoye waert. » 

Dit yerhoorde al nu Reinaert , 
535 Die Toor sine poorte lach , 

Daer hi véle te liggene plach , 

Dor warmhede van der sonnen. 

Bi der tale , dié Bruun heeft begonnen , ^^'v-'^^mV i 

Bekenden altehant Reinaert , 
540 Ende tart bet te dale waert , 

In sine donkerste hagedochte : 

Menichfbut was sijn gedochte, 

Hoe hi Yonde sulken raet , 

Daer hi Bruun , den feilen Traet, 

23 Neder sitten op sinen sieert. Hoordse ten eersten wel Reynaert, 

28 End ie u niet myt my en brijn|^e. Ende hi trat bet in sijn hol waert ; 

30 Dattet u costen sel u leven ; Want Mapertuus dat was alTol: 

31 Ende men sel u hangen ende setten op Hier een gat, ginder een hol, 5 

32 Reynaert , ie rade u dat, (een rat. Nau, erom ende lanck : 

33 Trect myt itty te hoTewaert. Ende had menigen uutganck 

35 Die bynnen Toor die poorte lach. Die hi ondede , sloot ende ontsloot , 

38-49 Als Bruun die tael had begonnen. Als hi yemam dats hem was noot; 

V" 522 Barbecane, voormner van een slot, jiniemurale. — 581 Hy 
doet u radbraken. — 589 Bekenden akehant, kende hem aenstonds. 
— 540 £n trad lagerwaerts, dieper in zyn hol» — 541 Hagedochte, 
krocht, hol, spelonk; doch eigenlyk het zelfde als aquaeducius, yan 
awCf water, en togen, trekken {A-tocht). Zie Bildbrdtk*s Verklarende ge^ 
elachtlijst, hl. 284. Grih houdt het yoor « der innerste, heimlichste siti 
im hag; » welke verklaring ook zeer aennemelyk is. 



EERSTE BOEK. 23 

545 Te scheerne mede mochte driyen ^ 

Ende selve bi siere eren bliyen. 
Doe sprac Reinaert over lanc : 
, c( Uwes goet8 raets hebbet danc , 

Here Bruun , wel soete Trient , 
550 Hi heyet u qualic gedient , 

Die u beriet desen ganc , 

Ende u desen berch lanc 

Over te lopene dede bestaen ; 

Ie soude te hove sijn gegaen , 
555 Al haddet gi mi niet geraden ; 

Maer mi es den buuc so geladen 

Ende in so utermaten wise , 

Met eere yremder niewer spise , 

Ie yruchte , in sal niet mogen gaen : 
560 Ine mach sitten no gestaen , 

Ie hem so utermaten sat. » 

cc Reinaert, wat aetstu? wat? » 

Wanneer hi enige proy brochte ; 10 Sijt wellecoom oom ,.]ieTe Trient. 30 

Off als hi wiste dat men hem sochte 52-62 Dede OTercomen ,< dats mi leet, 

Om ondaet , die hi had mysdaen , Want gi zijt so muede , dat usweet 

So ontliep hi sijn vianden saen , üut uwen lijff loopt , ie uet. 

In sijn heymelike hagedochte; Ende al en waerdi hier comen niet 

Dat hem niement vijnden en mochte: 15 Ie wair te hoTe comen moi^en ; 5 

Ende dier had hi gemaect so yeel, Her nu ben ie myn in zorgen, 

Dattet mennigen dieren ginck uuten Dat ie u weet hier soby; 

( speel , Want uwen Treeden raet die sal my 

Daer in Terdwaelden dair hise beliep. Te hoTe, hoop ie , helpen zeer. 

Hennich pensen , hooch ende diep, En Tant die coninc onse Heer 10 

Docht nu Reynert , hoe hi den beer, 20 Ghenen mynderen bode dan u? 

Dien myt woorden oyerliep so zeer. Want naest den coninck zidi nu 

Alrebest tot «potte dreTe, Die edelste, ende die meeste Tan Ioto, 

Ende seWe in die eere blcTe. yan al den lande. Ie wilde wi te hoTe 

Na dese gedochten hi uut trac Nu waren j want my ducht mijn waen, 1 5 

Tot Brunen den Beer, ende sprac : 25 Dat ie niet en sel mogen ontgaen; 

Bruun oom, wellecoom mot ghi wesen. Want ie heb gegeten so Teel, 

Ie heb ter stont Tesper gelesen : Dat mijn buuck ende mijn keel 

Dat dede dat ie Tluchs niet en quam, My duncken spliten. Ie bin so sat ! 

Doe ie u tale eerst Ternam. Het was nywe spise die ie at ; 20 

V* 858 Eere^ eenre. — 559 Ie vruchte, ik vreeze, hoogd. furvhte. 



24 REINAERT 

c( Here Brune , ie at cranke have , 

Arem man dan nes geen grave : 
565 Dat moogdi bi mi wel weten. 

Wi arme liede , wie moeten eten , 

Hadden wijs raet, dat wi node aten: 

Goeder versscher honiehraten 

Hebbic commer harde groot: 
570 Die moetic eten , dor den noot , 

Als ie el niet mach gewinnen. 

Nochtan als icse hebbe binnen , 

Hebbicker af pine ende ongemac. » 

Dit hoorde Brune , ende sprac: 
575 c< Helpe , lieve vos Reinaert , 

Hebdi honich dus onwaert ? 

Honich es een soete spise 

Die ie voor alle gerechten prise , 

Ende icse voor alle gerechten minne. 
580 Reinaert , helpt mi , dat ics gewinne ! 

Edele Reinaert, soete neve, 

Also lange als ie sal leven 

Willic u daer omme minnen : 

Reinaert , helpt mi, dat ics ghewinne ! » 
585 « Gewinne , Bruun ? gi hout u spot ! » 

c( In doe, Reinaert, so waric sot, 

Baerom nam icker veel ie meer. » Als icse in heb, en can gedueren. » 

« Wat aet gi Reynaert , seide die beer, Brumi die tprac in corter uren : 

Dat u to zade ? » « Oom , wat ie at ? « Help , door die doot , Reinaert. 5 

Wat holp u dat , al seide ie u dat ? 83 Wil ie sijn tt getrouwe Trient , 

69-75 Die moet ie eten door den noot ,* 84 Ist dat gi my Tan den honioh dient, 

lier li maken my den buuc êo groot ! 86 Ie en doe , noTO, so help mi Got I 

V' 568 Hatey hier eeiwaer; doch eigenlyk hebbing, iets dat men heeft 
of bezit; Tan het oude werkwoord haven, hoogd. haben, — 564 Dan 
nes, dat en is. — 567 Indien wy beter wisten, wy zonden het noode 
(ongaern) eten. — 668-669 Ik heb groeten kommer wegens goede 
▼erssche honigraten. — 571 El, anders. — 575 En Vab. 69, ¥• ö 
Helpe door die dooi, Toor helpe mi God^ om den dood des Zaligmakers! 
Zpo veel als de fransche Tloek: par la mori-Dieul 



EERSTE BOEK. 25 

Hildic spot met u , neea ie niet. » 

Reinaert sprac : « Bruun , mochtijs iet f 

Of gi homch moget eten , 
590 Bi uwer trouwen, laet mi weten ; 

Mochtijs.iet, ie souts u saden. 

Ie sals u 80 vele beraden , 

Gine atet niet met u tienen, 

Waendie u hulde daer met yerdienen. » 
595 c< Met mi tienen? hoe mach dat wesen? 

Reinaert , hout uwen mont yan desen; 

Ende sijts seker ende gewes, 

Haddie al thonieh, dat nu es 

Tusschen hier ende Pórtegale , 
600 Ie aet al op, tenen male. » 

Reinaert sprae : « Bruun , wat seehdi ? 

Een dorper, heet Lamfroit, woont hier bi , 

Heyet honich so vele, te waren, 

Gine atet niet in YII jaren. 
605 Dat soudie u geyen in u gewout, . 

Here Brune , wildi mi wesen hout , 

Ende voor mi dingen te hove. >> 

Doe quam Brune , ende gine geloven 

Ende sekerde Reinaerde dat , 
610 Wildine honiehs maken sat, 

Des hi eume ombiten sal , 

Hi wilde wesen oyer al 

Gestade yrient ende goet gheselle. 

Hier omme loeeh Reinaert , die felle, 

87 Ie sottde myi u spotten node. » 94 Waen ie u huid daer meed Terdienen. 

88 « Ist u eeroet , tprao die rode, 2 Een kerl , heit Lanfreit , weent hier bi. 

89 Dat tegt my, moochdi honich eten? 7 Tegens mijn Tianden in sconincs hoff? » 

92 Ie telt n to toI doen meten, 8 Bes dede hi hem een leker gelofil 

93 Gi en aett nye so veel bi uwen tienen , 1 1 Des hi en koene ontbieden sal. 

y* 591 Smaekte het u eenigzins , ik zou n des yerzaden. — S94 Hulde, 
anders koude, genegenheid. — 608 Te waren, of iwaren, ter waerheid, 
waerlyk. — 605 Gewoui, geweld, macht. — 609 Sekerde, zwoer. — 
611 Cume, naeawlyks, hoogd. kaum. 

V/kE. 588 Die rode, de roode, de rosse , Reinaert. 

4 



26 REINAERT 

615 Endè sprac : cc Bruun , helt mare ^ 
Vergave God^ dat mi nu ware 
Also bereet een goet geval , 
Also u dit honich wesen sal , 
Al wildijs hebben YII amen. » 

620 Dese woort dijn hem bequame 

Bniun , ende daden hem so soehte ! 
Hi loech, dat hi nemmeer ne mochte. 
Doe peinsde Reinaert^ daer hi stoet : 
Bruun, es mine avoxiture goet, 

625 Ie wane u daer nooh heden laten , 
Daer gi sult lachen te maten. » 
' Na dit péinsen ginc Reinaert uut , 
Ende sprac al over luut: 
c< Oom Bruun, geselle, willecome! 

630 Het staet so , suldi hébben vrome , 
Hier ne mach sijn geen langer staen : 
Volget mi, ie sal voren gaen. 
Wi houden desen crommen pat, 
Gi sult noch heden werden sat , 

635 Salt na minen wille gaen , 

Gi ault noch heden hebben, sonder waen. 



15-iaEade sprac: « oom, waer« dio taaby Réchte IruWe moet mnmer schinen, 

DuMlnt nobel, ak die honich ty. Die ie myt gmnten tot u drage. 

22 Deze woorde Brami seer wel beqnamen , Ie en weet onder alle mijn mage 

23 End loech dat hi wel na acreyde. lïyement , dair ie my du8 om moyde. > 

24 Doe docht Reynaert ende seide : De«6 dancte hem Brunn, want hem yer- 

25 Valt my ie salt u noch huden laten. Dat hijt maecte also lanck. (noyde 
32-33 Hoe qualic dat ie oeo mach gaen; Nu ga wi , oom, enen snellen ganck , 

Ie moet door uwen wil pinen. Ende Tolcht my na al desen pat. 



V' 615 HeU marsy vermaerde held. — 620 Bequame, aengenaem. 
— 621 Waren hem zoo zacht > loo goed. — 626 Te maten, weinig. — 
680 Hebben vrome, baet, voordeel hebben. 

Vab. 615 V' 2 Dueent nobel, duizend nobels. In de boedelbeschryying 
▼an het jaer 1377, door my uitgegeven (Mengelingen^ bl. S60) wordt 
reeds dit geld, als hier te lande zes schellingen yyf groeten vlaemsoh 
waerd zynde, vermeld. 



EERSTE BOEK. 27 

Also vele ais gi moget gedragen. » 

Reinaert meende van groten slagen : 

Dit was dat hi hem beriet. 
640 Die keitijf Bruun ne wiste niet 

Waer hem Reinaert die tale keerde, 

Die hem honidhi stelen leerde, 

Dat hi wel sere sal beoopen« 

Al sprekende quam dus gdopen 
645 Reinaert met sinen geselle Brune , 

Tot Lamfroite , bi den tune. 

Wildi horen Tan Lamfreidc? ^T^ul] 

Dat was , eist waer, so men mi seide , 

Een temmerman van goeden love , 
650 Ende hadde bi sinen hove 

Ene eeke brocht utèn woude, 

Die hi ontwee clieven soude , 

Ende hadde twee weggen daer in geslegen , 

Also temmermans noch plegen. 
655 Die eeke was ontdaen wèl wide, 

Des was Reinaert harde blide. 

Te Brunen sprac hi , ende loech: 
' <i Siet hier u grote gevoeoh, 

Brune, ende nemet wel goom! 
660 Hier^ in desen selren boom.. 

Es honichs utermaten vete; 

Proeft, of gijs in uwe kefe 



39-46 Dit was dat hi hem behiet ; Quamen. Doe Terbüda hem Brumi ; 

" Her die ketijff en verscyndea niet Her, het is die alto getciet , 

Wair Reynaert die tael weynde: Dat hem die mennich yerblijt om niet. 

Hi Tolchde na, recht ala die blynde, 52 Die hi dea anderen dagea cloyen aoude. 

Die hem inden put laet leyden. 55 Ende had een eynd ondaen wide. 

So lang gingen ai onder hem beyden 57 Want dat wa8 recht na 8ljn begeer. 
Dat ty tot Iantfreit8, bynnen den tumi 58 Al lachende sprac hi totten beer. 



V' 689 Beriet, aqaraedde. — 6^(0 Die keitijf, die oogpbUqge, fr. 
chetif. — 646 Tune, imn. ^ 6S1 JEeke, eikenboom. — 6S9 Neem 
wel acht. 



28 REINAERT 

Ende in uwen buuc moget lu'ingen. 
Nochtan suldi u selven dwingen; 

665 Al dinket u goet die honichrate , 
Etet te seden , ende te maten , 
Dat gi u selyen niet Terdervet , 
Ie ware onteert ende ontervet, 
Wel soete oom , misquame u iet. » 

670 Brune sprac : « Reinaert , ne sorget niet. 
Waendi dat ie bem onvroet. ? 
Mate es tallen apele goet* » 
« Gi secht waer, aprac Reinaert, 
Waer omme bem ie ooc vervaert? 

675 Gaet toe , ende crupet daer in ! » - 
Bruun peinsde om sijn gewin , 
Ende liet hem so yerdoren, 
Dat hi thooft over die oren 
Ende die twee yoordere Toete in stac> 

680 Reinaert pögede, dat hi brac 
Die weggen beide, uter eeken. 
Die daer te voren ginc so smeken , 
Bruun , bleef gevangen in den boom. 
Nu hevet de neve sinen oom 

685 In boosheden brocht met suiker achte, 
Dat hi met liste, no met crachte , 
In geere wijs ne can ontgaen , 
Ende bi den hoofde staet gevaen. 
Wat raeddi Brunen te doene? 

690 Dat hi was sterc ende coene 



60 Neemter ummer niet boven maten ^ 81 Die beitelen beide untter eken. 

67 So dattet uwen live yet deert ; 82 Daer en halp Bruun achelden noch sme- 

68 Want ie wair daer mede onteert. (ken , 
75 Gaet toe geroet en crupet in. 83 Hi bleeff geklemmet in den boom. 

80 Reynaert p\jnde hem dat hi track 85 Gebrocht myt loosheit in suiker achten. 

V' 685 Ackte, hechtenis, geyangenhouding ; doch eigenlyk perse- 
cuHoj proscripHo. Zie GiKhXÏs Sprachschats , l ^ hh 109. — 687 Geere, 
geenre, geender* 



EERSTE BOEK. 



29 



Sal hem niet gehelpen mogen. 

Hi sach wel, hi was bedrogen: 

Hl began briesschen ende dulen ; 

Hi was gegrepen bi sier muien 
695 So raste, ende bi den roeten roren , 

Al dat hi pijnde was rerloren ; 

Hine waende nemmermeer ontgaen. 

Van rerre was Reinaert gestaen 

Ende sach comen Lamfreide, . 
700 Die op sinen hals brochte beide 

Een scarpe haex ende ene baerde. 

Hier moogdi horen ran Reinaerde , 

Hoe hi sinen oom ging rampineren: 

cc Oom Brune, raste gaet mineren! 
705 Hier comt Lamfroit, ende sal u scinken ; 

Haddi geten, so souddi drinken. » 
Na der talen so ginc Reinaert 

Weder te sinen castele waert , 

Sonder orlof ; ende mettien 
710 Heret Lamfroit den bere rersien, 

Ende rernam, dat hi was geraen. 

Doe ne was daer geen langer staen. 



[leinoke,!, 
4, V« 301.] 



93-06 Hi began te haken ende te holen , 
Ende mitten a&tersten Toet te trappen, 
Ende maecte so g^oot geluut , 
Dat lanfreit mitten haeat qoam uut $ 
Ende hem had wonder wat wesen moch- 

te. 5 
Enen «cerpen haeo hi myt hem brochte, 
Op ayentuer oft wair noot. 
Bmon lach in anxte groot , 
Ende die clove, die hem so neep ! 
Hi tooch, hi worstelde ende peep ; 



Mer dat was pijn om niet gedaen. 
Hi en waende mnnmer meer tontgaen. 
Reynaert die sach Tan Terre toe 
lanfreit comen , ende sprac doe r 
aBmun , ist honich goet? hoe staetf 15 
Etes niet te Teel , het waer u quaet ; 
6i en soud te hoTe niet mogen gaen. 
Hier coemt Lanfreit : hi sal u slaen , 
Saennu schencken, haddijs gegeten bet: 
Het is goet dat men die spise wdnet. 20 
Mit deser talen ghinc Reynaert. 



Y' 69S Duhm, dol worden. — 696 P^nde, moeite deed. — 701 
Boerde^ handbyl. — 70S Rtmpinereny bespotten, fr. ramponner* — 
704 Hoaw toch wat op! Mineren is Terminderen, en niet eingraben, 
gelyk GKnn dacht. — 710 Venien, bespeurd. 

Var. 69S HuUen, brullen, tieren. — 2 Afstersten, achtersten. -^ JO 
Nety nat maekt, beTochtigt, afwascht. 



30 REINAERT 

Hi liep wedhi metter haest 

Daer fai die hulpe *wi«te naest : 
715 Daer dat naeste dorp stont, 

Ende dede hem allen cont , 

Dat daer stont g^yaen een beré. 

Doe Yolchde hem eea mekel here. 

Int dorp ne bleef man no wijf, 
720 Den bere te nemene sijn lijf, 

Liept al dat lopen mochte. 

Sulc wad, die enen bessem broehte ; 

Sulc enen Tlegel ; duik èen rake ; 

Sulc quam gelopen met enen stake , 
725 So si quamen van baren werke. 

Selve die pape van der kerke 

Broehte enen eruusstaf , 

Ke hem de coster node gaf. 

Die coster droech eene vane 
730 Mede te stekene ende te slane. 

Des papen wijf, vrouwe Julocke , 

Quam gelopen met haren rocke , 

Daer soe omme hadde gesponnen. 

Voor hem allen quam geronnen 

15*25 Ende riep aldoe mitter hae»t : Lanfreit Tolchde e^ groot heer. 

c lo mijn l|off i8 een beer geT«en ! > Sulc droecli een loet , sulo een raeck, 

Dese maer 8pranc uut wel saen. Sulc ean beaom i wIq ^en twijttneek 

In doirp en bleef oec wy f nocb man ; Ende sulc een vlegel «ut agn wpr^ 10 

EUic liep al dat hi lopen can , 5 34r37Daer quamen tulcke qaenen geronnen, 
Ende droegen myt hem haepr weer. Die nau van onder had twee titnde. 

Y* 718 lïem, hun. — 718 Mekel ^ groot, machtig; in het Leven van 
Jeêus , uitgegeven door prof. Meter , bl. 56 : Migel geschrevent Meche- 
len beteekent dus de groote of machtige stad. — 720 Den, om den. 
— 72S Rake, anders rakel, een yzeren staef waer men het Tuer mede 
oprekelt, waervan het fr. r&ch en rMer. — 722 Boeh, spiarok» 
spinrag. 

715 V*6 Weer, geweer, wapentuig. — 9 Twyataeok, gstfel, twee* 
tandige vork. •— 784 Quenen , oude vrouwen ; waertoe het engebche 
queen. 



EERSTE BOEK. 31. 

735 Lamfroit met eere scarper hax. 

Al hadde Bru&e lettel gemax ^ 

Hi ontsach meer ongeval , 

Ende sette alle jegen al. 

Doe hi dat geruchte hoorde , 
740 Hi spranc op , so dat h^n scoorde 

Yan sinen ansidite die huut. 

Al brochte Brune dat hooft uut 

Met arbeide ende met pinea, 

Nochtan liet hi daer yan den sinen 
745 Ene oore , ende beide sine lier. 

Kie maecte God so leelic dier 1 

Hoe mochte hi seerre sijn misrocht? 

Al haddi thooft ute brocht , 

Eer hi die Toete conde gewinnen, 
750 Blever alle die claeuwen binnen, 

Ende sine twee hanscoen beede: 

Dus gerochte hi uut met leede. 

Hoe mochte hi sijn onteert meer? 

Die voete waren hem so seer, 
755 Dat hi tloopen niet conste gedogen. 

Dat bloet liep hem over die ogen , 

Dat hi niet wel conste gesien : 

Hine dorste bliren , no vlien. 

Hi sach, suut onder die sonne, 
760 Lamfroit comen geronnen, 

Htt nakede Bniim Teel scande, 53 Want hi en waende te gaen nemmer- 

Baer hi atoet in ongenfl. ( meer. 

46 Nyemanensach lelikerdier! 57-72 Ende hi en moeht van den bloede 

47 Dat bloet hem over die oren ran * (niet aien ; 

48 Al brocht hi thooft uut nochtan« ^Ende Lanfireit quam tot hem mittièn , 
01 Ende tijn mge hantscoen beide. Bie paep myt aüe sijn prochiaen , 

52 Die yaert qnam hem tot groten leyde ; Ende te steken wel gedichte, 

V' 787 Ontsach, yreesde, Toorzag. — 745 Zter, wangen, of, meer 
bepaeldelyk, het achterste gedeelte der wangen. — 746 JYïw, nooit. 
— 447 Seerre, zeerder, erger. Misrocht , misraekt, mishandeld. — 782. 
Gerockte, gerabkte. — 789 Suut, zuidwaerts. 

Yajr. 787 Y* 2 Mittien, met dien ; op dien oogenblik. 



32 REINAERT 

Daer na die priester, die here : 

(Hi quam gelopeb vele 8ere;) 

Daer na die coster metter vane , 

Daer na alle die prochiane, 
765 Die oude lieden metten jongen ; 

Daer na quam op haren stap gesprongen 

Sulke quene, die van ouden 

Cume enen tant hadde behouden. 

Wie so wille wachte hem dies ; 
770 Di^ scade hevet of verlies 

Ende groot ongeval , 

Over hem so willet al. 

Dit sceen arem man Brunen wel: 

Sulc dreichden nu an sijn vel , 
775 Die des geswegen hadde stille, 

Hadde Bruun gestaen tsinen wille. 
Dit was beneden eere riviere, 

Dat Brune, onsalichst alre diere, 

Van menegen dorper was beringet. 
780 Doe was daer lettel gedinget. 

Hem naecte ^oot ongemac ; 

Die een sloech, die ander stac, 

Die een sloech , die ander warp : 

Lamfroit was hem alre scarpst. 
785 Een, hiet Lottram lancvoet, 

Hi droech enen verboorden cloet , 

op dat hooft , ende bi «ija aensichie. 5 Ende ludolf mitter breder nese : 

Hi ontfinck mennigen tteeck ende tlach; Seer wreet waren hem al deae. ,■ 5 

Daer bi irachs hem wie 80 mach. Die een had een verheven cloot, 

Heeft een acande ende ongeval , Die ander een lootwerper groot , 

Qyer hem ao wil dat volc al. Dair hi al om mede ghinc aUngeren.. 

74-18 Si waren hem alle hard ende fel. Her Bertout mitten langen vingeren, 

Dair wasser geen «o cleen. Lantfreit, ende Oterum lang tee : 10 

Httge mitten crommen been , Deae deden Brune seer wee , 

Y' 786 Cloet f wae^scliynlyk een stok, un long baston d saulter un 
fosséy by PiAWTTii, in zyn Thesaurus TheutoniccB linguWy verbo kheU 
Vermoedelyk is door verboorden zoodanigen stok of wapen teverstaen, als 
door de wet verbeurd yerklaerd (verboden) was. 

Var, 787 ¥• 7 Wie kan , wachte zich des ! — 774 V* 1 Langtee, langteen. 



EERSTE BOEK. 33 

Ende stacken emmer na dat oge; 

Vrouwe Vulmaerte scerpeloge 

Ginkene koken met enen stave ; 
790 Abeiquac ende mijn vrouw Bave 

Lagen beide onder die voete, 

Ende streden beide om ene cloete. 

Ludmoer, metter langer nese, 

Droech enen loodwapper an een pese , 
795 Ende ginc met al omme swingen. 

Ludolf metten crommen vingeren 

Dede hem alles te voren ; 

Want hi was best geboren, 

Sonder Lamfroit alieene; 
800 Hugelin, metten crommen beene, 

Was sijn vader, dat weet men wale , 

Ende was geboren van Absdale, 

Ende was sone vrouwen Ogernen 

Eens houtmakigge van lanternen. 
805 Ander wijf ende ander man , 

Meer dan ie genoemen can , 

Daden Brunen groot ongemac , 

So dat hem sijn bloet uut lac. 

Eade meer pijn dan dander deden ; Dete stonden al na Bninen lljff. 

Deen had een haec Tan scerpen snede , Ellic stac ende sloech , al dat hiconde. 20 

Ende dander had een lange loete. Bruun snchte ende stan myt gronde, 

Baerdeloge, ende A^esoete , 15 Ende nam dat men hem gaff. 

Ahelquack, ende ttou Bave, Die paep liet den cruus stafiT 

£nde die paep myt synen cmos stave , Dicke gaen omtrent sijn hals. 

Ende Trou Julocke , sijn wij ff; Die coster maecte hem oec xeer mals 25 

y 789 Koken y wellicht te lezen koten; Toor, hoieren; doch Scbsuiüs- 
Obeeun heeft in zyn Glossarium germanicumj hl. 840, oen verham huin 
ken, excitare. — 796 Loodwapper, in de prosa : eenen groeten loden tcap- 
pere, slingertuig ; waer over zie Kiliaen , of Van Heelu , V* ö462. — 795 
Swingen, zwingelen, slagen. — 802 Absdale, Abbatis-vallis , hy Hulst 
(Sanderds, Flandr. III, p. 258). — 804 Houtmakigge. In Vlaenderen 
zegt men igge voor het Brabandsche esse, en dus makerigge voor moet- 
sier otmakersse, — 808 Uut loc, uitlekte* 

Yae. 774 Y* 21 Stan, steende , kreunde, kermde. 

5 



34 REINAERT 

Brane ontfinc al sulc paiment 
810 Als hem eic gaf daer omtrent. 

Die pape liet den cruusstaf 

Gedichte slaen , slach in slach ; 

Ende die €OSter metter vane 

Ginc hem vastelike ane. 
815 Lamfroit quam ter «eker wilen 

Met eere scerper bilen <, 

Ende aloechene tusschen hals ende hooft , 

Dat Brune wart sere Terdoofk , 

Dat hi yerspranc van den slage 
820 Tusschen der riviere enter hage , 

In enen trop van ouden wiven , 

Ende warper een getal van viven 

In die rivier, die daer liep , 

Die wel wijt was ende diep. 
825 Des papen wijf wasser ene , 

Des was spapen bliscap clene. 

Doe hi sijn wijf sach in die vtiet , 

Doene luste hem langer niet 

Bruun te stekene no te slane. 
830 Hi riep : « Siet , edele prochiane , 

Ginder vlot vrouwe Julocke , 

Beide met spillen ende met rocke. 

Nu toe , die haer helpen mach ! 

Ie geve hem jaer ende dach 

Mitter vanen , die lii myt hem bracbte. Een worp gemueten , ende ontttaen. 

Mer lantfreit maecte tmeeate crachte; Voor bem allen spranc doe saen 35 

Want hi waa die edelste van geboorten : Lanfreits bnieder, myt eenre ameyde, 

Vrou Julocke Tander after poorten Dien hi Branen opt hooft leyde , 

Was sijn moeder , ende »ijn vader 30 Ende gaff hem enen groten slach , 

Was Hacop die stoppel maker; Dat hi en hoorde noch en sach. 

( Een stout man daer hi was alleen I ) 31 Ghinder drij fft vrou Julocke , 

Bruun most van mennigen steen 32 Beide myt pelse ende myt rocke. 

¥•810 Gedichte y met dicht op elkander volgende slagen. — 83S 
JVüêserene, was er een van. — 8d4-8S6 In Reineke roept hy: « Twee 
tonnen bier geef ik n ten besten, en daer nog een deel aflaten by! » 

Var. 774 ¥'84 Gefnueten, ontmoeten. — 36 Ameyde, hammeiboom. 



EERSTE BOEK. 



35 



835 Vol pardon ende aflaet 
Van alre sondeliker daet. » 

Beide man ende wijf 
Lieten den armen keitijf 
Brune liggen over doot, 

840 Ende gingen , daer die pape geboot , 
Beide met stringen ende met haken. 
Die wile dat si die vrouwe uut traken ^ 
So quam Brune in die riyiere 
Ende ontswam hem allen sciere. 

845 Die dorperen waren alle gram : 

Si sagen , dat hem Brune ontswam , 
Dat si hem niet mochten volgen; 
Opt oever stonden si verbolgen , 
Ende gingen na hem rampineren. 

850 Bruun die lach in die riviere , 

Daar hi vant den meesten stroom : 
AI drivende bat hi , dat God den boom 
Moeste verdoemen ende verwaten ^ 
Daer hi sijn ore in hadde gelaten , 

855 Ende beide sine lier. 

Voort vloecte hi dat felle dier, 
Den bosen vos Reinaerde , 
Diene met sinen brunen baerde 
So diepe in die eeke dede crupen ; 



35 Vol pardoen ODderecbt oflaet. 

41-60 AUBraun sach dat die lieden 
Altemael van hem scieden , 
Ende trecken gingen over dat oude wijf^ 
Spranc hi int water, heen ginc hi driyen 
Ende awimmen metten live. 5 

Doemaecten die dorpers groot geruchte. 
Hi dreef heen myt crancker luste, 
Ende 8i liepen hem na «eer gram : 
Dat was om niet j want hi ontquam. 



Des waren die d<Mrpers tongemake : 10 
Sy riepen hem na myt leliker sprake : 
< Goomt hier, keer weder, oorloos dieif!» 
Dan Bruen swam, dair hi besief 
Den meesten stroom, ende lietse kallen, 
Tot dien dat hem was gerallea. 15 

Hi was blide dat hi ontginck. 
Hi Tlocte den boom die hem so tinck, 
Dat hi dair beide sijn oren liet ; 
Ende Reynaert mede , dien verriet , 



Vae, 841 ¥• 13 Bewfj bezefte, ontwaerde. — 18 Wegens het 
voorgeyallene, het aen hem gebeurde. 



36 REINAERT 

860 Daer na Lamfroit^ van der stupen 

Dar hi hem so leede dede. 

In aldustanen gebede 

Lach Brune also lange wile , 

Dat hi wel een halye mile 
865 Van der stede was gedreven , 

Daer die dorpers waren bleven. 

Hi was verpinet ende moede , 

Ende ondercomen van den bloede, 

So dat hi hadde cranke vaert. 
870 Doe swam hi te lande waert , 

Ende croop liggen in dat oever. 

Gine saget noint droever 

Geen dier, no geenen man. 

Hi lach jamerlik , ende stan , 
875 Ende sloech met beiden sinen lanken : 

Des mochte hi al Reinaerde danken. 

Nu hoort wat Reinaert heeft gedaen : ^7^^ ws.i 

Hi hadde een vet hoen gevaen , 

Bi Lamfroits , an der heiden , 
880 Eer hi danen was versceiden : 

Hi hadt op enen berch gedregen , 

Verre uut allen wegen , 

Daer het eenlic was genoech. 

Dat was wel sijn gevoech , 
885 Dor dat daer was niemens ganc , 

Ende hi dor niemens bedwane 

Eade so diep in dede cnipen, 20 74 Hi croonde «eer ende 8tan. 

Dair hem Lanfreit Taoc ter stupen. 80-83 Dat hi heymelic myt hem droech, 

71 Ende ginck leggen rusten op ten oeyer. Buten weechs, daerteenUcwas genoech. 

Y' 860 F'an der stupen ^ wegens de stuipen, de slagen. Zie Riu&en op 
ket woord. — 868 Ondercomen, bezweken. — 875 Lanken, de lejiden 
Tan een dier, tVta. — 879 Bi Lamfroits. Opmerking verdient , dat men 
in Ylaenderen gewoon is te zeggen te Jannes , te Pieters , te F'an de 
Veldes, enz. in stede Tan: by Jan of ten kuise van Jwn^ enz. — 88S 
Eenlic, eenzaem. 



EERSTE BOEK. 37 

Sine proie dorste rumen. 

Doe hi dat hoen toten plumen 

Hadde gelèit in sine male , 
890 Doe giuc hi neder te dale 

Enen yerholenlikèn pat. 

Hi was utermaten sat; 

Dat weder was scone ende heet; 

Hi hadde gelopen , dat hem dat sweet 
895 Neder liep neven die liere : 

Daer omme liep hi ter riviere , 

Dor dat hi hem vercoelen soude; 

In bliscap harde menich foude 

Was sijn herte doe bevaen : 
900 Hi hopede wel, al sonder waen , 

Dat Lamfroit hadde den bere versiegen , 

Ende hine thuuswaert hadde gedregen. 

Doe sprac hi : cc Hets mi wel gevaren ! 

Die mi te hove meest soude daren , 
905 Die hebbic doot in desen dage; 

Nochtan wanic sonder dage 

Ende sonder wanconst bliven : 

Ie mach te rechte bliscap driven. » 
Doe Reinaert was in dese tale , 
910 Sach hi neder waert te dale , 

Ende vernam Bruun , daer hi lach; 

Ende ten eersten^ als hine sach, 

7 Ende sonder 'wahgunsten bliTen. Ende sach "wair Bruun heh die beer. 

9-21 Recht myt deten tach Reynaert Doe bedroefde hi hem al te seer^ 

Ileder, ter riyieren waert , Bat hi te Toren was Terblijt. O 

V' 887 Rumetiy verlaten, — 889 Mak. Ik lieb dit al te letterlyk vciv 
taeld: Na hy 't kieken had gepluimd en gestoken in syn sak. Hét V' 893 
toont aen , dat male hier figueriyk voor «tto^e genomen is. — 897 Dar, 
voor OW, gelyk meermalen . — 904Z>orö«, deren. — 907 PTanoanst, 'tzelf- 
de als wancoêtf doorKiLiAiN vertaeld suepidoy selotypia; van wanoonnen, 
kwaedwillen (men kent de verwisseling van hy canst, hy kost^ hy kon, 
enz.). Zoo zeide men : iemant toancast draghenyYoor met iemand in vete 



38 REINAERT 

Hadde hijs rouwe ende toren. 

Daer die bliscap was te yoren 
915 Daer lach in toren ende nijt , 

Ende sprac : c< Yermalendijt , 

Lamfroit , moet dijn herte sijn : 

Du bist dulre dan een swijn , 

Lamfroit, erger puten sone , 
920 Lettel eren bistu gewcme. 

Hoe es di dese bere ontgaen , 

Die di te voren was geyaen ? 

Hoe menich morseel leget daer an ^ 

Dat Qerüe etet menich man ! 
925 O wi , Lamfroit, verscroven dr uut , 

Hoe rikelike een berehuut 

Heefetu heden verloren , 

Die di gewonnen was te voren ! » 
Dit scelden hevet Reinaert gelaten , 
930 Ende ginc neder bi der straten , 

Dortesiene, hoet Bruun stoet. 

Doe hine sach liggen , al een bloet , 

Nu heeft hi toom , had ende nijt , Di aldus hebs laten ontgaen ! 

Daer eerst genuecht ende bliscap was. 27-34 Hebste verloren in desen dage. 

< Och onbekende onsalich dwas , Dus sceldende , ende myt dees clage 

Vuyl keerl Lantfreit , sprac hy, Is Reynaert ter rineren comen , 

So wair du biste God scheyndi, 10 Dair hi Bruun heeft Temomen , 

Dattu dus goede spise , dus vet , Gewont , bebloeyt , sieck ende cranck. 5 

Die mennige man so geme et , (Des mocht hi Reynaert weten danck!) 

staen. By DtmcL, Mémoires sur hs hts des Gantois, I, p. 10, leest men een 
Zoenbrief Tan het jaer ISöS over zekere ieuncosten, aetscepen ende gramr- 
scepen, 

V* 918 Toren, verdriet. — 919 Puten sone, hoerenkind. — 92S 
Morseel, fr. Morgeau, — 925 Owi, oei ! P^erscroven druut, schnrkschedruit» 
Dit laetste woord is niet te vertalen. Druii was een schrikbeeld voor 
kinderen, een heks; doch eigenlyk komt het woord van Drui of Trui 
(Tii|^), waarvan ook onze naem Trui» Zie Grikh's Deutsche Mythologie, 
bl. S88, Ö86. P^erscroven stamt van verschruiven, waertoe sehruyve, 
hetwelk by Kiliabn voor scurra en nebulo is aengeteekend. 

Vab. 909 Y' 10 Scheyndi, schende u. 



EERSTE BOEK. 39 

Ende siec ende ongesont, 

Den armen beren te dier stont , 
935 Dat sach Reinaert harde gerne , 

Doe bescalt hine te sinen scerne : 

« Sire priester, dieu vo saut! 

Kendi Reinaert, den ribautP 

Wildine scouwen , so siettene hier, 
940 Den roden scaic, den feilen gier ! 

Segt mi , priester, soete yrient , 

Bi den here , dien gi dient , 

In wat ordinen wijdi u doen , 

Dat gi draget roden capproen? 
945 So weder sidi abd, so prihore? 

Hi ginc u harde na den ore 

Die u dese crune heyet bescoren! 

Gi hebt uwen top verloren; 

Gi hebt u hanscoen af gedaen ; 
950 Ie wane, gi wilt singen gaen 

Yan uwen complete dat getide ? >> 

Dit hoorde Brune, ende wart onblide, 

Want hine conste doe niet gewreken: 

Hem so dochte sijn herte breken, 
955 Ende sloech weder in die riviere. 

Hine wilde van den feilen diere 

Nemmeer horen die tale. 

Hi liet hem neder daer te dale 

Metten strome driyen te bant, 

41-42 Hebdi tot lantfreits yet vergeten ? Lie^e , segt my , eer ik loop. 

Ik wilt hem gern laten weten. 45 Wair sidi monick of sidi abt? 

Hebdi hem oec niet wel betaelt, 46 Hi heeft al na uwen oren gehapt. 

Sijn honichraten , die gi hem staelt? 53 Wat mocht hi doen? hi en kondaniet 
Dat is u een lelike saeck ! wreken : 

Wast honich oec van goede smaeck? W Hi liet hem synen spreken, 

ïc weeta noch meer in den sehen coop. 59 Hitten stroom an dat ander lant. 

V 986 Besealiy beschold; van uitschelden. — 9S7 P^o saui , vou» sanve. 
—'945 Zyt gy of abt of prioor? PFeder is een tegenstelling, faoogd. 
eniweder. 



40 REINAERT. 

960 Ende ginc liggen op dat sant. 

Hoe sal nu Brune te hove comen? 

AI mocht hem al die werelt vromen , 

Hine ginge niet oyer sine voete. 

Hi was genoopt so onsoete 
965 In die eeke, daer hi te yoren 

Van tween voelen hadde verloren 

Alle die claeuwen, ende dat vel. 

Hine cojDste niet gepeinsen wel , 

Hoe hi best ten coninc gaet. 
970 Nu hoort hoe hi die vaert bestaet. 

Hi sat over sine hamen , 

Ende b^an, met groter scamen, 

Rutsen over sinen staert; 

Ende als hi dus moede waert , 
975 So wentelde hi dan ene wile. 

Dus dreef hi meer dan ene mile , 

Eer hi tes coninx hove quam. 

Doe pien Bnine vernam 

In derre wijs van verre comen , 
980 Wart getwifelt van hem somen , 

Wat daer quain gewentelt so : 

Dien coninc wart dat herte onvro , ^ n^ro.] 



60-70 Nu Ut hem zeer zorchelic bewaat Doch most hi die vaert bestaen, 

Hoe hi te hove comen sal ; Ende al en wist hiet niet wel hoe. 

Want hi had Terloren al Nu hoort hoe hi hem eerst ginc toe. 

Bat Tel van beiden yoeten Toren , 79 AIso berecht Tan Terre comen 

Ende die claeuwen , ende die oren. 5 80 Wart dair getwifelt Tan den Tromen. 

Al sloech men doot hi en cond niet gaen; 82 Die coninc Terkenden , ende was tto. 



V' 962 F^romeny baten, te baet zyn. — 971 ffanien, knien; doch 
hier Tedeer hammen, hespen, billen. — 973 Rutsen, rotsen, slibberen. 
— 979 Derre, dier, dergelyke. — 980 Fan hem somen, door som- 
migen van hen. 

Vaa. 960 Beicant. Buderdtk yerklaert het woord door ht (Nieuwe 
.verscheidenheden I , bl. 139) ; doch ik denk dat het hier en by hem moet 
genomen worden voor hewend, gekeerd. Zie hier achter V* 1680. 



EERSTE BOEK 41 

Die Brune bekende te hant , 

Ende seide : « dit es mijn seiiant 
985 Brune , hem es dat hoofit so root , 

Hi es gewont toter doot; 

Ai God, wie heeftene so mismaect? » 

Binnen desen so was Brune genaect, 

Dat hi den eoninc elagen mochte. 
990 Hi stan, ende yersuchte onsochte, 

Ende sprac : c( Goninc , edel here , 

Wreket mi dor u selyes ere 

Oyer Reinaerde, dat feUe dier, 

Die mi mine scone lier 
996 Met siere list yeriiesen dede , 

Ende daer toe mine oren mede, 

Ende heyet mi gemaect, als gi siet ! » 
Die eoninc sprac : f( Of ie dit niet 

Ne wreke so moetic sijn yerdoemt ! » 
1000 Ende hier na so heVet hi genoemt 

Alle die hoochste bi namen, 

Ende ontboot, dat si quamen 

Alle gader an sinen raet. 

Doe rieden si hoe dese daet 
1006 Best werde gerecht, tes coninx ere. 

Doe rieden die meesten heren , 

Dat men twee weryen dagen soude 

Reinaerde , oft die eoninc yroude , 



85 Wie heeft hem thooit gemaect to root? Heer Bniun , ik en sel u'schoon 

87 In wat gelage is hi geraect? Wreken; gi sela my weten danck. » 

95-13 yerlieten dede bi synen rade. Doe ghinc hi wilen lanck 

Die eoninc sprac : « Heer God, genade, Te rade myt alle sijn baroen, 

Hoe dorst dit doen die felle Reynaert? Te wreken Eeynaerts grote ondaet. 10 

Hummermeer en moet ie sweert Doe droech oyer een die raet, 

Gorden aen my, noch dragen croon, 5 Beide jonck ende oud, 

Y' 98S Te ham, thans. — 984 Seriant, dienaer. 
Vab. 996 V' 8 FTihn lonkf eene wyle lang. — 1 1 Toen kwaat de rsed 
OTereen. 

6 



42 REINAERT 

Ende horen tale ende wedertale. 
1010 Ooc seiden si , si wilden wale 

Dat Tibert, die cater, van desen 

Tote Reinaerde bode soude wesen : 

Al ware hi erane , hi ware vroet, 

Dese raet dinct den coninc goet. 
1015 Doe sprac die coninc : cc Here Tibeert [^'y'*'!»*! 

Gaet wech ! eer gi weder keert , 

besiet , dat Reinaert met u come ! 

Dese heren seggen some, 

Al es Reinaert andren dieren fel, 
1020 Hi gelovet u so wel, 

Dat hi gerne doet uwen raet. 

En comt hi niet , hets hem quaet. 

Men salne drie werven dagen , 

Te lachtre alle sinen magen. 
1026 Gaet Tibert, dit secht hem ! » 

cc Ai here , sprac Tibert, ie bem 

Een arem wicht, een clene dier. 

Here Brune , die sterc was ende fier, 

Ne conste Reinaert niet gewinnen : 
1030 In welker wijs sal ics beginnen? » 

Doe sprao die coninc: cc Here Tibeert , 

Gi sijt wijs , ende wel geleert ; 

Al sidi niet groot^ nochtan 

Hets menich , die met liste can 

Dat men anderwerff ontbieden 80ud, « Ay, heer coninck, die u dit raden 

Dat hi ummer te hoye quame, En hebben niet lieff mijn Trome. 

Ende recht gave ende name 15 Wat sal ie doen als ie dair come? 

Van allen eyssche^ ende van alre clage , Door my en doet men of en laet. 5 

Ende Tybaert , die cater, die boodscap Seynt dair een ander, dats mijn raet, 

Tot Keynaert , want hi is vroet. (drage Want ie bin een cleyn dier. ' 
25-27 Ende over Wm rechten myt ongena- 33-45 Al en sidi niet groot, wats dan? 

( den. > Het is mennlch die myt listen can 

V' 1009 Tale ende wedertale, rechtsterm; en daerom hiet eén advo- 
kaet by onze yoorouders taelman. — 1018 Al was hy (de kater) zwak, 
hy was toch slim. — 1024 Tot schande toof al zyne magen. 



BI. 42. 




1'cM dU F^££yJefyM^. ü vnviJ 



^ 



AI iriu anieten Stèren ^ 



EERSTE BOEK. 43 

1035 Dat werken , ende inet goeden rade, 

Dat hi met crachte niet ne dade. 

Gaet , doet sciere mijn gebod. » 

Tibert sprac : c< Nu helpe mi God , 

Dat het nu moete wel vergaen! 
1040 Ie sal ene yaert bestaen, 

Die mi doet swaer in minen moet : 

God geyere mi af al goet ! » 
Nu moet Tibert doen die vaert , 

Die sere es droeve ende vervaert. 
1045 Ende als hi op den wech quam , 

Sach hi van verre ende vernam 

Sente M artins vogel , die quam gevlogen. 
. Doe wart Tibert vro , ende in hogen , 

Ende riep : cc Al heil , wil God , edel vogel ! 
1050 Kere herwaert dinen vlogel , 

Ende vliechte mier e rechter bant! » 

Die vogel vlooch , daer hi vant 

Een hage , daer hi in wilde Uden , 

Ende vlooch Tibert ter luchter siden. 
1055 Dit teekin ende dit gemoet 

Dochte Tibert niet wesen goet. 

Hadde hi gesien den vogel liden 

Scone ter rechter siden , 

Heer dain sulc myt cracliten doet. » Die vogel ylooch ende nam «ijn lij de 

Tybert sprac : « Na dat wesen moet Op enen boom, die hi dair yant, 

Heer, so moetics bestaen. 5 Ende vlooch Tybert ter luchter hant. 

Te goede so moetet my vergaen. 5&-60 Dit maecte Tybaert quaet gemoet , 

Her, my is harde swaer te moede. > Ende hi ducht te hebben onspoet. 

Tybert maecte hem wech myt spoede, Her had die vogel ter rechter side 

Ende tooch te Mapertuus waert , Gevlogen, so wair hi blide, 

, Dair hi sel vijnden Reynaert. 10 Ende van goeden geluc in waen, 5 

51-54 Ende vlichttot mijnre rechter zide. Des hi nu is al ontgaen. 

V* 1041 Doet swaer^ zwaer. (-moedig) maekt. — 10-17 Sente Martina 
vogel ^ de kraei, en volgens sommigen de gans. — 1048 Toen werd Ti- 
bert vrolyk en yerheugd {in hogen). — 1054 Luchter^ linker. — 1055 
Gemoet f ontmoeting. 

Var. 1051 V 2 Lyde, liden, trek, tocht. 



U REINAERT 

So waeodi hebben goet ^val ; 

1060 Nu was hi dies oathopet al. 

Nochtan maecte hi hem sdyen moet , 
Ende getiet hem , als meBich doei , 
Bet dan hem te moede was* . 
Dus liep hi henen sinen pas^ 

1066 Tes hi quam Ie Maupertuus^ 

Ende vant Itónaerde in srfn huus 
Allene staen , Terwendelike. 
Tibert sprae : « God , die rike , 
Moet u goeden aront geven ! 

1070 Die coninc dreicht u au u leven ^ 
Ne comdi niet te hove mei on! » 
Reinaert sprac : « Tibot , belet yri , 
Neve , gi sijt mi willecome ; 
God geve u ere ende vrome : 

1076 Bi Gode , dat jan ie n walel 



Wat coste Reinaerde scone tale? 
Al seget sine tonge wale 9 
Sine herte die es faumen fel. 
1080 Dit wert Tiberde getoget wel^ 
Eer die line virert gdesen 
Ten ende ; ende met dcsen 
Sprac Reinaert : « Neve , ie wille dat gi 

6& Dan hem dat bert van binnen was. Willen vrl beide, te hove waert; 

80 Dat «el wel scbinen eer si sceiden : Her tavent wil ie sijn u weert. 

Reynaert sprac: « Ifeire, onder ons beiden 

V' tOeS Tes, verkort van to des, anders tot dies, tot dat. — 1067 
Verwendefike , in luisterlyke houding , met pracht. Zie Mstse's uitgave 
Tan het Leven, van Jesus, uit de dertiende eeuw , bL S92. — 1068 Dvb 
rike, de machtige. Zoo zei men gewoonlyk by uitroeping: ryh God! 
(D^us potenftt) — 1070 Hektvri, TryehelÜ; gpslykiB Y* 61S, en hier ach- 
ter V* %%k\^ Wat men door vti verstond, he)^ ik aengewezen op Vah Hshv 
Y*764. — 1075 /«*, jonde, gunde. — 1080 G^e^, getoogd, 
getoond. — 1081 , 1082 Eer de linie ten einde wievd g^Lnen 
woord; van de school ontleend, waer de botte teerling, itiet de plak 



EERSTE BOEK. 45 

Tavont berberge hebt met mi , 
1085 Ende morgen wiUen wi^ metten dage y 
Te hoTe waert, sonder aage. 



In hebbe ooc onder alle nune mage 

Niemen , Tibert, daer ie mt nu 
1090 Bet op verlate ) dan óp u. 

Hier was comen Bruun , de Traet, 

Hi toochde mi so fel gelaet, 

Ende dochte mi so overstarc, 

Dat ie , omme dusent mare j 
1095 Den weeb met hem niet hadde bestaen: 

Dat sal ie met u , al sonder waen , 

Morgin metter dageraet. » 

Tibert sprac : « Hets beteren raet ^ 

Ende het dinct mi beter gedaen , 
1100 Dat Yfi noch tavont te hove gaen , 

Dan wi tote morgin beiden. 

Die mane soinet an der heiden 

AIso claer alae die daeh. 

Ie wane niemen ne sach 
- 1 105 Beter tijt tole oMer vaert. » 

c( Neen, lieve neve, $pnc RetMert, 

Sulc mochte ons [bi dage] gemoeten ^ 

Hi soude ona qnedden ende groeten , 

96-01 Her neye ie wil wel myt u gaen. Tybert tprac : « twair beter dat wi 

Horgen mitter dageraet : Nu te hant gaen , dat dunoket mi , 

Dat dunct my d&a besten raet. Te hoTO waert , onder on» beiden. 

gestraft wordt, eer hy zyn linie heeft uitgelezen. Mork ziet er eene zin* 
speling in op het reciteren yan psalmversen in de kerken {Anjuiger fêr 
Kunde der TeuUchen rorxeü, 1835 , bl. o^). 

y* 1086 Sonder sage, zonder verdichting (het is .geen fabel!). Zoo 
ook ia Karet en Ekgoit, Y' 45^, waer HorfiAim het verkhert door : êine 
fahukty f. e. teeem^ — 11 OB Q^wcMruj aenspr^en, craddahscli fuetian, 
aagtlsaxisch Cioeiium, en o«d nedeithiitisch quethan {Niederdautêohê 
Pêdhnenam der KaroUnger ZeU, ed. Yew mk Haqbü, bl. 16). fitfmiüiiA 
neemt het woord Toor groeten, in JFloris en Blanchefloor, Y' 2064. 



46 REINAERT 

Die ons nemmermeer dade goet, 

1110 Quame hi snachts in ons gemoet. 
Gi moet herbergen tayont met mi, » 

Tibert sprac: « Wat souden wi 
Eten , Reinaert , of ie hier bleve? » 
« Daer omme sorge ie , lieve neve. 

1116 Hier es der spisen quaden tijt : 
Gi mocht eten, begeerdijt, 
Een Stic yan eere honiehraten , 
Die bequamelie es utermaten; 
Wat sechdi , moehdi shonichs iet? » 

1120 Tibert sprac : a Mi ne roekes niet. 
Hebdi [anders] niet in huus? 
Gayedi mi ene yette muus , 
Daer mede lictic u gewaert. » 
c( Eene yette muus ? sprac Reinaert , 

1125 Soete Tibert, wat sechdi? 

Hier woont noch een pape bi , 
Een scure staet an sijn huus , 
Daer in es menege yette muus : 
Ie waense niet gedroege een wagen. 

1130 So dicken hore ie den pape clagen , 
Dat sine driyen uten huse. » 
c< Reinaert , sijn daer so vette muse? 
Vergave God, wier ie nu daer! » 
«Tibert (seithi) sechdi waer? 



17 Goede Tette honich raten , 29 Dat si niet dragen «oude een wagen. 

18 Versch ende goet boven maten. 31-33 Dat si hem doen so groten scade!» 
20 Tybert sprac: «ie en machse niet, « Och, Reynaert neve, op genade, 
23 Daer mede wair ie wel bewaert. Ende op truwen , leit my daer! » 



y* 1115 Hier is het thans maer kwaden tyd , wat de eetwaren betreft. 
— 1120 Mi ne roekes niet, by my wordt het niet geacht, ik yraeg er 
niet naer. Roeken is achten; zie Glignett's By dragen, hl. 28. — 1128 
Gewaert y verzekerd, vry, d. i. waerschap of genoegdoening verstrekt 
hebbende. 



EERSTE BOEK. 47 

1135 Wildimuse?» «Of icse wille? 

Reinaert , doet dies een gestille ! 

Ie minne muse yoor alle saken. 

Weetti niet , dat muse smaken 

Bet dan ehich yenisoen? 
1140 Wildi minen wille doen? 

Dat gi mi leet daer si sijn , 

Daer mede mochti die hulde mijn 

Hebben , al haddi minen vader 

Doot, ende mijn geslachte al gader ! » 
1 145 Reinaert sprac : « Neve , houddi u spot ? » 

cc Neenic , Reinaert , also helpe ini God ! » 

cc Weet God , Tibert , wistic dat , 

Gi soutter sijn nóch tayont sat. » 

<c Sat? Reinaert , dat ware yele. » 
1150 » Tibert, dat sechdi tiiwen spele ! » 

» In doe , Reinaert ^ bi miere wet ! 

Haddic een muus , ende waer soe yet , 

In gaefse niet oinine enen bisant! » 

» Tibert , gaet met mi te hant , 
1155 Ie leide u daer, ter selyer stat, 

Daer icker u sal maken sat , 

Eer ie neinmer meer yan u sceide ! » 

» Ja ie, Reinaert, op die geleide 

Ginge ie met u te Mompelier. » 
1160 » So gaen wi dan; wi sijn hier 

35 Wildy musen myt goeden ynüe? 50 Tybert, ie waen gi segt in speel? 

41 So leid my dair die musen sijn. 54 So ga wy, Tybert, al te hant. 

47 Seker , Tybert, wist ie dat, 57 Eer ie tavont van u sceide. 

48 Ie maecte u musen tayont sat. 59 Gaic myt u , al waert te Monpelier. 

V» 1186 Reinaert, 2wyg toch stil daervan! — 1U7 Weet God, God 
weet het. — 1150 Tibert, dat legt gy tot spel? — 1151 Ik en doe, Rei- 
naert: ik zweer het by al wat my heilig zyn moet. Andere Toorbeelden 
yan dit by myne wei! vindt men in Hvtdecoper op Melis-Stoble , III, hl. 
401, en in Fhrü en BI. V 8789. — 115^ Soe, zy. — 1158 Bisant, 
Byzantisch goudstuk. 



48 REINAERT 

Al te lange » sprac Reioaert. 



Doe 80 namen ei op die vaert 

Tibert ende sijn o<hii Reinaert, 
1165 Ende liepen daerei lopen wilden; 

Dat si nie togel op bilden , 

Eer si quamen tes papen scure , 

Die met enen eerdinen mure 

Al omme ende omme was beloken , 
1170 Daer Reioaert in was gebroken 

Des ander dages daer te yoren, 

Doe die pape badde verloren 

Enen hane^ die bi bem nam. 

Hier omme was toornicb ende gram 
1175 Des papen sone Martinet , 

Ende badde toot dat gat geset 

Een stric , den vos mede te vaoe : 

Dus gerne wrake bi den bane. 

Dit wiste Reinaert , dat felle dier , 
1180 Ende sprac : « Neve Tibert, hier 

Grupet in dit selve gat : 

Ne weset trage, no lat; 

Gaet al omme ende omme gripen. 

Hoort , boe die muse pipen. 
1185 Keert weder uut, als gi sijt aat : 

Ie sal bier bliven voor dit gat, 
; ^ . j ..^ ,'. V Ende sal u bier buten leiden ; 

Wine mogen niet tavont sceiden : 

Morgin gaen wi te bove waert. 
1190 Tibert , siet , dat gi niet en spaert , 

65 Ende gingen , eer ti ophilden, 82 Ende en weest traech no mat : 

06 Tbr stat, dair si weten wilden : 83 Ghi selt dair maten bi hopen gripea. 

67 Dat wat tot dcia papen scuyer. 84 Hoort, hoe h van welicheit pipen l 

71 Opten anderen nacht te Toren. 90 Tybert, hoe coomt dat gi tpaert ? 

V» 1166 Zoo dat zy den tOHgel nooit ophielden. — 1175 MarHnei, 
zoo Teel als kleine Martyn. — 1182 Lai, let. Wees niet traeg, noch en 
Ter/efniet! — 1190 «Sjpaer^, draelt. 



BI. 49. 



I \ ^V 



'■■■/Mi-,: r^. 




^r^-f dcJ'^A'C^r/.ir^j^-'.i^a d.i^. 






EERSTE BOEK. 49 

Gaet eten ^ ende laet ons keren 

Te miere herbergen tnet eren : 

Mijn wijf sal ond wel ontfaen. » 

cc Willic te desen gate in gaen ? 
1196 Wat sechdi , Reinaert^ eist u raetP 

Die papen oonnen rele baraet : 

Ie besteeose harde node. » 

» O wi, Tibert^ twi sidi blode? 

Wanen quam uwer herten desen wanc? » 
1200 Tibert scaemde hem , ende spranc 

Daer hi vant groot ongerec ; 

Want eer bijt wiste was hem een strec 

Omme sinen hals, harde yast. 

Dus hoonde Reinaert sinen gast. 
1205 Alse Tibert geware waert s^v^^Vj 

Des strecs, wart hi vertaert, 

Ende spranc voort; dat strec liep toe. 

Tibert moeste roepen doe , 

Ende wrongede hem selyen , dor dpn noot : 
1210 Hi makede een geroep so groot 

Met enen jamerliken gelate , 

Dat Reinaert hoorde op der strate , 

Buten, daer hi allene stoet, 

Ende riep: « Yindise goet, 
1215 Die muse, Tibert, ende tet? 

Wiste nu dat Martinet 

Dat gi ter taeflen satet, 

Ende dit wiltbraet dus atet, 



96 Deet papen konnen mennigen quaet: 01 Dair hi in TOni fftcr (Toot vttdiiet. 

97 Ie bettaett nu herde nOde. » 04 Du» huutde Eeynaert «ynen |j;«tt. 

98 « Waen , Tybert, gi en waert nye blode* 1 i Hit eneo herden dtoereb geUei. 



V* 1197 Ik val «e noode aea, ik beproef te ongaerne. — 1198 Ttei, 
waerom. — UO^ Ongerec, ongemak, mishagen. Zie Hofïhaniv's Ghss. 
op Fhris en Bümckefioer, bl. 148 , en Kiuakr op Gkereke. — 1209 fVron- 
gedoy TerWtoDg. — I^KIS Dai, dat, 't. 

• 7 



[Rwneke,!, 
4, Tl 1167.] 



50 REINAERT 

Dat gi verteert, in weet. hoe , 
1220 Hi souder u saeuse maken toe : 

So hoyesch een cnape es Martinet. 

Tibert, gi singet je lancso bet: 
^ Pleecht men tes coninx hove des? 

Vergave God, die geweldich es, 
1225 Dat Isegrim daer met u vtrare 

Die felle dief, die moordenarq, 

In suiker bliseap als gi sijt ! » 

Dus heeft Reinaert groot delijt 

Dor Tiberts ongeval ; 
1230 Ende Tibért stont ende gal 

So lude , dat Martinet ontspranc. 

Martinet riep: cc Ha ha. God danc! 

Ter goeder tijt heeft nu gestaen 

Mijn strec: ie hebber met gevaen 
1235 Den hoenre dief, na minen wane. 

Nu toe! gelden wi hem den hane! 
Met desen wart hi toten viere , 

Ende ontstac enen stroewisch seiere , 

Ende wecte moeder ende vader, 
1240 Ende die kindre alle gader, 

Ende riep : cc Nu toe ! hi es gevaen ! » 

Doe mochte men sien porren saen 

Alle die in huus waren ; 

Selve die pape ne wilde niet sparen. 



21-24 So huesschen man is Hertynet. Tybart die niet en kan ontgaen, 

Tybert) my dunct gi singt als gi et? Lach so lude ende hal (sic) 

Doet mens tes heren hooff des? Dat hi thuus verstoorde al. 5 

Vergaire God, die aelmachticfa es. 37 Hit dien woorden scoot hi ten Tiere. 

28-30 So wair mijn hert seer yerblijt: 42 Doe liepen sy fterwaert wel saen. 

So die heft hi my lede gedaen ! > 44 SeWe die paep is opgevaren. 

y* 1222 Gy zingt al langs zoo beter! In de prosa staet: Ghi singket 

ende ghi et, volgens het andere handschrift. 1224 Geweldich ^ 

machtig. — 1228 Delyt, vermaek, fr. délice. — 12S0 Go// gilde. — 
1242 Porren, voortsnellen. — 1244 Sparen, achter blyven» 



EERSTE BOEK. 51 

1245 Quam ute sinen bedde , moedernaect. 

Martinet , hi was geraect 

Tote Tibert, ende riep: « Hijs hier ! >> 

Die pape spraiic an dat Tier 

Ende gegreep sijns wijfe rocke; 
1250 Een o£ferkeersse nam yrouwe Julocke 

Ende ontstacse metter haest. 

Die pape liep Tibert naest, 

Ende ginken metten rocken slaen. 

Doe moeste Tibert daer ontfaen 
1255 Wel menegen slach, al in een. 

Die pape stont, als hem wel sceen , 

Al naect , ende sloech , slach in slach , 

Op Tibert, die voor hem lach. 

Daer ne spaerdene haer negeen. 
1260 Martinet gegreep enen steen , 

Ende warp Tibert een ooge uut; 

Die pape stont al bloter buut, 

Ende hief op enen groten slach. 

Alse Tibert dat gesach, 
1265 Dat hi emmer sterven soude , 

Doededi een deel als die boude , 

Dat dien pape yerginc te scanden : 

Beide met claeuwen ende met tanden 

Dedi hem pant , alsoet wel sceen , 
1270 Ende spranc dien pape tusschen die been , 

In die burse al sonder naet , 

Daer men dien beiaert mede slaet. 

Dat dinc yiel neder op den yloer. 

Die yrouwe was serich ende swoer 

51 Ende deedte baraeo mitter haest. 69-72 Scoot hi den paep toMchen die been 

55-60 Grote slage op eiker tyden. Ende haelde hem dat een 

Mertinet spranc toe myt nyden. Van den tween , enz . 

Y' 1266 jilin een, al op eens. — 1266 Ah hem wel êceen, als het 
zich wel deed blyken. — 1269 Haer ne geen, geen van hen. — 1286 
Toen deed hy iets dat stout was. Die boude, de stonte. — 1274 Serich , 
bedroefd ; gel jk xeer nu nog imart is • 



62 REINAERT 

1275 Bi der sielen van harea vader^ 

Sine wilde MreK, om al gader 

Die offerande yan eaea jare ^ 

Dat niet d^n pape gevallen ware 

Dit vernoi eade dese 9came« 
1280 Soe sprac : « lat aketa duvela name 

Moeste dit atrec $ija geset! 

Siet, lieve [^one] Martinetv 

Dit wa$ van uwe$ vader gewande; 

Siet hier mijn seade ende mijn soande 
1285 Emmermeer voort, in allen atonden. 

Al genade hi van der wonden , 

Hi blivet ten aoeten $pele mat! >) 

Reinaert «tont noch doe voor tgat. 
Doe hi desQ ta!e hoorde , 
1290 Hi loeeh, dat hem baehten $coorde 

Ende hem crakede die taverne. 

Doe sprae hi te ainen scérne ; 

« Swiget y Julocke , aoete vrouwe , 

Ende laet sinken de^eu rouwe, 
1295 Ende laet bliven uwen toren ; 

Wattan.? al hevet u here verloren 

Eenen van den clippelen ainen , 

Al te min so «al hi pinen. 

Laet hliven deae tale aehter; 
1$00 Gene«et de pape^ en es geen laehter 

78 Ende dat dit niet gesciet en waer 84 Dit is sijn scande ende scade. 

79 Den paep die scande ende die Uame. 90 Hy loeeh, Yol na dat hi scoorde ^ 

80 Si sprac: « In des dui eU nam». ^\ Dat hem OQ^ter ctaeete sijn taverne. 

V' 1279 Vernoi y leed , jammer. Baumanw merkt hier by aen, dat men 
met datgene gestraft wardt, waèr men mede gezondigd beeft. — 1280 
In des leeden dttiyels naem. — 1282 Sone. hi den text staet neve. — 
1288 Gewande; in de andere gewade; beide woorden zyn van gelyke 
bedi^deiuii» mgmiBfaKkd toioder in-, — 1290 Hy la/ehte dat het hem achter 
«ohearde en^,. \n Vhtendeifeii ^brvtikt men noch jnci^efi iroor aehter ; 
ab B, Y. hQmktetkSoMde, — 129^1 Tektemef kroeg^ doch hier figuerlyk 
raeskamer. — 1297 Clippelen^ klepeb. 



EERSTE BOEK. 5S 

Dat hi ludet met oere doeken. » 

Dus troo9te Reinaerl vrouwe Juloeken ^ 

Die haer harde sere misliet. 

Die pape mochte langer niet 
1305 Gestaen; hi viel in onmaeht. 

Doe bie&ene op met haerre cracht, 

Eade droechene redbt te bedde waert. 

Hier binnen keerde Rdnaert 

Allene ter herberge waert, 
1310 Ende liet Tibert aere yenraCTt , 

Ende in sorgen Tan der doot. 

Ai was Tiberts aorgen groot , 

Doe hise alle onledich sach 

Over dien pape, die daer lach 
1315 Gewont , doe ginc hi hem pinen , 

So dat hi metten tanden sinen 

Die pese midden beet ontwee. 

Doe ne wildi letten nemmee 

Ende spranc weder ute ten gate , 
1320 Ende dede hem op die rechte strate , 

Die tes eoninx waert gelach. 

Eer hi daer quam , so waest daeh , 

Ende die sonne begonste risén. 

In eens arems slees wisen 
1325 Quam Tibart ia thof geronnen, 

Die tes papen hadde gewonnen 

Dat hi lange clagen mach. 

Alse die coninc dit versach 

Dat hi hadde dat oge verloren, 
1330 Doe mochte men vreselike horen 

3 Die hair al te zeer my«biieU. By Keiaaert» hulp had hi iwel acamdcn : 5 

20 Ende dede hem wech al sijnre strate. Hem was te broken al Mjn lenden, 

24-30 Na haerre ouden wisen , Van slagen , mitten enen oge blint. 

Ende quam na eens anns wichts wise Doet die coninck Yemam hi ginc 

Qoom hi in dat bof geronnen. Bal Tybart berecht quam also, 

Hm papen haa» had hi gcwonnea. Bo« ww hi toomich ende onrro. lO 

V" ISOl Ludet, luidt. — 1818 Toen wilde hy niet langer verletten. 
^>- 1384 Op de wyze van een' armen zieken. 



64 REINAERT 

Den ooniac dreigen den dief Reinaert. 

Die coninc doe niet langer ne spaert, 

Hine riep sine baroene te rade , 

Ende yraechde , wat bi best dade 
1335 Jegen Reinaerts oyerdaet? 

Doe wart gindse menieb raet, 

Hoe men Reinaert ter redenen brochte , 

Die dese overdaet wrocbte. 
Doe sprac Grimbert die das , 
1340 Die Reinaerts broeder sone was : 

c( Gi heren, gi hebt menegen raet; 

Al ware mijn oom noch also quaet, 

Sal men vri recht voort dragen , 

Men salne drie- werven dagen, 
1345 Also men doet enen vrien man; 

Ende en comt hi niet dan , 

So is hi sculdich alre dinc, 

Daer hi af voor den coninc 

Van desen heren es beclaget. » 
1350 « Wie wildi, Grimbert, dattene daget? 

Sprac de coninc , wie es hier 

Die sijn oge, ofte sijn lier 

Wille setten in avonture, 

Omme ene felle creature ? 
1355 Ie wane, hier niemene en es so sot. » - 

Grimbert sprac: « So helpe mi God! 

Siet mi hier, ie hem so coene. 

Dat ie wel dar bestaen te doene 

33-38 Ende ontboot te rade sine baroen, IMe'dns grote ondaet wrochte. 

Wat si hem best rieden te doen , 53 Off sijn lijf set ter ayentuer. 

Dat men Rejnaert ten rechte brochte, 67 Ie bin so sot wel ende so coen. 

V* 188i Drie werven dagen. Over deze drie daggen, by drie ge- 
nachten, zie Raepsaet, Analyse des droiis des Belges, I, p. 320 en III, 
p. 181. In den Sassenspiegel, eerste boek, ^1^ artikel: « Syene man Tor 
gerichte beklaget, nis he dar nicht, man sal yme degedingen dries ^ 
ymmer over virtennacht. » — 1868 Dar, durve. 



PRSTE BOEK. 55 

Dese bodscap, gebiedijt. » 
1360 cc Grimbert , gaet wech , ende sijt 

Vroet, ende wacht u jegen misval! » 

Grimbert sprac: cc Coninc here, ie sal. » 
Dus gaet Grimbert te Maupertuus. 

Als hire quam , Taat hi in huus 
1365 Sinen bom , ende vrouwe Ermelinen , 

Die bi haren welpekinen 

Lagen in die hagedochte ; 

Ende ten eersten dat Grimbert mochte 

Groete hi sinen oom, ende siere moien; 
1370 Hi sprac: cc En sal u niet vemoien 

Des f onrechts, daer gi in sijt? 

Dinket u noch niet wesen tijt, 

Dat gi trect, oom Reinaert, 

Tote des coninx hove waert, 
1375 Daer gi wel sere sijt beclaget? 

Gi sijt drie werven gedaget. 

Vermerrendi morgin den dach , 

So sorgic, dat u ne mach 

Negeene genade mee gescien. 
1380 Gi sult in den derden dage sien 

Uwen casteel bestormen, Maupertuus; 

Gi sult gerecht sien voor u huus 

Ene galge ofte een rat. 

Over waer seggic u dat, 
1385 Beide u kindre ende u wijf 

60-61 Hu gaet, Grymbert, ende 8ijt Sprac hi, van den geruft daer gi in sijt; 

Wel Terhoet tegen Terraet. Mer docht u goet so waert wel tijt , 

Keynaert is loos fel ende quaët: Dat te hove myt my woud comisn< 

Ghi behoeft u te wachten wel. Te vertrecken en mach u niet vromen. 6 

64 Ende vant Reynaert in tijn huus. Dair is so veel over u geclaecht. 

66 Die sat al bi hair wiegelijn. 81 Al om ende om beleit u huus , 

70-75 laet u niet vemoyen , 82 Ende voor tcasteel van Hapertuus. 

y. 1377 f^ermerrendi f blyft gy nog marren, talmen. — li78 So 
sorgic , zoo yreeze ik. 

Va». 1870 V» 2 Geruft, gerucht, naem. — 5 Uitstellen zal u niet baten. 



56 



REINAERT 



Sullen yerliesen haren lijf, 
Lacfaterlike, al sooder waen, 
Gine mo^t selve niet ontg;aen. 
Daer omme es u de beste raet, 

1390 Dat ^ met mi ten hoTe gaet. 

Hets misselic, hoet gevallen mach: 
U es dicken op enen dach 
Yremder avonturen gevallen^ 
Dat gi noch quite van hem allen 

1395 Met des coninx orlove 

Morgen sciet uten hove, » 

Reinaert seide: ec Gi secht waer« 
Nochtan, Grimbert, oome ie daer 
Onder des coninx gesinde , 

1400 Dat ie binnen den hove Tinde 
Es op mi verbolgen al; 
Quame ie danen^ het ware geval. 
Nochtan dinct mi beter wesen 
(Genese of ie mach genesen,) 

1405 Dat ie met u te hove vare , 
Dan het al verloren veare , 



{Reineke, I, 
15, Vt 1311.] 



86 Sel die coninc doen nemen tlijff. 
89-91 Dair om ist nu best gedaen 

Dat gi ten hoye myt my gaet. 

Ghi cond doch so menich quaet 

Dat u licht wel baten mach. 

95 Ende si alleen in die scande bleven. 

96 Ghi hebt doch dit meer bedreTeo. 
98-10 Tis best dat ie myt u ga daer ; 

Want dair is gebrec van mynen rade. 

Die conino sel my doch doen genade, 

Can ie hem onder die ogen uen, 

Ende ie mijnre talen mach plien, 5 

Al had ie noch meer mysdaen; 

Want thoff en mach buten my niet staen : 



Dat bedenct die coninc vrel. 

Al sijn my nu die zommich fel, 

Dat en gaet hem niet ter herten in ; 10 

Want sy en welen raet noch syn. 

^1 die raet sluut meest in my. 

]ta wat hove oec dattet sy, 

Dair coningen ofte heren versamen , 

Dair men subtyl raet sel ramen, 15 

Daer moet Reynaert cUe vonden vQndeii, 

Al sijn dair ander, dies hem bewinden, 

Dats mijn best ende tgaet voren. 

Nochtan heefter veel gesWDren 

llijn quaetste te doen, die nn daer s^n: 

Dit maect bedruct dat herte mgo$ 



V» 1886 Lijf, leven. — 1891 Misselijk, twyfclachtig , misvallig. — 
1899 Gesinde, gezin, liofstoet. --^ 140^^ Of ik misschien losgeraakte. 
Genesen is ontslagen , verlost zyn. Zie boven V* 245. 

Var. 1898 V 5 Plien, plegen, bezigen. 



EERSTE BOEK. 



67 



Gasteel , kindre ende wijf 

Ende daer toe mijns selves lijf. 

In mach den coninc niet ontgaen ; 
1410 Alse gi wilt, so wiilic gaen. 

« Hoort (seit hi ) Trouwe Hermeline ^ 

Ie bevele u die kindre mine. 

Dat gire wale pleget nu: 

Voor alle dandre beyelic u 
1415 Minen sone Reinaerdine: 

Hem staen wel die gaerdeline 

An sine muulkine oyer al : 

Ie hope, dat hi mi slachten sal. 

Hier es Rosseel, een soone dief, 
1420 Die hebbic nochtan harde Jief , 

Ja , als iemen sine kindre doet ; 

Al eist, dat ie nu Tan hier moet, 

Ie salt mi nemen harde na. 

Op dat IC mach, dat ie ontga. 
1425 Grimbert, ncTe, God moet u lonen.» 

Met hoofschen woorden ende met sconen 



11, T. 879.] 



Want daer Teel tijn gemeen 
Die mogen meer dan ie alleen. 
Dit heb ie anit, sel my daer deren. 
Nochtan is beter dat ie dair mitter eren 
Te hove myt u trecke, neve^ 
Ende reden Toor my sehen geve, 
Dan dat ie wij£F ende kijnder liet 
In anxt, in sorgen, ende in verdriet, 
Dat al verloren sonde wesen. 30 

Ie genese so ics mach genesen ! 
Wanneer ghi wilt so porren wi. 



Die oonioc is te macfatich mi: 

Wanneert wesen soude 

So most ie doen al dat hi woude; 

£nde want ie dan piet bet en mach , 

So en is niet beter dan verdrach. 
16 Hem staen so wel sijn granekijn. 
22-26 Doedymynenkynderen goet, 

Ende gans my God dat ie ontga, 

So selt my gangen also na 

Dat iet u weder sel lonen. 

Hit sueten woorden ende sconen. 



35 



Y' 1416 Gaerdeline, in Reiheke grdnken, (en zoo ook hier achter 
Y' 2992) stekelbaerd, by verkleining van gaerde, anders kaerde, prikkel. 
— 1417 Muulkine, muilken. — 1419 Dief, in de oude beteekenis van 
iyro, juvenis^ zegt G&ut«. — 1424 Op dat ie mach, too ik mag..-^ 1426 
Hoofschen, heussche. 

Yar. 1398 Y' 22 Gtme(m,in 't gemeen, — 1422 Y» 2 Gan$ mi, gunde 
my. — S Gangen, gaen. 

8 



6« REINAERT 

Nam Reinaert an de sine orlof , 

Ende ruumde sijns selyes hof.. 

Ai , hoe droeve bieef vrouwe Hermeline , 
1430 Ende hare clene welpekine! 

Doe Reinaert sciet uut Maupertuus, 

Ende hi hof liet ende huus 

Al dus oinberaden staen, 

Nu hoort, wat hi heeft g^edaen. 
1435 Teerst dat hi quam an der heiden , 

Hi sprac met Grimberte, ende seiden: 

cc Grimbert, scone wel soete neve , 

Van sorgen suchtic ende beve. 

Lieve neve , ie wille gaen 
1440 (Nu hoort mine redene saen ,) 

Te biechten hier te di : 

Hier nes ander pape bi. 

Hebbic mine biechte gedaen , 

Hoe so die saken sijn vergaen, 
1445 Mine siele sal te claerre wesen. » 

Grimbert andjvvoorde na desen: 

cc Oom , wildi te biechten gaen , 

So moetti dan verloven saen 

Alle de diefte en allen roof; 
1450 Oft en diet u niet een loof! 

cc Dat wetic wel , sprac Reinaert , 

Grimbert, nu hoort haerwaert, 

Ende vandet mi geraden ; 

Siet ie come u te genaden , 

30 Met haren cleynen kijnderlijn. Ende mijn berouwenitêe is to groot 

34 Ende alt sy een atuck waren gegaen , Van aonden, die ie heb myadaen. 

35 Keynaert ende Grymbart , onder hen bei- Lieve neve , ie wil nu gaen. 

'39-40 Want ie in vrese ga vander doot , (den. 50 Ende dea ao aeldi hebben groot loóff. 

V» 1438 Aldus onbevoegd staen. — 1485 Teerst, met den eersten, 
Koodra. — 1448 F'erloven, verzaken. — 1450 Of het gedijdt geen lover- 
tjen, het helpt niet. — 1452 Haerwaert, herwaert. — 1458 En zoekt 
my iet raedzaems. Planden is besoehen. Zie GLiGNBir's Bydr,, bl. 187. 



Bl.56. 



^^■•■- ■'*'''^^#iè*^'^'; 




Ütüt'iiUSiiE &i^selyncJt. Jl CfATvoL. 




lU fint* ir nt'i^tiïfê <f <|ii(ttidet*X^0or 
40 üttti^H Wfi>H«M«ut0ê 10 fi>0w^ 
V anibttbcit ^utelith o^/iSt^ti 



EERSTE BOEK. 59 

1455 Van alle gader miere misdaet : 

Nu hoort, Grimbert, ende yerstaet : 

Confiteor [tibi] pater, mater, 

Dat ie den otter ende den cater 

Ende allen dieren hebbe misdaen ; 
1460 Daer af willic mi in biechte dwaen. » 

Grimbert sprae: « Oom, walschedi? 

Of gi iet wilt , spreect jegen mi 

In dietsche , dat iet mach verstaen. » 

Doe sprae Reinaert: c< Ie hebbe misdaen 
1465 Jegen alle diere, die leven; 

Bidt Gode , dat bijt mi moete yergeven. 

Ie dede minen oom Brune 

Al bloedieh maken sine crune. 

Tibert dede ie muse Taen 
1470 (Daer ickene sere dede slaen ,) 

Tes papen huus, daer hi spranc int net. 

Ie hebbe gedaen groot ongeret 

Cantecleer, ende sine kindre : 

Waren si meerre ofte mindre , 
1475 Dieken makedicse los: 

Dor recht beclaget hi den tos. 

Die coninc en es mi ooc niet ontgaen; 

Ie hebbe hem toren ooc gedaen, 

Ende misprijs der coninghinnen , 
1480 Dat si spade sullen Terwinnen 

Also vele eren van mi. 

Ooc hebbic, dat seggic di, 

60 De8 wilic gern in boete gaen. 78 lo heb hem dicke tcand gedaen , 

71 VTant icken int strick lopen dede. 79 Ende synen wyre der coningynuen. 

72 Deck heb ie seer misdaen mede. 81 Sj sijn gescandaliseert bi my. 
75 ümnïer maecte ie se hem loss. 82 Nochtan hebbic, dat zeg ie dy. 

. y* 1460 Dwoên, afwasschen, reinigen. — 1461 Walsehedi? waekt 
gj, spreekt gy waelsch? — 1472 Ongerecty 't zelfde als angereo (zie 
boven Y* 1201): Gma leest het laetste. — 1475 Dikwerf deed ik ze 
Terdwynen^ kwytraken (engelsch make looie). De baden sehreyen yeel- 
tyds tnaken yoor doen ( boven Y* 1041). — 1479 Misjprijê^ laekbaerheid. 



,1, 

17, ¥•. 1413.1 



60 REINAERT 

Grimbert, meer liede bedrogen, 

Dan ie di soude ges^gen mogen. 
1485 Ende Isengrijn , dat verstaet, 

Hiet ie oom , dor baraet : 

Ie maeetene monc ter Elmaren, 

Daer wi beide begeyen waren, 

Dat wart hem al te sere te pinen. 
1490 Ie dede hem an die elockelinen 

Binden beide sine yoete: 

Dat iuden wart hem doe so soete 

Dat hijt emmer wilde Ieren: 

Dat yergine hem toneren : 
1495 Want hi luudde so utermaten , 

Dat alle, die gingen bi der straten^ 

Ende waren binnen der Elmare , 

Waenden , dat die duTel ware , 

Ende liepen daer ei Iuden hoorden. 
1500 Eer hi doe eonste in eorten woorden 

Gespreken: « Ie wille mi begeven, » 

Hadsi hem na genomen tleven. 

Sint dedic hem erune geyen , 

Hem maehs gedinken al aijn leven , 
1505 Dat wetic wel over waer. 

Ie dede hem af bernen dat haer , 

So dat hem die swaerde oramp. 

Sint dedie hem meerren 8camp 

Opt ijs, daer ieken leerde visschen, 
1510 Daer hi niet conste ontwissehen : 

89 Dat hem 8eer quam ie pynen. 1007-8 So nau der vel daitet wel naer 

94 Her dat was luttel tsijnre eren. Die swaerde aen den Hto cramp. 

97 Diet hoorden worden dair aff in vaer. Synt leyd ie hem dat was sijn ramp. 

y* 1487 ülfonc, monnik. — * 1489 Dit leren werd hem al fe lastig. 
— 1494 Tvneren, tot oneer. ^-^1501 Begeven ^ de wereld verlaten* 
Zie Y' 869. — 1507 Die swaerde cramp ^ de hoofdhuid inkrimpte. De 
Brahandon noemen het de xwaei. «-- lölO Oniwieschen, ontglippen , 
in 't hoo(^. entwiechen. 



EERSTE BOEK. «1 

Hi ontönker menenen alach. 

Sint letddickene op enea daoh 

Tote des papen yan [Vianois:] 

In al dat lant van YermandoiB 
1515 Son woonde geen pape riker. 

Die selve pape hadde enen spiker, 

Daer menich Tet bake in lach ; 

Des haddic dicken goet gekidi. 

Onder dien spiker haddic een gat 
1520 Yerholenlike gemaeet in dat : 

Daer dedic Isengrijn in crupen; 

Daer vant hi rentvleesch in cupen^ 

Ende baken hangende yele. 

Des yleesch dedi dor sine kele 
1525 So vele geliden utermaten^ 

Als hi weder uten gate 

Waende keren , uter noot , 

Hem was dien leeden buuc so groot , 

Dat hi beclagede sijn gewin. 
1530 Daer hi was comen hongerich in ^ 
^e condi [sat] niet comen uut. 

Ie liep, ie maecte groot geluut 

Int dorp , en de maecte groot gerochte ; 

Nu hoort, wat ie daer toe brochte. 
1535 Je liep al daer die pape sat . 

Te siere taeflen ende at. 

Die pape hadde enen cappoen : 

Dat was dat airebeste hoen 

17 Dair menich goet bann in lach. Dat hi uutten seWen gate 

18 Daer ie my dicke op te saden plach. Niet uut en mocht, dair hi in quant, 
23 Ende vetter vercken aUo Teel. Dat hem sijn groten buuck benam. 
25-28 So grooten hoop , boven de mate 37 Voor hem atont een acoon cappoen. 

Y' 1513 Vianois^ by Gkiu.... hlois; waerschynlyk een uitgedachte 
naeni; want men vindt de plaets niet in het land ran Vermandois. -*- 
1816 Spiher f spyswaerde^ bergplaets Toor eetwaren; in de nieuwe 
prosadruk spinde. — 1524, 1525 Hy deed aoodanig veel yleesch door 
zyn keelgat glyden {geliden). — 1526 Als hi, versta: dat als hy. 



62 REB^AERT 

Dat men in al dat lant vaat : 
1540 Hi waftt gewent al toter hant. 

Dien prandic in minen mont 

Voor dietaefle, daer hi stont, 

AI daert die pape toe sach. 

Doe riep die pape: a Vanc ende slach ! 
1545 Heipe, wie sach dit wonder nieP 

Die TOS comt , daer ie toe sie , 

Ende rooft mi in mijns selves huus ; 

So helpe mi sancta spiritus 

Te wers hem , dat hire quam ! » 
1550 Dat tafehnes hi op nam , 

Ende stac de taefle ^ dat soe ylooch 

Verre boven mi harde hooch, 

In midden waerde op den vloer. 

Hi vloecte sere ende swoer, 
1555 Ende riep lude: « Slach ende va! » 

Ende ie voren, ende hi na. 

Sijn tafelmes haddi. verheven, 

Ende brochte mi gedreven 

Op Isengrijn , daer hi stont : 
1560 Ie hadde dat hoen in minen mont, 

Dat harde groot was ende swaer ; 

Dat so moestic laten daer, 

39-43 Dat men wist in ènich lant. Hi stiet die tafel dat sy vlooch , 

Dat hoen ie ter vaert prant, Ende volchde my rayt stemmen hooch. 
Ende liep heen al dat ie mochte. 57-^6 Ende myt hem luden een groot getal, 

Doe maecte die paep groot geruchte. Die mijn quaetste meenden al. 

46-65 Dat my een tos rooft vanmijn cappoen So lange liep ie dat ie quam 

lu mijn huus? wie xach ye man so koen Dair Tsegrim yernam. 

Dief, ende ie zach seWe oec toe. > Dat hoen liet ie vallen dair , 6 

Sijn tafelmes greep hi doe Want het was my al te swair : 

Ende werp na my, mer ie ontvoer. Des most ics mijns ondanx laten. 

Dat mess bleef steken in die yloer. Ende ie liep henen , mijnre straten. 

V* 1540 Hi icas, hy wag des. — 1541 Prandic, roofde ik. Zie op 
y 899. — 14i4 Vangt en slaat! — 1545 Nie, ooit; doch eigenlyk 
nooit. — 1549 Te wers heml Niet het engeische towards him, als Grihm 
meent; maer hem ie wars! hem ten kwade. — 1558'Middenwaert8op 
den Tloer. — 1555 F^a, yang. — 1556 Ie voren, ik (liep) Tooroit. 



EERSTE BOEK. 63 

Wast mi leet ofte Kef, 

Doe riep die pape: « Ai, here.dief , 
1565 Gi moet den roof hier laten ! » 

Hi riep, ende ie ginc miere straten 

Danen, daer ie wesen woude. 

Alse die pape op heffen soude 

Dat hoen , sach hi Isengrine : 
1570 Doe naecte hem ene grote pine. 

Hi warpene int oge metten messe. 

Den pape yolchden si sesse 

Die alle met groten staven quamen: 

Ende als si Isingrijn vernamen 
1575 Doe maecten si een groot geluut, 

Ende die gebure quamen uut, 

Ende maecten grote niemare 
. Manlic andren, dat daer ware 

In spapen spiker een wulf gevaen, 
1580 Die hem selven hadde gedaen 

Bi den buke in dat gat. 

Als die gebure gevreischeden dat, 

Liepen si dat wonder bescouwen. 

Aldaer wart Isengrijn te. blouwen, 
1585 So dat hem gine al uten spele; 

Want hi ontfinker harde vele . 

Grote slage, ende grote worpe. 

Dus quamen die kindre van den dorpe, 

68-74 Ende doe hi thoen ophoren soude, fflennigen slach dat »y hem gaven. 
Dit heeft die paep gerynck Ternomen, 78-05 Ende maecten cont over al geheel. 

Tot allen die myt hem waren comen Dair most hi Tan mennigen «teen 

Ryepen : « lieve vrienden , slaet ! Den worp ontfaen , ende mennigen tlach, 

Hier is wolff, een dief quaet: 5 So dat hi neder viel ende lach 

Siet dat hi u niet ontgaat. • In onmacht , ende over doot. 

Doe scoten sy hem alle na, Daer wasser mennich die aen hem scoot, 

- - Sulo myt sulc myt staven (sic) : Ende sleepten myt groten gerachte. 

. V* 1867 Van daen , tot waer. ik wesen moest. — 1572 Si sesse j nog zes 
andere. — 1578 Manlic. andere ^ malkanderen. — 1582 Gevreischeden y 
veriiamén. 1584 Te i&^u^en^ geslagen. Qu&Tnvn^s By dragen ^ bl. 118* 
Va». 1668 V* 1 Ophoren , opbeuren. — 2 Gerinc, cit6. 



64 REINAERT 

Ende yerbonden hem die ogen. 
1590 Het stont hem so, hi moest gedogen., 

So sere sloechsi ende staken 

Dat sine uten gate traken. 

Doe gedogedi vele ongeyals; 

Ende [si] bonden hem an sinen haU 
1595 Enen steen, ende lietene gaen, 

Ende lietene dien honden saen, 

Diene gingen bassen ende jagen. 

Ooc diende men hem met groten slagen 

So lange, dat hi gelovet was. 
1600 Doe yiel hi neder op dat gras 

Of hi ware al steendoot. 

Doe was dier kindre bliscap groot. 

Gindre was grote niemare. 

Si namene ende leidene op ene bare, 
1605 Ende droegene met groten gehuke 

Over stene ende over struke. 

Buten den dorpe, in ene gracht, 

Bleef hi liggende al dien nacht: 

Ine weet , hoe hi danen voer. 
1610 Sint verwarvic, dat hi mi swoer 

Sine hulde een jaer al omtrent. 

Dat dedi op sulc convent , 

Dat icken soude maken hoenre sat. 

Doe leiddickene in ene stat, 
1616 Daer ie hem dede te verstane. 

Dat twee binnen ende enen hane 

11 Sijn hulp (e doen een jaer omtrent. 16 Dat seren hennen ende enen hane. 

V* 1593 Gedogedi, verdroeg hy. — 1596 En lieten hem spoedig aen 
de honden over. — 1599 Gelovet, (by Grimm gehve) toegewezen; d. i. 
tot dat den toeslag gegeven was; van het uithven ontleend. — 1605 Ge^ 
huke, gehuik, lastige dracht, van htêcken. Zie Kil. op dit laetste woord. 
— 1609 Ik weet niet hoe hy er vandaen kwam. — 1611 Hulde j 
dienstgetrouwheid* — 1612 Convent, fr* convention. — 1614 St€U, 
plaets. 



EERSTE BOEK. i55 

In een groot huus , an eere straten 

Op enen haenbalke saten^ 

Recht teere valdore bi, 
1620 Daer dedic Isengrijn bi mi 

Op dat huus clemmen boven: 

Ie seide , ie wilde hem geloven , 

Wildi crupen in die valdore , 

Dat hire soude vinden vore 
1625 Van vette hoenren sijn gevoech. 

Ter valdore ginc hi, ende loech, 

Ende croop daer in met vare, 

Ende begon tasten harentare. 

Hi taste, ende als hi niet en vant 
1630 Sprac hi : c< Neve hets hier bewant 

Te sorgen : ie ne vinder niet. » 

Ie sprac : c< Oom , wats u gesciet ? 

Cruupter een lettel bet in: 

Men moet wel pinen om gewin ; 
1635 Ie hebse wech, diere saten voren. » 

Dus so liet hi hem verdoren , 

Dat hi die hoenre te veerre sochte. ♦ 

Ie sach, dat icken honen mochte, 

Ende hoondene so, dat hi voer 
1640 Van daer boven op den vloer, 

22 Ie seide hem, woude hi my geloven, Want wat ie zueck, ie en Tijnd niet. 

23 Dat hy croop al in die duer. 39-41 En stieten dat hi oTer yoer, 
27 Een deel croop hi in , myt Tare. Ende quam gevallen op den vloer; 
29-31 Hi sprac : Eeynaert wi sijn vermeit, Want dien haenbalc v?as zeer smal , 

Off het is boert dat gi my telt ; So dat hi viel enen groten val. 

y* 1618 Haenbalke^ de hoogste dwarsbalken van een huis, waeraen de 
daksperren Tast zyn. Diericx, Mémoires sur la vüh de Gand, II, p. 88: 
« Dat sy sullen moghen doen hanghen een docxkin in de haenbalken 
Tan der Toors. capelle, binnen sdaecx. » — 1619 Recht (juist) by eene 
valdeur (dakvenster). — 1627 P^are, yen^oerdheid. — 1628 Harentare, 
hier en daer; nog bewaerd in Aer-en-der-waerts. — 1680 Neef, het is 
liier tot zorgen gewend: pa toume è sougi» 

Vak. 1629 ¥• 1 Fermeü, verraden. 

9 



66 REINAERT 

Eade gaf enen groten val, 

Dat si ontsprongen overal, 

Die in den huse sliepen. 

Die bi den viere lagen , si riepen 
1645 Dat ware in htius , siae wisten wat , 

Gevallen dor «ht viwergai. 

Si worden op, ende ontstaken lecfat. 

Doe sine daer sagen edit, 

Wart hi gewont toÉer doot. 
1650 Ie heM^en brocht in meneger noot, 

Meer dan ie g^eggen moehie. 

Nochtan^ al dat ie ie gewrodiie 

Jegen hem , so ne roeke ie met 

So sere , als dat ie venïet 
1655 Vrouw Harswenden, sijn scone wijf. 

Die hi liever hadde dan sijns selfs lijf. 

God die moet mi vergeven : 

Haer dedic, dat mi liever ware bleven 

Te doene, dant es gedaen. » 
1660 Grimbert sprae : cc Of gi wüt gaen 
« Glaerlike te bieohten tote mi , 

^Inde sijn van uwen sonden vri , 
• 

44-49 Die zommicli totten Tierwaert liepen - Waert dat ie dair wat om doehte, 

Om te weten , wat duer dat gat Veel meer dan icker Yoort brochte : 

Gevallen waer, si en wisten wat. Ie selse u efter wel ontbijnden; ff 

Si stonden op ende ontstaken lacht. Ende oec héb ie myt TrouSefSwijoden 

Een ygelic die was beducht. Syne wire dat bedrerea. 

Doe sy en sagen doe wart hi oock Ie woudet achter waïr gébleyen, 

Geslegen , gewent , al totter doot. Het is my leet , -mer tiss gedaen; 

51-65 Heer dan ie kan genoemen. Want si dair «oande ofThad-nntlaeD 10 

Ie souder noch wel door comen , So Teel, dats my seer yerdriet. » 

V' 1646 F'iwBrgatj waerschyiilyk te lesen «ttMièfyaï , 'geiylc in fin* 
keke; doch anders het fmergat, de schouw. By Gr Afsa leest men vyvergitÊ. 

— 1647 Si worden op f zy stonden ^p; en zoo zei-men ook: )Si worden op 
haerpaertf blykens Melis Stoke, II, bl. S7. — 1648 £üA/, 'vervolgens. 

— 1658 Roeke y achte. 

Var. 1644 V* 1 Kierwaert^ de vuerwaerde, de haerd; namelyk om 
licht te hebben (zoo Isemgrim niet door de schouw gevallen zy). 



EERSTE BOEK. 67 

So suldi spreken onbedect. 

In weet, werwaert gi dif trect: 
1665 « Ie hebbe jegen «jja wijl mesdaen. » 

Oom , dat en can ie niet verstaen 

Waer gi dese tale keert.. » 

Reinaert sprac: c< Neye Grimbeert, 

Ware dat hoofschede groot , 
1670 Of ie hadde geseit al bloot : 

Ie hebbe geslapen bi miere meien? 

Gi sijt mijn maech , u sonts Ternoien ^ 

Seidie enege dorperheit. 

Grimbert , nu hebbic geteit 
1675 AI dat mi mach gedinken nu: 

Geeft mi aflaet j dat biddie u, 

Ende settet mi, dat u dinct goet. » 

Grimbert was wijs ende vroet, 

Hi brac 'een rijs Tan eere hage, 
1680 Ende gaffer [hem] mede XL slage 

Over alle sine misdade. 

Daema, in geredbten rade. 

Riet hi hem goet te wesene , 

Ende te wakene, ende te lesene, 
1685 Ende te Tastene, ende te Tierne, 

Ende te wege waert te stierne 

« Oom , dit en versta ie nyet : Ende ^rinct daic driewarff oTer aen een, 

Ie heb mysdaen myt synen -mre, Sonder mevelen off bugen been. 5 

Ghi biecht , recht of gi een scyve Dan kuste se Yriendelic , sonder nijt , 

Ih die hant hilt, aftermeed aen te gaen. 1 ff In teiken dat gi gehoorsam zijt. 

73 Spraeck ie vrouwen dorperheit. Dese penitentie ie u set : 

76 Absolreert my nu , dat bid ie u. Hier mede sidi van alre smet 

80-1700 Ende sprac : oom , nu slaet drie sla- Quijt , ende yan allen sonden , 10 

Op u huut myt deser gheerde, (ge Die gi ye gedeed voor dese stonde ; 

Dair na legt se neder op die eerde Want ie vergeefse u altemael. 

V' 1677 Setiet mi, zet my, stel my een penitentie. — 168d Daer na 
met welmeenenden raed. 

Va». 1651 , V* 14 en 15 zyn my onverstaenbaer. Misschien moet het 
heeten : Gy doet als iemand die het geld in de hand heeft om een aeh- 
terkoop of achterhner (aftermede, achtermiede) aen te gaen. — 1680 V^ 2 
Gheerde, stok, staef. — 5 Snevekn, wankelen. 



68 REINAERT 

Alle, die hl buten wege sage: 

Ende dat hl Toort alle sine dage 

Behendelike soude generen. 
1690 Hier na so dedi hem versweren 

Beide royen ende stelen. 

Nu moet hi plegen siere selen , S^ v.*^!i 

Reinaert, bi Grimberts rade, 

Ende gine te hoye, op genade. 
1695 Nu es die biechte gedaen. 

Die heren hebben den wech bestaen 

Tote des conincs hove waert. 

Nu was , buter rechter vaert , 

Die si te gane hadden begonnen , 
1700 Een prioreit yan swarten nonnen, 

Daer menege gans ende menich hoen, 

Menege hinne , menich cappoen , 

Plagen te weedene, buten mure. 

Dit wiste die felle creature , 
1705 Die ongetrouwe Reinaert, 

Ende sprac: cc Te genen hove waert 

So leget onse rechte strate. » 

Met dusdanen barate 

Leidde hi Grimbert bi der scure, 
1710 Daer die hoenre buten mure 

Gingen weeden harentare. 

Reynaert was blide yan deser tael , EoTen , stelen ende verraden : 

Ende dede dat hem sijn neve riet. So suldi comen tot genaden. 

Doe sprac Grymbert: c Oom, nu siet 15 Dit geloofde hem al Reynaert. 

Dat gi Yoort aen doet goede werken. Doe gingen si ten hove waert. 25 

Leest n salmen , ende gaet te kerken ; Residen den wech , dair sy ronnen , 

Vast, ende viert die heilige dagen, Stont een clooster van swarte nonnen. 

Ende wijst die u de wegen vragen. 3 Dair plegen te wesen bynnen mueren. 

Aelmissen seldi geven, 20 5 Reynaert sprac totten dass : 

Eode versweren ubose leven, 6 Hier besiden, over dit pass. 

V' 1692 Zie daer, hoe hy zyne ziel moet yerplegen! — 1698 Nu lag 
daer^ een weinig buiten den rechten weg. — 1708 Weedene f weiden; 
eigenlyk rondgaen om voedsel. Zie Wbii.aitd'3 FVoardenboek, laetste deel, 
bl. 128. 



EERSTE BOEK 69 

Der hoewre wart Reinaert geware. 

Sine og^n begonden omme te gane. 

Buten den andren ginc een hane, 
1715 Die harde yet was ende jonc: 

Daer na gaf Reinaert ^aen spronc, 

So dat dien hane die plumen stoven. 

Grimbert sjMrac: « Oom, gi dinct mi doven! 

Onsalich man , wat wildi doen? 
1720 Wildi noch om een hoen 

In alle die grote sonden slaen, 

Daer gi te biechten af sijt gegaen? 

Dat moet u wel sere rouwen ! » 

Reinaert sprac: « Bi rechter trouwen, 
1725 Ie hads vergeten , lieve neve ; 

Bidt Gode, dat bijt mi vergeve. 

Het ne gesciet mi nemmermeer. » 

Doe daden si enen wederkeer 

Over ene smale brugge. 
1730 Hoe dicken sach Reinaert achter rugge 

Weder, daer die hoenre gingen ! 

Hine conste hem niet bedwingen , 

Hine moeste siere seden plegen : 

Al hadde men hem thoofl; af gestegen j 
1735 Het ware ten hoenren waert gevlogen, 

Also verre alst hadde gemogen. 

Grimbert sach dit gelaet 

Ende seide: c( Onreine vraet, 

Dat u dat oge so omme gaet ! » 
1740 Reinaert andwoorde « Gi doet quaet, 

Dat gi mine bette so verdoort, 

Ende mine bede dus verstoort : 

27 Ie en doei Toort nemmermeer. Reynaert sprac : < Nere, tis mysdaen , 

39-41 Hoe kei gi n ogen omme gaen ! Dat gi myt uwen OTerlopende woord. 

V" 1716 Gi dinct mi doven ^ gy maekt my dul! wegfens doven (woe- 
den), zie Vaw Hbblu op V 1687. — 1741, 1742 Dat gy myn hart dus 
verdwaeld, en myn gebed stoort. 



70 REINAERT 

Laet mi doch lesen II pater nooster, 

Der hoenre sielen van den etooster , 
1745 Ende den gansen te geladen, 

Die ie dicken kebbe Terraden, 

Die ie desen belegen nonnen 

Met miere list af hebbe gewonnen. » 

Grimbert baleh , ne waer Reinaert 
1750 Hadde emmer sine ogen aehterwaert : 

Tes 8i qüamen ter rechter straten, 

Di si te Yoren hadden gelaten: 

Daer keerden si ten hove waert. 

Harde sere beefde Reinaert^ 
1755 Doe hi began den hove naken ^ 

Daer hi waende sere misraken, 

Doe in sconinx hof was vernomen^ i? vTiöm] 

Dat Reinaert ware te hove comen , 

Met Grimberde den das, 
1760 Ie wane daer niemene ne was 

So arem , no Tan so cranken magen , 

Hine gereede hem op een dagen: 

Dit was al jegen Reinaerde. 

Nochtan dedi als die onyervaerde 
1765 Hoe so hem te moede was; 

Ende hi sprac te Grimbeerde den das : 

u Leidet ons die hoochste strate ! i» 

Reinaert ginc in dien gelate, 

Ende in al so bonden gebare, 
1770 Gelijc of hi sconinx sone ware^ 

Ende hi niet en hadde misdaen: 

Boudeliken ginc hi staen 

60 Had altgt thooft ten hoenre waert. 67 Eerde fierlic door die hoge straet. 

65 Ende geliet bet dan hem was, 70 Ende hi oec Tan enen hair 

66 Ende hi ginck myt synen neve den das 71 Tegens nyement en had misdaen. 

Y' nA^Bükh, Terbolgde, werd gram; en niet owtrusUe gich, ab HorpMAifif 
denkt, op Florü en BL, V* 866. Ne waer, maer. — 1762 Hine gereed^ 
kern, of hy maekte zich gereed , bereidde zich. — 1769 Bonden, stout* 



EERSTE BOER. 71 

Voor PTobete, dien comnc, 

Ebde sprac : « God, die alle dinc 
1775 Geboot, hi geve u, ooninc here, 

Lange bliscap ende ere. 

Ie groet u , ooninc , ende hebbes recht ! 

En hadde me coninc eaen knecht 

So getrouwe Jegen hem, 
1780 Als ie oit was ende hem: 

Dat es dicken word^ot aenscijn; 

Nochjbaci die suljte, die hier sijn, 

Souden mi gerne roven 

Uwer hulden, wilde gi hem geloven; 
1785 Maer neen gi niet. God moet u lonen ! 

Het ne betaemt niet der <;ron^n , 

Dat si den sealken ende den feilen 

Te licht gelovet [van] dat si vertellen. 

Nochtan willics Gode clagen: 
1790 Dier es te vele in onsen dagen 

Der scalke, die wroegen connen. 

Die niet te rechter hand hebben gewonnen 

Over al, in rike hove, 

Dien sal men niet geloven^ 
1795 Die scalcheit es hem binnen geboren; 

Dat si den goeden Heden doen toren , 

Dat wr^e God op haer leven, 

Ende moete hem ewelike geven 

74 Hidden in ^er heren rinck. Die Torder hani hdsben gewonnen, 

77 Ie gniet a gerne, ie hebs recht. Over al, in heren hoTen; 

80 AU ie H ye waé ende noch ben. Dat sy so yer sijn comen boTen. 5 

84 Hit 'logen woudjis hem geloTen. Dien scalke sijn in dien geboren 

90-97 Dair isser te Teel in onsen dagen. Dat sy den goeden beraden thoren. 

Die myt booshéit, die sy connen, Dat wU God wreken aen hair leyen! 

¥■ 1777 Hebbes recht y heb de3 recht, ik mag u wel groeten. — 1781 
Worden aenscijn, gebleken. < — 1790 Dier, Tan de zulke. — 1791 
FTroegen^ aenklagen, beschuldigen. — 1795 Binnen, in. 

Yar. 1790 Y* S Die ^Dorder hmt, de voorhand. 



72 REINAERT 

AI sulken loon , als si sijn waert ! » 
1800 Die coninc sprac: « O wi Reinaert, 

O wi Reinaert, onreine quaet, 

Wat condi al scone gelaet! 

Dat en can u niet gehelpen een caf. 

Nu comt uwes smekens af. 
1805 In werde bi smekene niet u Trient: 

Hets waer, gi sout mi hebben gedient 

Van eere saken , in den woude, 

Daer gi qualiken hebt gehouden 

Die vrede , die ie hadde gesworen, » 
1810 « O wi, wat hebbic al verloren! » 

Riep Ganticleer, die daer stont. 

Die conine sprac : c< Hout uwen mont , 

Here Ganticleer, nu laet mi spreken : 

Laet mi and woorden sinen treken. 
1815 Ai, here dief, Reinaert, 

Dat gi mi lief hebt ende waert , 

Dat hebdi, sonder uwe pine, 

Minen boden laten aenscinen, 

Arem man Tibert, here Brune, 
1820 Dien noch bloedich es sijn crune; 

Ie ne sal u niet [vele] scelden : 

Ie waent u kele sal ontgelden 

Noch heden, al op ene wile. » 

« Nomine Patrum, Christum File! 

1 o Tuyle onreyn bote draut ( ~ 9 Dien ie geboot ende had gesworen. 

2 Hoe wel condi u saluut ! 14 Ie moet andwoorden op sgn treken. 

3 Her ten baet u niet een caff. 15 Quaet dief, sprac hi, fel Eeynaert. 

6 Dat gi my dicwijl hebt gedient, 17 Dat hebdi, in den lachter mijn, 

7 Dat wart u nu te recht gegouden. 18 Mynen geboden gedaen aenscl^jn. 

8 Gy hebt den -nede wel gehouden , 22 Maer ie denck u dies te gelden. 

V* 1808 Een caf, voor de waerde van een kaf {glumu). — 1804 Nu 
is *t met uwe vleiery gedaen. — 1805 Door Tleiery worde ik uw vriend 
niet. — 1828 PFile, wyle tyds. — 182-i Nomine, enz. Deze uitroeping 
wordt in den franschen Renart, Y' 10237, in den mond van Bruin den 
beer gelegd , by het voorval met de honigraten. 



EERSTE BOEK. 73 

1825 Sprac Reinaert^ of mijn here Bnine 

Noch al bloedich e$ die crime, 

Was hi te blouwen, of Tersproken, 

Waer hi goet, hi [haddet] gewroken, 

Eer hi noint tIo int water. ^ 

1830 Tander side, Tibert die cater, 

Dien ie herbergede ende onifinc, 

Of hi ute om stelen £pnc 

Tes papen, sonder minen raet, 

Ende hem die pape dede quaet^ 
1835 Bi Gode, soudic dat ontgelden? 

So mochtic mijn geluc wel scelden ! » 

Voort sprac Reinaert : cc Goninc lioen , 

Wien twifelt des , gine moget doen 

Dat gi gebiet over mi, 
1840 Hoe groot mine sake si: 

Gi moget mi yromen ende scaden; 

Wildi mi sieden, ofte braden, 

Ofte hangen, ofte blenden, 

Ie ne mach u niet ontwenden. 
1845 Alle diere sijn in u bedwanc; 

Gi sijt groot, ende ie hem cranc ; 

Mine hulp es clene , ende duwe groot : 

Bi Gode, al sloechdi mi doot. 

Dat ware ene cranke wrake ! » 
1850 Recht in dese selve sprake 

Doe spranc op Belijn , de ram , 

Ende sine hie , die met hem quam , 

27 H«er coninc wat bestaet my dat, 30 After Tan Tybert die cater. 

Offliy Lantfreita honlch at 35 Bi lode, soudic des ontgelden? 

Ende hem die keerle lachter deden ? 40 Hoe groot , hoe goet mijn sake sy. 

Noch beeft Braim so stercke leden ; 52 Ende syn 'oey, die met hem quam, 
Was hi geslegen of Tcrsproken ? Dat was vrauw Olewi. 

V« 1827 Werd hy geslagen, of jte na gesproken. — 1828 Ware hy 
ergens goed toe. Hi haddet, by Grihh; hi ware. — 1852 Hiej conjua, 
in het oudhoogduitach hiwa. Het Hollandsche handschrift en do prosa- 
drok hebben oey, eigenlyk voedster; van ai-m, voeden , waervan ooi- 

10 



74 REINAERT 

Dat was dame Ikwi: 

Belija sprac: « [Nu toe,] gawi 
1855 Alle Yoort met onser clagen I » 

Bruun spranc op , met sinea magen , 

Eade Tibert die felle, 

Ende Isengrijn dijn geselle, 

Forcondet dat everswijn , 
1860 Ende die raven Tiecelijn, 

Paneer die bever , ooc Bruneel , 

[Die gans, dat tijtsel, ende tlampreel,] 

Dat v^atervar, dat butseei, 

Ende dat eencoren, here Rossed, 
1865 Dieweline, die vrouwe fine, 

Gantecleer ende die kindre sine , 

Makende groten vederslach ; 

Dat foret , ciene bejach , 

Liepen alle in dese scare : 

57-68 Ende Tybert , sijn geselle , Herri die eiel , Boreél die stier, 

Ende Tsegrim, die snelle , Dat hennel, die wetel^ ^aren oec hier, 

Die haze, ende dat ererswijn, Ende Gantecleer, ende sijn.lujnder, 

Ellic wilde in die clage sijn , Die claechden zeer haren hijnder, 10 

Pantheer die kemel, ende dat Bruneel y 5 Ende maeoten groot yederslach , 

Die gans, dat tijtsel, ende tlampreel. Dat knoesel , ende een clein berjach. 

lam. In twee charters van de jaren 9-4S en 1025, by Mieki^ {Charter- 
boeky I, bl. 41 en 62) wordt melding gemaakt van besticB quw teutonicè 
elo et scelo appellantur. Moeten deze e/-o en sohel-o ook niet tot oi ge- 
bracht worden ? of is elo 't zelfde ab elah, elako, by GsArr, Sprachschatz , 
I, bl. 235? Vergel. Bildikbtk's Verhand. over de geslachten, bl. 230. Men 
had ook oi-scot (elders quic'Scot), enz. 

V* 1860 Tiecelijn. Als iets zonderlings merk ik aen, dat birna de 
zelfde naem aen den sperwer wordt gegeven in de Malbergsche glossen 
op de Salische wet, tit. VII, 4 (Walter, Corpus juris Gennan. antiqui, I, 
p. 17). — 1863 TVatervar, hutseely waerschynlyk te lezen: waterrat en 
buseel {toot busaert, by Kil. buieo, accipitris genus). Zie vers 3367. 

Vak. 1857 V* 6 Tytsel, de tyte, titis, pullus gallinaceus. — 7 Öerriy 
Hendrik ; in de prosa en in Rsineke Boudewfn. Borreel die stier, in de 
prosa slechts Borre. — 12 Knoesel, waerschynlyk een sehryffeil, in stede 
Tftn wesel. Vergel. in den text V' 1868. 



EERSTE BOEK. 



75 



1870 Alle dese giógeni openbare 

Voor haren hare, den ooniae, 8taen, 
Ende daden Reina^de yaen. 

Nu ginct gindre op een plaidieren. 
Nie hoorde men Tan dieren 

1875 So scone tale (aU nu hier, 

Tusschen Reinaerde ende dandre dier,) 
Vort bringen , dan men brochte daer. 
Het ware mi pijnlic ende swaer; 
Daer omme corte ie u de woort. 

1880 Die besten redenen gingen dar Toort. 
Die clagen , die de diere ontbonden , 
Proefden si met goeden oroonden , 
Als si sculdich waren te doene. 
Die coninc dreef die hoge baroene 

1885 Te Tonnesse , Tan Reinaerts saken. 

Doe wijsten si, dat men soude maken 

Ene galge, stère ende Tast, 

Ende men Reinaerde, den feUen gast. 



[Bflinek« 1, 
20, V» 1791.] 



73-90 Ru ginct hier op een perlenent. 
Die dieren, die Reynaert stonden om- 
Willen hem sijn lijft off wynnen : (trent, 
Wat talen dat sy op hem begynaen 
Dair gaff hi eiken op andwdbrt* . 5 
Rye en quam man die ye hoord 
Scoonre ontscout ende meerre clage, 
Dan men en dede in dien dage, 
Ja van sulken wilden dieren. 
Tan nauwen rade ende subtij] TersierenlO 
Wart dair geyonden op dien dach 
In orconde diet hoorde ende sacb. 



So wie een saeck iiet off hoort 
Mach wel geloven ende seggon Yoort : 
Ende also geyiel aldaer. 15 

Ie wilt u corten en seggen twaer, 
Hoet myt Reynaert dair yerginck. 
Des conincs raet ende die coninck 
Die hoorden getuge yan sijnre misdaet. 
Het ginck myt hem alst dicwil gaet : 20 
Die crancste heeft die mynste crode. 
Sy gayen oordel dat men dode 
Ende hangen soud by sljore kele : 
Doe ginct myt hem al uten spele. 



V* 1882 Orconcfe», bewyzen, getuigen. — 1884 Z^ree/* , vermaende , 
semongait, een rechtsterm. — 1886 Wijsten y wysden, vonnisten. 

. Va». 177S V* 3 Sijn lijff afwennen ^ lyn leven afwinneo', ïyn dwd 
Terkrygen. — 7 Onseaut, ontschuldiging, verdediging. — 10 Naeuw- 
gezochte raed en subtiel uitdenken (oudtyds viseeren). — 21 De zwakste 
heeft de minste krui-lading, brengt niet veel weg. Men zei geeroien, 
voor vertrtnd» 



76 REINAERT 

Daer an hinge , bi siere kele. 
1890 Nu gaet Reiaaerde ai uten spele. 

Doe Reinaert verordeelt was, m"vmmJi 

Orlof namGrimhert die das, 

Met Reinaerts naeste magen : 

Sine consten niet verdragen , 
1895 No sine consten niet gedogen, 

Dat men Rêinaerde voor haren ogen 
' Soude hangen alse enen dief. 

Nochtan wast hem somen lief. 

Die conine, die was harde Troet, 
1900 Doe hi mercte ende verstoet, 

Dat so menich jongelinc 

Met Grimberte uten hóve gine , 

Die Rêinaerde na bestoet, 

Doe peinsdi, in sinen moet: 
1905 Hier mach in lopen andren raet. 

Al es Reinaert selve quaet, 

Hi hevet menegen goeden maech. 

[Tibert sprac] : a Twi sidi traech , 

Isingrijn ende here Bruun? 
1910 Rêinaerde es cont menich tuun', 

Ende hets den avonde bi; 

Hier es Reinaert, ontsprinct hi. 

Gomt hi III voete uter noot, 

Sinen list die es so groot, 

91-1900 Hem en mochte helpen gene tre- En mochten niet zien oft Terdragen, 

Hoe 8coon hi ooc conde spreken , (ken: Dat men doden soude also: 

Dat oordel , dat dair gewijst was, Si namen oorlof, ende waren onTro, 

Dat most wisen Grymbaert de das (?) , Ende ruumden des conincs hoff. 

Ende een groot deel van Reynaert ma- Die conine bedocht hem wel dair off. 10 

(gen 5 10 Hier is mennich end tuun. 

V' 1890 Uten spele, buiten gissing, verloren spel. Zie Cligwitt's Voor- 
rede op den Teuthonista, bl. ixxvii. — 1898 Hem somen, sommigen 
van hen. — 1908 Tybert sprac. By Grihh staet : Doe sprac he (de koning); 
doch de text van het Hollandsche handschrift is verkieslyker. Twi, 
waarom. — 1910 Cond, kundig, bekend. Tuun, tuin^ doch hier doolhof. 



EERSTE BOEK. 77 

1915 Endé hi weet so menegen keer, 

Hine wert gevangen tjaer meer. 

Salmen hangen, twine doet ment dan? 

Eer men nu gereden can 

Ene galge, so eist nacht. » 
1920 Isingrijn was wei bedacht, 

Ende sprac: c( Hier es een galge bi. )> 

Ende met dien woorde versuchte hi. 
Doe sprac die cater,here Tibeert: 

c< Here Isingrijn, u es Verseert • 
1925 U herte, ine wancans u niet; 

Nochtan eist Reinaert, diet al beriet, 

Ende selye mede ginc , 

Daermen uwe twee broeders hinc, 

Rume ende Widelanken. 
1930 Hets tijt, wildijs hem danken.- 

Waerdi goet , het ware gedaen ; 

Hine ware noch niet onverdaen. » 

Isingrijn sprac tote Tibeert: 

« Wat gi ons al gader leert! 
1935 Ne gebrake ons niet een strop, 

Langeleden wiste sijn erop 

16 Hy en wart goTangen nemmermeer. Eeynaert, ende teWe mede ginck. - 

17 Selm^ hangen wat beyddi dan ? 31-35 Wairdi goet het wair geschiet ; 
23-27 So dattet Tybert wart ontwaer, Hy en wair ooc noch ontgangen niet. ' 

Ende sprac Tybert: c Gi xgt in taer Isegrim balch hem ende sprac : 

Her Tsengrim, ofs u gedochte ? Gi maect ons allen groot getrao. 

Gedenct u niet dat gi eens brochte Her Tybert, hadden wi een strop. 

V* 1916 Tjaer meer, in geen jaer meer. Vergel. V" 424. Mone (Anxeiger^ 
1835, bl. 53) ziet er het fransche jamasV in ; doch dit kan ik niet aen- 
nemen. Een ander voorbeeld vinden wy in het Leven van Je8us,.xdièe 
dertiende eeuw, bl. 209 : « Ghi sijt mine Trint, op dat ghi doet dat ie 
u ghebiede. Tsarmeer en sal ie u nit heeten knecht. » Is dit eene letter- 
lyke vertaling van het latyn (Evang. Joan. CXV , V* 15) : Jam non dicam 
vos êervos, dan beduidt het woord loo veel als voort meer, van nu af aen. 
— 1925 Ine waneana u niet, ik duide u dit niet ten kwade. Zie boven 
¥■ 907. — 1982 Hy zou daer nog niet ongelet staen. 

Var. 1931 Y* 4 Getrac, getrek. 



W REINAERT 

Wat «ja achtereade mochte wegen, n 
Reinaert , die lange hadde geswegen , 
Sprac: cc Gi herent cort mine piue. 

1940 Tibert heeft ene vasle line, 
Die hl bcgagede an sine; kele, 
Daer hi yemois om hadde yele 
lat huus, daer hi den papen beet. 
Die Toor hem staat al sonder cleet. 

1945 Here Isingrijn) nu maect u Toren! 
En sidi niet daer toe vercoren, 
Ende gi Brune, dat gi 3ult doden 
Reinaert) uwen neve, den fiellea yodenP » 
Doe so sprac die coninc saen; 

1950 cc Doet Tiberte medegaen; 

Hi mach clemmen , hi mach de line 
Op dragen ) sonder uwe pine. 
Tibert, gaet Toren, ende maect gereet! 
Dat gi iet let, dats mi leet. » 

37 Wat ttjn lijff mochte wegèn« Her Ttegrim het Toecht u wel, 

41 Die hem omtrent die keel neep Ende Bninn , dat gi doet u nere. 

42 Tot des papen huys , dair hi ao peep. Het is my leei dat io so lange lere : 5 
45-82 Hi can wel clymmen , hi sel gereet Haest uwer, gi zijt dair toe geset ! 

Die lynde opdragen , hi is so snel. Tis quaet dat gi so lange let. 

V* 1937 Wegen. Een oud spreekwoord ten aenzien van hangdieven, 
door den iranschen dichter Yaioii in zyn grafschrift aldus nagevolgd: 

Je suis fran9ois (dont ce me poise) 
Në de Paris, emprès Ponthoise, 
Or d'une corde d'une toise 
Seaura mon col que mon cul poise. 

Zet Paèteê franfois aeanÈ Malkérbe, II , p. S89. 

[ V 1940 Line, lyn. — 1945 roren, vooraf. — 1948 roden, vöt; nog 
overig in hondsvot, een obsceen woord, door' velen gebezigd , maer dooi 
weinigen verstaen. Men leere de beduidenis uit het volgende puntryni 
van Jah Vos: 

Ik ben een hondsvot zoo gy zeght , maer t'is gezocht ; 
Ik zou een honds-vot zyn, zoo 'k u had voortgebrpcht. 
V- 1954 Let, vertraegt. 



EERSTE BOEK. 70 

1955 Doe sprac Mngrijn tot Bruné: 

« So heipe mi de clóoster crune , 
Die boren op mijn hooft staet! 
In hoorde nie so goeden raet, 
Alse Reinaert sejve gevet hier. 

1960 Hem langet omme cloosterbier? 

Nu, gaen wi voren, ende bruwen hem! » 

Bruun sprac: « Neve Tibert, nem 

De line; du selt mede lopen.' 

Reinaert èie «al mi becopen ~ 

1965 Mqn scone liere , en dine oge ! 
Gawi, ende hangene so hoge 
Dats lachter hebben al sine vrient! » 
« Gawi, hi hevels wel verdient, » 
Sprac Tibert, ende nam de line. T 

1970 Hine dede nie so lieve pine. 

Nu waren die drie heren gereet. 

Dat was de wutf ende Tibeert 
Ende her Bruun, die hadde geleert 

1975 Honich stelen te sinen scaden. 
Isingrijn was so beraden. 
Eer hi van den hove sciet, 
Hine wilde des laten liet, 
Hine vermaende nichten ende neven ^ 

1980 Ende alle, die binnen den hove bleven, 

BruuD , gBet Toof , ende leyt my, Ende Ytegrim beval gereit 

Tybert west hem Tsste by : Al tynen vrienden ende magen , 

Wftcht wel dat hi u niet ontgaet! 10 Dat sy wel tot Reyner ugen, 

Bniui tprac : « Dat i* die bette roet Ende dat sy hem traden also na, 

Bie io ye gehoorde, die Reyner seit. » Dai hi hem ummw niet ontga. 

Y* 1960 Hy verlangt naer kloosterbier ; spreekwoord. Vergel. 
V' 2180. — 1961 Bruweuy brouwen. — 197a Pine, werk. — 1978 
Hy zou het namelyk niet hebben willen nalaten, of hy, enz. 

Yab. 1945 Y' 12 Reyn$r, voor Reinaert; en zoo nóg verscheiden nuden 
hier achter. 



80 REINAERT 

Beide. gebureende gaste, 

Dat si Reinaerde hilden vaste. 

Vrouwe Hersinden sinen wiye 

Beval bi, bi haren live, 
1985 Dat soe stonde bi Reinaerde, 

Ende soene name bi den baerde, 

Ende van hem niet ne sciede, 

No dor goet, no dor miede, 

No dor nijt, no dor noot, 
1990 No dor sorge van der doot. 

Reinaert andwoorde in corten woorden, 

Dat alle die daer waren hoorden : 

Here Isingrijn, half genade! 

Al ware u lief mijn grote scade^ 
1995 Ende al brincdi mi in vernoie , 

Ie weet wel , soude mijn moie 

Te rechte gedinken ouder daet, 

Söne dade mi nemmermeer quaet. 

Maer, her Isengrijn , soete oom , 
2000 Ga neemt uwes neven cranken goom , 

Ende here Brune ende here Tibeert , 

Dat gi mi dus hebt oneert. 

Gi drie gi hebbet gedaen al , 

Dat men mi ontliven sal. 
2005 Daer toe hebdi gemaket , 

Dat so wie, die mi genaket, 

87-94 Ende lijns wel seker namen waerde , Ende off gi niet al n quaetste en doet 

Dat hi hem ummer niet ontspringe. Aen my, gi Braon ende Tybeert , 

Reynaert boorde al dese dinge t So moet gi sijn Tan Gode onteert. 

Het dede hem zeer; nochtan sprao hi ; Ie bins getroost te desen weire; 6 

Och lieVe oom, my dunket dat gi Doch ie en mach mer eens sterven, 

V seer pijnt om myne scade." Ende dat woudic dattet wair gesciet; 

Dorst ie by halver genade. Want, doe mijn vader sijn leven liet 

99-81 Doch ie bynt, dair u over gaen moet. Doe wast kort myt hem gedaen. > 

V» 198-1 Bi haren live, op levensstraf. — 1986 Soene, zy hem. — 
1988 Miede, helooning. — 1993 Hier 'dient half genade. — 1998 Zy 
en zoude my nimmer kwaed doen. — 2000 Cranken goom, weinig acht. 



EERSTE BOEK. 



81 



Sceldet mi dief, of hevet leet. 
Daer omxne moetti, God weet, 
- Geonneert werden alle drie^ 

2010 Gine haest, dat gescie 

Al dat gi begeert te doene. 

Mi es dat herte Hoch also coene : 

Ie dar wel sterven ene warf. 

Ne wart mijn vader, doe hi starf , 

2015 Van alle sinen sonden vri? 
Gaet, gereet die galge, of gi 
Een twint mi langer niet ne spaert , 
Of varen moetti hinderwaert 
[Met] uwe voete ende uwe been ! » 

2020 Doe sprac Isingrijn: « Ameen. » 

« Amen , sprac Brune , ende hinderwaert 
Moet hi varen , die langer spaert ! » 
Tibert sprac: cc Nu haesten wi! » 
Ende met dien woorde sprongen si , 

2025 Ende liepen voort harde blide , 
Ende pijnden hem ten stride 
Te springene over menegen tuun, 
Isengrijn ende here Bruun. 



Doe sprac Tsegrim : « So laet ons gaen 10 

Ghi yloect ons, off wi u langer sparen, 

Ende cpialic so moet wi Taren 

Off wijt langer maken boide 

Aen Reyer. » Als hi dit seide 

Scoot hi myt enen groten nyde, 15 

Ende Bruun ter ander zyde, 

End leiden Tast ter galghen waert. 

Tybert liep Toor ongespaert 

Ende droech tot Reyers behoef dat strop : 

Hem was al wee in synen prop 20 



Van den stric, dat hem Tynck 
Tot des papen huus, daert hem qualic 
Dat laet hi sonder cronen ^ (ginck : 

Want hyt nu Reyer meent te lonen. 

Si spronghen oTer mennigen tuun 25 
Tybert , Tsegrim , ende Bruun , 
Mit Reynaert den scalcken roden, 
Eer sy quamen dairmen soude doden, 
Dair men placb den doden te nemen tlijff. 
Die coninck Nobel, ende sijn wijff, 30 
Ende alle die in den hoye waren , 



V" 2009 Geonneert. De verwensching geonneert tcerdi! is in de keure 
van hertog Jan, van het jaer 1292, op eene boet van vy f schellingen g©- 
tarifeerd. Zie het Codex diplomaticus achter Van Heelü, hl. 542. — 2010 
Ten zy dat gy n haest om te voltrekken. — 2017 Een twint ^ een beet- 
jen. — 2018 Varen hindencaet, achterwaerts gaen. 

Var* 1999 Y* 28 Deswege bekreunt hy zich niet. 

11 



82 



REINAERT 



Tibert yolchde hem naer : 

2030 Hem was die voet een lettel swaer, 
Van der line, die hi droech; 
Nochtan was hi rasch genoech: 
Dat dede hem al die goede wille. 
Reinaert stont ende sweech al stille, 

2035 Ende sach sine yiande lopen, 

Die hem dat strop an waenden cnopen. 
(c Maer het sal bliven » sprac Reinaert, 
Die stoet ende scouwede derwaert, 
Ènde [sach] si springen, ende keren. 

2040 Hi peinsde : « Deus , wat joncheren ! 
Nu laetste springen ende lopen: 
Leyic, si sullen noch becopen 
Hare oyerdaet ende hare scampie, 
Mine gebreke Reinaerdie; 

2045 Nochtanne sijn si mi 
Liever verre danne bi , 
1)ie gene die ie meest ontsach. 

Nu willic proeven , dat ie mach 
Te hove bringen een baraet, 

2050 Dat ie voor de dageraet 

In groter sorgen vant, te nacht. 
Hevet mine list sulke cracht 



[fteineke , 1 , 
22, Tt. 1939.] 



Volchden na myt groten scaren, 
Om teynde dair off te sien. 
Keynaert , die hem Tan miMchien 
Seer ontsach, ende bedocht hem dick 35 
Hoe hi by enigen stick 
fflocht Tan der doot Terdingen , 
Ende die geen , die dair so springen, 
Ende sijn scand sagen so gem, 
Verscalken mocht , ende driven tschem, 
Ende den coninc myt Terraet, 
Te hulpe crege , tot sijnre baet : 
Hier op was al sijn studeren. 



Hy sprac tot hem seWen: c Ie moet swe- 

(ren 
Ende helpen myt loesheit off ie kan; 45 
Want die noot die gaet my an. 
Al is die coninc gram op my 
Ende mennich die hier is by , 
Wats dan? dat heb ie Ytel Terdient. 
Ie ward noch licht hair liefte Trient, 50 
Ilochtan en deed ie hem nemmer goet: 
Die coninc is stère ; sijn raet is Ttoet; 
Ilochtan soudicse wel behalen, 
Hocht ie gebruken mijnre talen. 



V' 2044 Ten ware my myne Reynaertslisten ontbraken. 
Var. 1999 Y" 84 Misschien, kwaed geschieden. — 58 Behalen, in- 
halen, bereiken. 



BI. 83. 







EERSTE BOEK. 



83 



Als ie noch hope dat so doet , 
Al es hi listich ende yroet , 

2055 Ie wane den coninc noeh verdoren. » 
Die coninc dede blasen enen horen , 
Ende hiet Reinaerde uutwaert leeden. 
Reinaert sprac: cc Laet teerst gereeden 
Die galge , daer ie an hangen sal , 

2060 Ende daer binnen so salie al 
Den Yolke mine biechte conden , 
In yerlanessen van minen sonden. 
Hets beter, dat al tfolc yerstaet 
Mine diefte ende mine ondaet , 

2065 Dan si namaels enegen man 
Mine oyerdaet tegen an. » 

Die coninc sprac: cc Nu segget dan! » 
Reinaert stont als een droeve man , 
Ende sach al omme , harentare. 

2070 Dan so sprac hi al openbare : 
cc Helpe, seit hi , Dominus! 
Nu en es hier niemen in dit huus , 
No vrient no yiant, ie ne hem 
Een deel misdadich jegen hem. 



Ic weet so meimigen losen tont. « 55 

Nu qiMmeii sy dair die galge stout. 
Doe sprac Tsegrim: « Her Bruun, 
Denctnn aen die rode crüon, 
Die gi ontfenct bi Reyer» scout ! 
Twair tgt dat ghijs hem nu vergout 60 
Die quaetheit , die hi u ye gedede. 
Wy hebbens nu wel onss tijt ende stede. 
Tybert haest n ende clymt op ! (strop ; 
Knoopt aen die lijnde , ende maect den 
Ghi ujt die lichte Tan ons drien ; 65 
Ghi sult uwen wil noch huden zien 
Van hem , dien gi so xeer haet. 
Bmun, waoht dat hi u niet en ontgaett 



Hout hem Tast , ende siet wel toe. 

Ic moet pinen dat ic doe 70 

Die leder oprechten, hem op te gaen. • 

Bruun sprac: c Dats wel gedaen. 

Doet, dat sel hem wel. bewaren. » 

Reynaert sprac: « Hy mach wel vertwaren 

Mijn hert , mijn syn , Tan anxte groot; 75 

Want ic sieToor m^n ogen die doot , 

Dien ic niet en mach ontgaen. 

Heer coninc, ende alle die hier ttaen, 

IJ allen bid ic een bede , 

Eer ic Tan der werelt scede, 80 

Dat ic myn biecht doch mach spreken , 

Inde voor tt allen mach mgn gebreken 



y* 2062 In verlaneêsen, tot onüastiiig; Tan verladen. — S066 Tegen 
an, aentygded. — 2071 Zoo waar helpe my de Heer? 
Var. 1999 Y- 59 S&mt, schuld. 



84 



REINAERT 



2075 Nodbtan, horet alle, gi heren: 
Laet u wisen ende leren , 
Hoe ie Reinaert, aerminc, 
Eerst die boosheit ane yinc. 
In allen tiden spade ende vroe 

2080 Was ie een hovesch kint noch doe. 

Doe men mi spaende van der mammen , 
Ginc ie spelen metten lammen, 
Dor te hoorne dat gebleet; 
So lange dat ie een verbeet: 

2085 Ten eersten lapedic dat bloet : 

Het smaecte so wel , het was so goet, 
Dat ie dat vleesch mede ontgan. 
Daer leerdic leckernie an 
So vele, dat ie ginc ten geeten 

2090 Int wout, daer icse hoorde bleeten: 
Daer verbelic bockine twee. 
So dedic des derdes dages mee, 
Ende ie wart houder ende coener, 
Ende verbeet [vogel] ende hoener, 

2095 Ende gansen , daer icse vant. 

Doe mi bloedich wart mijn tant. 



Qaerlic Tertreckeii , op dat dair by 
Mijn ziel des onbecommert sy, 
Ende men mijn diefte ende Terraet 85 
Enen anderen , dies niet en bestaet, 
niet en betye , na desen tiden. 
Ie sal den doot te sachter liden. 
Ende bid alle dan Toor my, 
Dat God mijnre zielen genadichsy! • 90 
Alle die geen, die dese tale hoorden, 
Dien iamerden Tan synen woorden , 
Ende seiden, het wair een cleyn bede , 
Ende baden den coninck dat hi dede: 



So dats hem die coninck gaff oorloff. 95 
Eeynaert die blide was hier off, 
Docht: het mocht noch beter Tallen! 
Doe sprac hi aldus Toor hem allen: 
« Nu helpt my Spiritus Domini; 
Want ie en zie hier nyement by , 100 
Ie en bin dair misdadich tegen; 
Ilochtant was ie in allen wegen 
Dat goedertierenste jonge kijnt , 
Dat men Tant off noch Tijnt , 
Tot dat men my spaende Tan der mam- 
(men. 105 



Y" 2077 Aermincy armeling, ongelukkige. Hdydecoper hoadt het woord 
yooT pelgrim (op Melis Stoke, I, bl. 418). — 2083 Dor, om. — 2085 
Lapedic y lepte ik. — 2089 Geeten y geiten. — 2091 Bockine twee, twee 
bokskens. — 2092 Mee, nog meer. 

Var. 1999 V' 87 Betye, voor hetyge, aentyge. 



EERSTE BOEK. 85 

Was ie 8p fel ende so wreet, 

Dat ie suver op verbeet 

Al dat ie vant , ende wat mi doehte 
2100 Dat mi bequam , ende dat ie vermoehte. 

Daer na quam ie met Isingprime , 

Te wintre in enen eouden rime, 

Bi Basele onder enen boom: 

Hi rekende, dat bi ware mijn oom, 
2105 Ende began ene sibbe tellen. 

Aldaer worden wi gesellen. 

Dat mach mi te rechte rouwen ! 

Daer geloofden wi, bi trouwen, 

Recht geselscap manlic andren. 
2110 Doe begonsten wi te gader wandren. 

Hi stal tgrote, ende ie dat clene. 

Dat wi bejaechden wart gemeene ; 

Ende als wi delen souden doe, 

Ie was in hogen ende vro 
2115 Mochtic mijn deel hebben half.^ 

Alse Isingrijn bejagede een calf 

Of enen weder, of enen ram , 

So grongierdi, ende maecte hem gram , 

Ende toochde mi een gelaet , 
2120 Dat so suur was , ende so quaet , 

Dat hi mi daer met yan hem verdreef, 

Ende hem mijn deel al gader bleef; 

Nochtan achlic niet van dien. 

So menich warven hebbic versien ! 

• 

2 Te wynter aen den ouden Rijn, 13 Ende oec niet gemeen ako, 

3 Ende scuulde onder enen boom. 14 Hi en was in huegen yto, 

S Als ie hem dus maesscap hoorde tellen. 18-20 So grymde hi ende maecte heoi gram. 
9 Goet geselscap malcander te doen, 23-49 Doch was dit ^an den mynstenal; 

10 Ende gingen tsamen, myt herten koen. Her, als wi hadden al solc geral, 

V* 2100 Dat mi bequame, dat my goed was. — 2102 Rime, rym 
(pruina). — 2103 Baself by Dendermonde. — 2105 Sibkfi tethn, 
verwantschap uitleggen. — 2110 JVandrên, omgaen, verkeeren. ^— * 
2114 In hogen, verheugd. — 2118 Grongierdi, fr. il grognait. 



88 REINAERT 

2175 Brune en Isingrijn beede 

Op hief in grootè ongereede, 

Ende die in veten ende in ongeval 

Jegen den coninc bringen saL 

Die heren , die nu ^aren so fier, 
2180 Dat si Reinaerde waenden bier 

Te sinen lachter hebben gebrouwen, 

Ie wane wel, in rechter trouwen, 

Dat hi sal weder mede blanden , 

Dien si sullen drinken met scanden. 
2185 In enen gelate met droeven sinne 2?vrMw i 

Sprac Reinaert : « Edele coninghinnè , 

Al haddi mi nu niet gemaent, 

Ie bem een die sterven waent ; 

In laet niet liggen op mijn siele ; 
2190 Ende waert so, dat mi geviele, 

Mi stonder omme in de helle te sine, 

Daer die torment es , entie pine. 

In dien dat die coninc milde 

Een gestille maken wilde, 
2195 Ie soudé seggen, met genaden, 

Hoe jammerlike hi was verraden 

Te moordene, van. sinen lieden. 

Nochtan, diet alre meest berieden, 

Sijn som van minen liefsten magen, 
2200 Die ie node soude bedragen , 

Ne deedt die sorge van der helle, 

Daer men seit, dat si in quellen. 

Die hier sterven, ende moort 

Weten , sine bringene voort. » 

87 Al en haddi my niet so hooch yermaent. 95 Ie soud hem seggen , al myt staden. 

90 Want licht dat my geviel 3 Die hier weten verraet oJBTmoort, 

91 In die hel dair om te sijn. 4 Ende dat niet en brengen Toort. 

4 

V" 2176 Bracht m groot ongeval. — 2183 Dat hy daarentegen een meé- 
drank zal mengen (blanden). — 2197 Te moordene, om vermoord te 
worden. — 2200 Bedragen, beschuldigen. — 2204 Zonder die voor te 
brengen, te ontdekken. 



EERSTE BOEK. 89 

2205 Dien ooninc wart dat herte swaer, 

Ende sprac : « Reinaert, sechstu mi waer ! 

« Waer, sprac Reinaert, yraechdi mi des? 

Jane weet gi wel hoet met mi es. 

Ne bewaent niet, edel coninc, 
2210 Al bem ie een aerminc, 

Hoe mochtic sulke moort getemen? 

Waendi , dat ie willé nemen 

Ene logene op mine lange TaertP 

In trouwen neen ie, » sprac Reinaert. 
2215 Bi der coninghinnen rade, 

Die sere ontsach des coninx scade , 

Geboot die coninc openbare, 

Dat daer niepQen so coene en ware , 

Dat hi een woordekijn iet sprake , 
2220 Tote dien, dat Reinaert met gemake 

Hadde volseit al sinen wille. 

Doe s wegen si alle gader stille. 

Die coninc biet Reinaerde spreken: 

Reinaert was yan feilen treken : 
2225 Hem dochte scone sijn geval , 

Hi sprac: cc Nu swiget over al, 

Na dien dat es den coninc lief, 

Ie sal u lesen , sonder brief, 

Die yerradenesse openbare, 

7 « Owi sprac Reynaert , waendi des? Der coninghinne jammerde Tan desen , 

8 Ghi xiet doch wel hoet myt my es. Ende bat den coninc op genaden , 
9-24 Wat waendi des, edel heer, Om te scntten meerre scaden, 

Al bin ie anders besundicht zeer, Dat hi den toIc bode sylency, 

Dat ie. mijn liel wil Terdoemen? Ende Reynaert gaye audiency , 

Wat soud my te baten comen Sijn tael te spreken al uut. 15 

Dat ie anders seide dan het waer? 5 Doe dede die coninc oyerluut 

Hijn doot die is my also swaer, Gebieden, dat ellic swege al stüle, 

My en mach helpen bede noch goet. » Ende liet Reynaert synen wiUe 

Doe beefde Reinaert, dair hi stoet, Onberispt ten eynde spreken. 

In enen geTeysden schijn Tan Tresen. Reinaert , die toI was loser treken. 

V' 2209 En denkt niet, edel koning. — 2211 Getemen, gedoogen. 
Zie OTer het woord Hutd. op Stokb^ II , bl. 488. — 2229 F'errade- 
neue, by Ganoi: verraderen. =» Var. 2209 Y' 18 Bode, gebode. 

12 



90 REINAERT 

2230 So dat ie niemene ea spare , 

Dien ie te wroegene seuldieh bem. 

Dies lachter heyet, seaems hem! » 
Nu Terneemt alle gader ^ 

Hoe Reinaert sinea eertschen vader 
2235 Met YerradeneMen sal bedriegen ^ 

Ende enen van sinen iiefsten magen liegen : 

Dat was Grimbert) die das, 

Die hem hout yan herten was. 

Dat dede Reinaert omme dat , 
2240 Dat hi wilde , dat tnen ie bat 

Sinen woorden geloven soude 

Van sinen tianden , [waer] af hi woude 

Die yerranesse tien an« 

Nu hoort, hoe hi dies began. 
2245 Reinaert sprae : « Wilen teer stonden 

Hadde mine here mijn vader vonden 

Des coninx Hermelinx scat, 

In eere verholnen stat. 

33 Ru hoort hoe Beynaert des began, 42 Ende hi dan die selve sake 

34 Dat hi den Tader, die hem wan , 43 Op «ijn vyanden te bet mochtiei^en. 

35 In Terradenissen wil bedrageo, 44 Aldu» begtti teerst yan synen seggen. 

36 Ende een yan synen Uefsten Inagen. 45 Hy ^réc : Wileneer tot enen stonden. 

40 Dat men sijnre woorden te bat 47 Des conins heymelicste scat 

41 Geloven soude , die hi sprake, 48 In enen verholentliken pat; 

Y' 2282 Hy schame zich , die daervan de sohande heeft. — 2286 Lie* 
gen, beliegeD. -^ 2248 Tien an, aentrekken, aentygon. — 2245 PVikn 
teer stonden, eertyds t*eener stonde. — 2247 JSermelinaf eoAt. £rmenrik » 
koning der Gothen, volgens Saxo Grahhaticijs, overgroote schatlen hy 
een gebracht hebbende, deed, om de zelve te bewaren, een groot kan- 
teel bouwen. In de Miracula St-Bavanis, geschreven in de tiende eeu|v 
{j4cta Benedict» sect. II, p. 407) vindt men, dat deze koning te Gent 
een slot had : « Ferunt autem Agrippam quondam Romanorum dueem 
in eo (loco) oastrum condidisse, Gandavnmqae appellasse. At alii Jier- 
menricum regem in eo arcem imperii sibi tradunt institaisae. Yei^el. 
Ghihk, Reinhartj hl. clii, en Chronique de St-Bavon^ 4 Gmnd , par Imaji 
n Thulrodi , p. 98-95. —^ 2248 Stat, plaets; in de anderen /mi/« 

Var. 2248 Op kggen, bezwaren. 



EERSTE BOEK. 91 

Doe mijn vader hadde Tonden 
2250 Den scat, wart hi in][corten stonden 

So OTerdadich , ende 80 fier^ 

Dat bi veronweerde alle dier^ 

Die sine genote te Toren waren ; 

Hi dede Tiberte^ den kater ^ yaren 
2255 In Ardennen^ dat livilde lant, 

Aldaer hi Brune den bere yant: 

Hi ontboot Brune grote Gods houde, 

Ende dat hi in Ylaendren comen soude, 

Of hlooninc wilde weaen. 
2260 Bruun wart Yro yan desen, 

Hi hadt menegen dadx begeert : 

Daer maecte hi hem te Ylaendren weert 

Ende quam in Waea , int soete lant , 

Daer hi minen yader yant. 
2265 Mijn vader ontboot Grimberte, den wisen, 

Ende bingrijn, den grisen; 

Tibert, die kater, was die vijfte, ' 

Ende quamen tenen dorpe , biet Hijfle. 

Tusscen Hijfte ende Ghent 
2270 Bilden si haer parlement, 

In eere belokenre nacht ; 

Daer quamen si bi sduyels cracht 

Ende bi sduyels gewelt, ' 

Ende swoeren daer, an twoeste velt , 

49 Eode doe hi had «Idus groot goet, 63 Dair hi mynen yader yont , 

50 Wart hi 8o fier, so hooch gemoet, Dien wel ontfenck doe te hant. 

51 Dat hi myt sijnre groter hoTeerde 69 Tasschen Risei ende Okent , 

tSfl An^ dieren Teronweerde. 71 In enen donckeren Ungen nacht , 

53 Die sgn geaeUen te voren waren. 72 Oyermit» de» TÏant cracht, 

57 Hi ontboot »ine houde. 73 Ende mijns Taders gewelde. 

61 Want hi hads langen tijt begeert. 74 , Dien dwanc myt synen gelde, 

V* aasa Vfmiowrèe, yeraohtte. ^ %Wl Gf^ CMs himdê, groote 
OOmpUiiieBlen; want mm w^nschte (jpewoonlyk aea ieaiaod g^dêktmd^, 
dat 184 ée goddelji» pui$t. -- 2368 HyfU^ tfaass geea d^rp meer, 
moer ecA gehnchl lif Desteldoiik ea Lopcbristy. — 3270 Parlement, 
onderhamdeling, gesprek* — 3371 In een^a bedekten (donkereD) nacht. 



•2 REINAERT 

2275 Alle Tive, des coninx doot. 
Nu hoort wonder alle groot 
Wat si noch over een dragen : 
Wilde lemen van sconinx magen 
Dat wederseggen^ mijn vader soude 

2280 Met sinen silvere ende met sinen goude 
So den genen steken achter, 
Dat sijs souden hebben lachter. 
Dit wetic, ende segge u hoe. 
Eens morgins harde vroe 

2285 Geviel, dat mijn neve, die das, 
Van wine een lettel dronken viras , 
Ende liet in verholnen rade minen 
Wive, miere vrouwe Harmelinen, 
[Die hijt] al van pointe te pointe seide , 

2290 Daer si liepen an die heide. 

Mijn wijf es ene vremde vrouwe, 
Ende gaf Grimberte hare trouwe , 

75 Swoeren u dair des conincs doot. Dat si bleyen in den lachter. 10 

77-82 Sy zwoeren op Tsegrims cruun , 87-98 So dat hi yrou Sloppelkade 

Alle Tive', datse Bruun Synen vr'vre seide in rade , 

Coninck ende heer souden maken, Ende hiet haer dat sijt soude helen; 

Ende setten hem, in den stoel tAken, Ende sy yergat al sijn beyelen; 

Op sijn hooft die croon Tan goude; 5 Want sijt voort in biechte seide 5 

Ende wairyement, diet keren woude^ Mynen wive, op eenre heide, 

Van des conincs yriende ende magen, Dair sy bedevaert gingen t'samen; 

Hijn vader soudze al veijagen, Mer si most bider drie coningen namen 

Mit sijnen scat, ende steken achter. Eerst sweren, ende bi haerre trouwe, 

V' 2277 Overeen dragen, samen vaststellen. — 2288 Dit wette, dit 
kwam ik te weten. — 2287 Liet, belydde het; van lien. 

Var. 2277 V* 1 Op Isegrima cruun, op zyne in het klooster gehei- 
ligde kruin (¥• 1508). Men zwoer op heilige zaken , reliquien enz. 
Priesters echter moesten geenen eed doen: wanneer zy getuigden ^ leidde 
de rechter zyne hand op hunne kruin, en zoo deden zy hunne verkla- 
ring « Ende ie bevinc den pape bi sire priesterscape ; dandro suorent ten 
heilighen bi gestaveden eede. » (Zie de waerheidsbrief van het jaor 1275 
in het Codex dipL op Vaw Heblu, bl. 571). Wereldlyke persoonen wer- 
den by de ooren getrokken (testes per aures tttusti). Yergel. Gedih's 
Reehtsahherthümer, bl. 8K7 , en Mone's Anzeiger, 1885, bl. 151. 



EERSTE BOEK. 



93 



Dat verholen bliven soude. * 

Ten eersten, dat soe quam te woude, 
2295 Daer ie veas, ende soe mi yant^ 

So telde soet mi te hant : 

Ne waer het was al stiUekine. 

Ooc seide soet bi sulken lijctekine , 

Die ie kende so waer, 
2300 Dat mi alle mine :haer 

Opwaert' stonden, van groten rare. 

Mine herte wart mi openbare 

Also eout als een ijs, 

Dies sijt seker ende wijs. 
2305 Die pude wilen waren yri ; 

Ende ooc so beclaechden hem si, 

Dat si waren sonder bedwanc: . 

Ende si maecten een gemanc, 

Ende so groot gecrai op Gode^ 
2310 Dat hi hem gaye, bi sinen gebode, 

Enen.coninc, die se dwonge. 

Dies baden die oude entie jonge 

Met groten gecraie , met groten gelude. 

God gehoorde, die pude 



Dat zijt, door lieve noch door rouwe, 10 
Nemmermeer zoud seggen voort; 
Mer mijn wij ff en hielt nyiB hair woort; 
Want teerst, dat si bi mi quam, 
Seide sy my wat sy vernam; 
Mer 8i seit my in stillre teyken, 15 
fflede seide si my suick litteyken. 
6-20 Ende hoe dat si claechden dat sy 
Te veel waren onbedwongen, 
Ende riepen op Gode , myt luder tongen) 



Dat bi hem gave enen heer, 

Diese bedwonge na synre geer. 5 

Want ten dooch geen meent xonder 

Dit was alder puden sanck; . (dwanck. 

Ende God die dede hair begeer, 

Ende sette hem enen heer, 

End seynde hem enen odevader, 10 

Die verslant ende verbeetse algader, 

In allen steden , dair hi se vant , 

Wast te water óffopt lant. 



V» 2295 Soe, zy. — 2296 Zoo vertelde zy hetmy dadelyk. — 2297 
Ne waer ^ doch. — 2298 Lijctekine , teeken^ waerteeken, merk, be- 
duidenis. — 2801 Vare, vrees. — 2305 Puie, puiden, kikvorscheOit 
-— 2309 Gecrai, geroep; van kraien, craieren. 

Yaa. 2306 Y* 5 Geer, begeerte. •*- 6 Want geen gemeente deugt ton- 
der bedwang. 



04 REINAERT 

2i^l5 Tenen tide Tan den jare^ 

. End^ sende hem den comnc Oderare , , 

Die se T^beet ende Ter$tanc 

In allen landen ^ daer hise yant , 

Beidein water ende in tdl. 
2320 Daer hise^ant in aine gewelt 

Hi dede hem emmer ongenade. 

Doe claechden ai : het was te spade. 

Het was te spade ; ie seggu twi : 

Si, die Toren waren Tri, 
2325 Sullen sonder wederkeer 

Sijn eigin bliyen emmermeer, 

Ende leyen ewelike in Tare 

Van den coninc OdeTare. 

Gi heren, arme ende rike, 
2330 Ie yrudtte ooe dies gelike^, 

Dat [met u so] soude gerallen : 

Doe droegtc sorge Toor ons allen. 

[Here ,] dus hebbie gesm*get tocmt u : 

Dies dancti mi lettel nu. 
2335 Ie kenne Brune Talsch ende quaet, 

Ende yol Tan alre OTerdaet. 

Ie peinsde: worde hi onse here<, 

Dan ontTruehtic harde sere, 

Dat/wi alle waren Terloren, 
2340 Ie kenne den eoninc so wel geboren , 

Ende soete, ende goeder tiere, 

Ende genadich allen dieren. 

23 Het WM te fpade te tej^gen o wy ! 28 Onder horea oodamrader, deq copmck. 

25 Eode niet eo acliten op iemens dreigen | 30 Ie ducht al des gelike. 

26 Sijn ewelic 8calc ende eygen, • 37 Dair om onsach ie hem zeer, 

27 Ende moeten bÜTen onselinck 38 Ende peynsde : word hl on* heer« 

V* 2818 Od&varef ooiyaer. Deze fabel is ook te lezen in Lücüs Dsurs^ 
fVarachtige fdbulen der dieren, bl. 87. — 2880 F'ruchtey vreeze. 

Yaa. 2826 Scalc, knecht. — 2827 Onaelinch^ ongelukkig; yan ofi- 
wUe^ onsaH^eid, misena, calamitas.. Zie ScmaTzn GJouar. bl. 1982. 
— 2828 Ouden vader, yoor Odevare, 



EERSTE BOEK. 96 

Het dochte mi/bi ajleti ding^ti 

Ene qu^de maogfeUnge, 
2345 Die ons ne mochte comen - • 

No teren ) no te ytomevt. 

Hier omme pijndic ende pogede, 

Mine herte grote aorge dogede, 

Hoe so erge ene sake, 
2350 Dat so gescoort worde, ende brake 

Mijns Tader bosen raet, 

Die enen dorper, enen vraet, 

Coninc ende here maken waende; 

Emmer bad io Gode, ende maende, 
2355 Dat hi den coninc, minen here, 

Behilde sine ivareltere. 

Bedi ie kende xyel dat, 

Behilde mijn vader sinen scat. 

Si souden wel des raets getelen 
2360 Onder hem , ende sipen gespelen , 

Dat die coninc worde verstoten. 

In diepen gepeinse ende in groten 

Was ie dicken, hoe ie dat^ 

Soude vinden, waer die scat 
2365 Lach, die mijn vader hadde vonden. 

Ie wachte nauwe tallen stonden 

Minen vader ^ ende leide lage , 

In menegen bosch, in menege hage, 

Beide in velde ende in woude, 
2370 Waer mijn vader, die li$tige oude, 

45 Dair ona^alioto» off sc^ude comen 60 Dair bi ie tcoorde eo4e bnke; 

46 Veel pinen, ende veel onvromen. 57 Mer wel bebroede ie altyl dat. 

47 Nauwe pijnde ie ende pofj^ede. 59 Hy «oude, myt tynen TalMhea ^eapeleii, 
49 Hoe ie gedede enige zake, 60 Den raed vynden ende telen. 

y* 2349, 2451 Hoe zulke erge zaek mocht worden gescheurd, en 
aldus gebroken wierd myns vaders boozen raed. -^ 2387 Bedi^ by 
^en, daenmi. — SSëd.Zy zouden wel gemaekt hebben ^ dat hun raedd- 
beslag niet Tmchteloos. nitTieL Getehn, Truchtgeyen. -^ 9t9% Nauiife', 
met naeuwgezetheid. 



96 REINAERT 

Henen trac ende henen liep : 

Was het droge, was het diep, 
xfjih. Wast bi nachte, wast bi dage, 
2372c. Ic was emmer in die lage, 

Wast bi dage, wast bi nachte, 

Ic was emmer in die wachte. 
2375 Op enen slont geyiel, daer nare , ^vr^?'] 

Dat ic mi decte met groten vare, 

Ende lach gestrect neven deerde , 

Ende van den scatte , die ic begeerde , 

Geerne iewet hadde vernomen : 
2380 Doe sach ic minen vader comen 

Ute enen hole gelopen. 

Doe began ic te scatte hopen 

Bi den barate , als ic hem sach 

Driven [dat] ic u seggen mach : 
2385 Want [doe] hi uten holen quam , 
' Sach ic wel, ende vernam. 

Dat hi omme sach, ende merkedi, 

Of hem. iemene ware bi ; 

Ende als hi niemene en sach, 
2390 Doe queddi den sconen dach, 

• Ende stoppede dat hol met sande, 

Ende maectet gelijc den andren lande* 
Dat ic dat sach ne wiste hi niet. 

Doe sach ic, eer hi danen sciet, 
2305 Dat hi den steert liet mede gaen 

Daer sine voete hadden gestaen, 

72 Was heet , 'cout , nat ofte diep. 79 Dair ic gheme off had ▼emomen. 

75 Enen tiden lach ic in die eerde , 85 Want ic aen hem dit Yörnam^ 

76 Ende wachte /als die zeer begeerde, 86 Dathi uutten hole quam, 

77 Hoe ic best weten conde, 87 Al om ziende, mercte hy. 

78 Dair ic den scat gevende, * 90 So beide hi went opten dach (sic)^ 

y* S376 f^arv^ yaren; een bekend plantgewas. — 2382 Toen werd 
myne hoop grooter, om den schat te krygen. — 2384 Driven,- be- 
dry ven, werken. — 2387 Merkedi, merkte hy. — 2390 Toen nam hy 
a£»cheid. Queddi, zeide hy. 



EERSTE BOEK. 97 

Ende decte sijn spore metter mouden. 

Daer leerdic , an den vroeden ^ bouden , 

Een lettel meesterlike liste , 
2400 Die ie te voren niet ne wiste. 

Aldus voer mijn vader danen 

Ten dorpe waert , daer die hanen 

Ende die vette hinnen waren. 

Teerst dat ie mi dorste baren, 
2405 Spranc ie op, ende liep ten hole : 

In wilde niet langer sijn in dole, 

Ende ie genaecte doe te hant. 

Sciere seraeMie op dat sant , 

Met minen' voeten , ende eroop in : 
2410 Aldaer vandie groot gewin ; 

Daer vandie silver ende gout: 

Hier nes niemen nu so out, 

Dies ie so vele te gader sach. 

Doe ne spaerdie naeht no daoh , 
2415 Ie en gihe treckeh ende dragen, 

Sonder karre ende [sonder] wagen, 

Over dach ende over nacht, 

Met algader miere cracht. 

Mi halp mijn wijf, vrouwe Hermeline: 
2420 Des dogeden wi grote pine , 

Eer wi den overgroten scat 

Brochten in een ander gat, 

Daer hi bet lach tonsen gelage. 

Wi droegene onder enen hage 
2425 In een hol verholenlike: 

97-6 Ende decte sijn Yoetstappen miiien Ende liep ten dorpe , om sijn generen , 

Dit leerd ie dair, tot dier stonde,(monde. Om dies ie niet en woud ontberen , (Ie: 

Aen mynen Talschen ouden yader, Spranc ie op dievaert , ende liep ten hol- 

Die dese liste cond allegader, Oec so en was ie doe niet dolle. 10 

Daer ie te Toren off ne wiste niet. 5 22 Brochten op een ander stat. 

Mettien hi yan dane sciet , 25 In een hol in die eerde wel diep. 

V* 2404 Zoodra ik my dorst verroeren. — 2418 Dies «e, die des 
ooit. — 2420 Ifogeden, verdroegen. 

18 



98 REINAERT 

Doe was ie van scatte like. 

Nu hoort, wat si hier binnen daden, 

Die den coninc hadden verraden. 

Brune, die bere, sendde uut 
2430 Yerholenlike sijn saluut 

Achter lande, ende omboot 

Al den genen rijcheit groot , 

Die dienen wilden omme t^out : 

Hi beloofde hem silver ende gout, 
2435 Te gevene met milder bant. 

Mijn vader liep in al dat lant, 

Ende droech des Brunen brieve: 

Hoe lettel wiste hi, dat de dieve 

Te sinen scatte waren geraect, 
2440 Dies hem so quite hadden gemaect. 

En ware die scat niet ontgonnen , 

Hi hadder met die stat van Lonnen 

Al te gader mogen copen. 

Dus wan hi an sijn omme lopen. 
2445 Doe mijn vader, al omme ende omme, £' y^*^'; 

Tusschen dier Elve entier Somme 

Hadde gelopen al dat lant, 

Ende hi menegen coenen seriant 

Hadde gewonnen , met sinen goude , 
2450 Die hem te hulpen, comen soude , 

26 Binnen deser iijt mijn Tader liep , Ende dat si scier tot hem quamen , 

27 Tottien den coninc wouden Tenraden : Ende hair toudi te Toren namen. 

28 Nu mogedi horen wat sy daden. 39*44 Hem synen scat hadden genomen ,* 
30-34 Hair brieve ende groot salnut Ja al had hem mogen vromen 

Aen allen die sondi wouden wynnen. Al die werelt uutten gronde , (den. 

Bruun die beer toudse scryren inne Hy foa had dair niet een penninck von- 

V* 2427 Hier binnen, ondertnsschen. — 2481 Omboot, bood, be- 
loofde. — 2488 Tsoui, d'aoude, de soldy. — 2440 So, zy. — 2442 
Met, mede. Lonnen, Londen. — 2448 Seriant, dienaer, soldaet. 

Yae. 2427 Tottien den coninc, tot die den koning. --- 2480 Y' 2 en 8 
Al had de geheele wereld hem te baet gestaen , toebehoord. In den ouden 
prosadruk: « Ja, had hem al die werelt uten gronde moghen werden. » 
Vergclyk V 962 hierboTen. 



EERSTE BOEK. 99 

Alse die somer quam int lant , 

Keerde mijn vader, daer hi vant 

Bnine , entie gesellen sine. 

Doe teldi die grote pine 
2455 Ende die menichfoudege serge , 

Die hi yoor de hoge borge 

Int lant van Sassen hadde leden ^ 

Daer die jageren hadden geleden 

Alle dagen met haren honden , 
2460 Die hem vervaerden te menegen stonden. 

Dit telde hi te spele al gader. 

Daer na so togede mijn vader 

Brieve, die Brunen wel bequamen, 

Daer XIL® al hi namen 
2465 Sheren Isingrijns mage in stonden , 

Met scerpen elaeuwen , met diepen monden : 

Sonder die catte , ende die haren , 

Die alle in Brumis soude waren, 

Ende die vosse, metten dassen, 
2470 Van Doringen ende van Sassen. 

Dese hadden alle gesworen, 

Indien dat men hem te voren 

Van XX dagen gave haer sout, 

Si souden Brunen met gewout 
2475 Seker wesen tsineng^ode. 

Dit benam ie al, danct gode! 
Doe mijn vader hadde gedaen 

Sine bodscap, hi soude gaen 

SM3 Dair ëie jagen na hem reden S6 Hit tcerpen tanden myt widen monden. 

Hit haren honden alle dage , 73 Van drien weken haer soadi ; 

80 dat hi nan ondroech die crage. 74 Si tonden -eomen geweMelie by, 

Dit telde hi den Tier feilen verradere. , 75 Tot Brunen , mitien eersten bode. 

Bair na toonden hem al gedere 77-86, Mijn yader ghinc , na deaer tale, 
Brunen enen brieff, dair si in Temamen. Tetten hole na desen male , 

V' 24IS8 Geleden, voorbygegaen; doch wellioht moet men le^en be^ 
reden, als Rurikb bou doen gekoven. — 3461 Telde, vertelde. — 2467 
Baren, beren* 

Var. 58 Y" 3 Zoo dathy naeuwlyksde&kraeg, denhals, yaii daen droeg. 



100 REINAERT 

Eade scouwen sinen scat ; 
2480 Ead^ als hi quaim ter selver stat , 

Daer hine gelaten hadde te yoren , 

Was die scat al verloren, 

Ende sijn hol was op te broken. 

Wat hoipe vele hier af gesproken? 
2485 Doe mijn vader dat vernam , 

Wart hi serich ende gram, 

Dat hi van torne hem selven hinc. 

Dus bleef achter Brunen dinc 

Bi miere behendichede aL 
2490 Nu merct hier mijn. ongeval : 

Here Isengrijn ende Brune, die vraet, 

Hebben nu den nauwen raet 

Metten coninc openbare , 

Ende arm man Reinaert es die blare ! » 
2495 Die coninc ende die coninglnune, 27^ v!"^9] 

Die beide hopeden ten gewinne , 

Si leedden Reinaerde buten rade, 

Ende baden hem , dat hi vrel dade , 

Ende hi hem vi^ijste sinen scat: 
2500 Ende alse Reinaert hoorde dat 

Sprac hi : « Soudic u wisen mijn goet , 

Here coninc, die mi hangen doet? 

So waer ie uut minen sinne. » 

« Neen« Reinaert, sprac die coninghinne, 

Dair sijn scat hi woud bescouwen , Ende ie heb mijn ^ader begeven , 

Mer doe ghinci tot groten rouwe ! Om den coninc te behouden sijn ieven. 

Want wat hi socht, hi en vant niet, 5 Waer syn sy hier, die dat doen souden , 

Ende sijn hol hi al te broken siet, Hem selven te verdenrenom hem te hou- 

Ende sijn scat al wech gedragen. 2 Den coninck , die my hangen doet.(den? 

Doe dede hi , dat ie lanc mach clagen. 3 , Om dat verraders ende mordenaren 
93-94 Bi den coninc, ter hoochster banckr Hit langen tongen my willen beswaren •' 

Erm man Keynaert is sonder danck. So waer ie ummer uut mijn syn. 

V' 2486 Serich y treurig. — 2488 Op die wyze bleef de zaek van 
Bruin (zyn aenslag) zonder gevolg. — 2402 Nauwen raet, engen, ge- 
heimen raed. — 2494 En de arme Reinaert moet op de blaren ^ op 
de bleinen , zitten. Grimh verstond het woord niet. 



EERSTE BOEK. 101 

2505 Mijn here sal u laten leven, 

Eflde sal u vriendeiike vergeven 

Alle gader sinen evelen moet, 

Ende gi sult voort meer sijn vroet 

Ende goet , ende gehouwe. » 
2510 Reinaert sprac: « Dit doe ie, vrouwe, 

Indien dat mi de conine nu 

Vaste gelove , hier yoor u , 

Dat hi mi geve sine hulde, 
. Ende ^e mine broke ende sculde 
2515 Wille vergeven , ende omme dat 

So willic hem wisen den seat, 

Den conine, al daer hi leget. » 

Die conine sprac: « Ie ware ontweget, 

Wildic Reinaerde vele geloven : 
2520 Hem es dat stelen ende dat roven 

Ende dat li^en geboren int been. )> 
Die coninghinne sprac: « Here, neen, 

6i moget Reinaerde geloven wel: 

Al was hi hier te voren fel, 
2525 Hi nes nu niét dat hi was. 

Gi hebt gehoort, hoe hi den das 

Ende sineu vader hevet bedregen 

Met moorde, die hi wel betegen 

Mochte hebben andren dieren, 
2530 Wildi meer sijn argertieren 

9 Ende mijo heer wesen altoos getrouwe. Want die scat is sonder getal , 

15-19 Eode aUe aenticht wil Tergereo , Die ie hem wisen sel , aldaer hi leit : 

So wart nye conine , in sinen IcTon, Dair toe so bin ie al bereit. 

So rijek j als ie hem maken sal ; Die conine sprac : «Wildi Reyner geloven.^ 

V' 3807 Sinen evelen moet, zyn euvelmoed, gramschap, waer hy ten 
uwen aenzieu in geweest is» — 2500 Gehouwe, yerknocbt. Zoo zeide 
men': Iemand houw en getrouw zyn. — 2514 Broke, breuken, wets- 
▼erbrekingen* — 2518 Ontweget, ontwegd, buiten den weg geraekt, 
deviatus, fr. founroyé. — 282B Betegen... hebben, aengetygd, aenge- 
wreven hebben. — 2530 Argertieren , kwaedaerdig. 



102 REINAERT 

Ofte fel, ofte ongelrouwe. » 
Doe 8prac die coninc: cc Gentel vrouwe, 

Al waendic dat mi soude $eadea , 

Eist, dat gijt mi dorret raden, 
2535 So willict laten op u genent, 

[Ende] dese vorwoorde ende dit covent 

Op Reinaerts trouwe staen : 

Ne waer, ie segge hem , sonder waen , 

Doet hi meer archede , 
2540 Alle die hem ten tienden lede 

Sijn belanct, suUent becopen ! » 
Reinaert $ach den coninc belopen, 

Ende wart blide in sinen moet, 

Ende sprac: « Here, ie ware onvroet, 
2545 Ne geloofdic u niet also^. » 

Doe nam die coninc een stro 

Ende yergaf Reinaerde algader 

Die wancost van sinen vader, 

Ende sijns selves mesdaet toe. 
2550 Al was Reinaert blide doe 

Dat en dinct mi geen wonder wesen: 

33-39 Die coninck sprac : < wfldijt , vroii , Her lo sweet hem dat , by mijnre croon, 

Ende wildijt voor u beste raden ? Waert dat bi ummer meer mysdede. 

Al waendic dat my soude scadea, 45 Seide ie waer ten waer also. 

Ie wil dese broken ende getwi 48 Die ongunst mede van sinen Tader, 

Van Reynaert nemen al op my, 9 49 End van bem selven oec also. 

Ende gelovens sijnre woorden «cboon ; 52 Want bi was tander doot genesen. 

V 2532 Gentel, gente, jente, nog in Vlaenderen gebruikelyk; fr. 
gentille. — 2585 Op u genent, op nwe genendigheid , op het geen gy 
u laet Toorstaen, au»um, rUioo. — 2536 Qwentf fr. convention. — 
254<1 Belanct, aenbelangd, yerwand. — 2542 Belopen, OYerloopen, 
door list overmand. — 25-46 Een stro. De overgaef van een stroohalm 
was eertyds by ons een symbolum van onteigening ^ overdracht , schen- 
king, enz. De koning volgt hi^ dit gebruik tot genadeschenking, en 
Reinaert een weinig verder tot afstand van zynen schat. Zie daer over 
Rasmaet, Analyse, I, p. 857, en Geihh's Bechtsaiterthwner, bl« 121 en 
volgende. 

Var. 33 V" 4 Getwi, verdeeldheid, strydigheid met de wet. Van iwuen 
\j>mi twist, twee, enz. 



EERSTE BOEK. 103 

Ja ne was hi van der doot genesen. 

Doe Reinaert quite was gelaten, M^ÏTtosi 

Was hi blide utermaten , 
2555 Ende sprac: « Coninc, edel here, 

God moete u lonen al die ere 

Die gi mi doet, ende mijn vrouwe: 

Ie secht u wel , bi miere trouwe , 

Dat gi mi vele eren doet, 
2560 So groot ere , ende so groot goet, 

Dat niemen nes onder die sonne , 

Dien ie alse wale jonne 

Mijns scats ende miere trouwen, 

Als ie u doe, ende miere vrouwen. » 
2565 Reinaert nam een stro voor hem 

Ende sprae : « Here coninc , nem , 

Hier geve ie di op den scat 

Die wilen Ermeline besat. » 
Die coninc ontfinc dat stro , 
2570 Ende dancte Reinaerde so , 

Als quansijs cc dese maect mi here ! » 

Reinarts herte loech so sere, 

Dat ment wel na an hem vernam 

Hoe die coninc so gehoorsam 
2575 Al gader was, tesinen wille. 

Reinaert sprac: « Here, swiget stille; 

Merket, waer mine redene gaet : 
. Int Oostende van Vlaendren staet 

57-60 £nd0 mijnre vrouwen, die gi my doet. Mijnheer, sprac hi, wilt ontfaen 

Ie sel dair om dencken , ben ie vroet , Mijn scat hiermede ; want icken u yry, 6 

Ende n des dancken hogelijck Ende daerlic dair off Terty, 

Dat giboTen alien heren selt wardoDriJck. Die wilen Ermeline besat. > 

63-72 Byn scat, als ie doe u beiden. » Die coninck namt.stro ende dancte hem 

Doe nam hi een stroo op vtofk der heiden, Met bliden aenschijn ende ?ro. (dat 

Ende boot dat den conino laen: Doe loech Reynaert in hem selven so. 

\' 2582 Immers nu wfts hy van het 'gevaer des doods ontslagen. — 
2557 Mijn vrouwe ^ namelyk de koningin. -^ 2571 Als of hy kwan- 
suis zeggen wilde : Ziet deze maekt my heer en meester van^ zyn goed ! 

Var. 2568 Y' 6 F^eriy, overdragen overstelle. 



104 REINAERT 

Een bosch , endeheet Hulsterlo. 
2580 Coninc, gi moget wésen vro, 

Mochti onthouden dit: 

Een borne heet Kriekepit 

Gaet suutwest niet yerre danen : 

Here coninc, gine dorft niet wanen, 
2585 Dat ie u de waerheit iet misse : 

Dats een de meeste wildernisse, 

Die men hevet. in enich rike. 

Ie segge u ooc gewaerlike, 

Dat somwilen es een half jaer, 
2590 Dat toten borne cornet daer 

No weder man no wijf , 

No creature, die hevet lijf, 

80-93 Sijn rechte naem b also : Dair en comi w^if noch man 

Pijnt u wel tonthouden dit. Dicke in enen halven jaer, 

Een water, heet krieken pit, So grote wildernis is daer; 

Het staet dair bi , niet Ter tan dan : Sonder die uul ende scuuAiut. 

Y" 2579 Huhterlo. Deze plaets staet op de lyst der Pelgrimagien in 
het ïoogenaemde fViite-boek, ter arcluTen van Gent (GAififASRi's By- 
dragen, bl. 856). Men betaelde Toor een bedevaert Tanser P^rauwen te 
Huhterlo vyf schellingen, eveneens als Tanser P^rouwen te Miren, ten 
Rodenberghe, en te Sente Anthonü te Bursheke; waeniit ik besluit dat 
de aüstand van Gent slechts zes of zeven mylen gaens kan zyn geweest. 
Een groot bosch tusschen Beemem en Wildenherg, tegen de vaert op 
Brugge, heet Huhterho, en dit bracht my aenvangelyk op het vermoe- 
den, dat de dichter van dezen wilden oord hebbe gesproken {Messager 
des Arts et des Sciences, I, p. 350); doch de hier achter op Y' 3665 
aengehaelde Charter van het jaer 1136, met de daerin vermelde woes- 
tyn (Gonegesfiirst), bosschen, en moeren, maken het my nu hoogstwaer- 
schynlyk, dat hy een ander Huhterloo bedoeld heeft, eertyds gelegen by 
Kieldrecht , en alwaer men in de dertiende en den aenvang der veer^ 
tiende eeuw te bedevaert ging. Zie hetzelve op de kaerten by Sandsrvs , 
III, p. 256 en by Warnkokiqo, deel I. — 2582 Een waterbron, een 
water, dat men Kriekeputhdei. Rkhiskx stelt krekeJ^put, wat eigenlyk het 
zelfde is; want men zei krieker of krekel (Kiliaeh op Krieker). Misschien 
wel de kreke, op de kaert by Sanderus aengewezen. I>e hoogduitsche 
prosa heeft kreckelblut. — 2584 Heer koning, gy moet niet denken. 



EERSTE BOEK. 106 

Sonder die ule entie scuTÜut , 

Die daer nestelen in dat cniut:} 
2595 Of enich ander yogeHjn 

Dat daerwaert geerne wilde sijn, 

Ende daer die ayonture lidet : 

Daer in leget mijn scat gehidet. 

Verstaet wel ditte, tes u nutte: 
2600 Die stede hetet Xriékeputte. 

Gi sult daer gaen, ende 'mijn vrouwe. 

Ne wetiic óoc niemeue so getrouwe, 

Die gi sout laten wesen u bode , 

Verstaet mi wel, coninc, dor Gode; 
2605 Maer gaet daer'selye, ende alse gi 

Dien selyen putte comet bi , 

Gi sult vinden jonge berken, 

Here conine , dit suldi merken : 

Die alrenaest den putte staet, 
2610 Conine^ tote dier berken gaet: 

Daer leget die scat onder begraven. 

Daer suldi delven ende scraven ' 

Een lettel mos in deene side: 

Daer suldi vinden mennich gesmide 
2615 Van goude, rikelijc ende scone: 

Daer suldi vinden die crone, 

94*2600 Heer, daer leit die scat gehuut. Tis n nnt yerttaen wel dit. 

Die stede die heet Kiiekenpit : 4 Want ie u scade 'sage node. ' 

V* 2598 Scuvuut, «chayait, bubo, fr, cbouette. — 2597 En aldaer 
het geval doorstaet. Liden is doortrekken. — 2598 Gehidet, in den 
prosadrnk behuyt, van behoeden , doch hier meer eigenlyk verscholen, 
engelsch hidden; van to hide, — 2606 jPtf^e. De latere prosadrnk 
noemt het een water, geheeten F'erloren dal. — 3614' Gesmide ^ sie- 
raed; van smeden; meest al klinkende wfiier. Aldus in den Miserere van 
Le Reclvs de Mouers, yertaeld door Guus yah Moihsh (hladz. 166 yan 
myn H. S.) : 

• • • Dat clincken dijns gesmijds 

. Deert mi : y^ien eest dattn henijds 

Edelman, die mi dorper noemt? 

14 



106 REINAERT 

Die Ermeline die coninc droech^ 

Ende ander chierkeit genoeoh, 

Edele stene, gulden werc: 
2620 Men codut niet omme dusent merc. 
Ai coninc, als gi hebt dat goet, 

Hoe dioken suldi peihaen in uwen moet: 

Ai Reinaert, getrouwe yo9, 

Die hier ^roeTes in dit mos , 
2625 Desen aeat bi dijnre list, 

God geve di goet , waer du bist l » 

Doe antwoorde die coninc saen: 24!vr20fój 

cc Reinaert^ aal ie die yaert bestaen, 

Gi moet sijn mede in die vaert, 
2630 Ende gi moet ons, Reinaert, 

Helpen den scat ontdehen. 

Ie ne wane bi mi selven 

Aldaer nemmermeer geraken. 

Ie hebbe gehoort noemen Aken 
2635 Ende Parijs, eist daer iet na? 

Ende also, als ie versta, 

17 Die Ermeric droech, ULiinen dage»; ^-20 Ghi mpiet meda aen onte Taert 
Die soude Bruun hebben gedragen, Sprac die coninc, heer Aeynaert. 

Had synen wil mogen geselen. 33 Nummer meer connen geraken. 

Ghi «elt dair mennige s^ietheit tien. 36 Perys, Kolen ende Duwa ; 

20 Die weert sijn mennich dusent merck. 36 Mer, also ie my yersta, 

V' 2618 Chierheit, sieraed. — 2684 Ie hebbe gehoerê noemen J ken, 
enz. In den duitschen prosadruk, bl. 145, zegt de koning: «c Ich hab 
manches Land durchreiset , abcr Flandern ist niir gantz unbekandt. n 
Daer en tegen in de latynsche overzetting : 

Tot urbiam prsestantlnm 
AndiTimns oognomina, 
Antverpiam, Coloniam, 
Bononiam, Lutetiam 
Romamque mnndi principem. 

De oude Hollandsche prosadnük no^mt ook nog Zierhzee. 
\kfi. 2635 Duwa, Douai. 



EERSTE BOEK. 107 

So «mekedi^ Remaert, ende roemt. 
Kriekeputte, dat gi hier noemt , 
Wanic, is een geyeinsde name. » 

2640 Dit was Reinaerde onbequame, 

Ende yerbalch hem, ende seide: cc Ja, ja, 
Conine, gi sijter also na, 
Alse Tan Golne tote Meie; 
Waendi, dat ie u die Leie 

2645 Wille wisen in die flume Jordane? 
Ie sal u wel togen, dat ie wane , 
Oorconde genoech, al openbare. » 
Lude riep hi: <c Cuwaert, oomt hare, 
Cornet voor den coninc, CawMrt! » 

2650 Die diere sagen dese vaert; 

Hem allen wonderde, wat daer ware. 
Cuwaert die ginc met vare : 
Hem wonderde, wat die coninc woude. 
Reinaert sprac: cc Cuwaert, hebdi coude? 

2655 Gi bevet; sijt blide al sonder yaer, 

Ende secht minen here den coninc waer. 
Dies maent hi u , bi der trouwen 
Die gi sijt sculdich miere vrouwen , 

d7 So «pot gi mit my ende u droomt. Hem wonderde wat die coninc woude. 

41 Hyventde hem ende tprac: «Ja, ja. Reynaert sprac :«Knwaert hebdi coude? 

43 Als van Romen tot Valeye. Hoe beefdi so? hebt genen yaer. 

46 Ie sel u brengen uaten waen. 5&M Die gi mynen heel^ ende mijnre yroo- 

(KV65 Die dieren aagen al denraert: Scoldiekziji, mn des ie trage, (wen 

T' S6S7 Sa ttnêhedii soo smeekt gy ; too tracltt gy mr op eene vlei- 
ende wy» te bedriegen. Roemfy bluft. — 264S F'an Q>lnB Ms tnei», van 
Keulen lot (in den) mei; spottenderwyfee gezeid, gelyk in den Bei- 
nardm, bl. 1 15 en 388 ; Inierpaêdkg Remiique feror, en Jfnier ChmuMmm 
et êancti fetta JohannU obü. Zoo hoorde ik een Yalencyner een sprook- 
j^i vertellenen zeggen: Cela s'esi passé enim Maub^uffe et la FentecAte. 
In den ooden prosadruk staet; P^an Rmnen tot meye. — 264<5 Die fiu- 
me Jordane, de Jordaenstroom. Zoo veel ak : Meent gy, dat ik «.van 
de rivier de Leye een Jordaen wil maken? — 2646 , 9647 Ik zal u, 
naer ik denk, getuigen genoeg aenwyien. 



108 REINAERT 

Ende die ie den ooninc sculdidi bem. » 
2660 Doe sprac Reinaert: c< So secht hem: 

Weetstu waer Kriekeputte steet? » 

Cuwaert sprac : « Of iet weet? 

Ja ie, hoene sout wesen so? 

Ne staet hi niet bi Hulsterlo , 
2665 Op dien moer, in die woestine? 

Ie hebber gedoget grote pine, 

Ende menegen honger, ende menich eoude , 

Ende armoede so meniehfoude, 

Op.KriéLenputte, so menegen daeh, 
2670 Dat ies vergeten niet ne maeh. 

Hoe modite ie vergeten dies, 

Dat aldaer Reinout de ries 

Al soud my gaen aen mijn crage, Sprac Ruwaert, hoe Traecfadi «o? 

Dat aventuerde ie, eer iet loge. Het staet int bosch van HuUterlo, 

• Ghi hebt my gemaent aUo hoge 5 Op die warand ,' in die woestijn. 

Bider truwen , die ie hem , 67^70 So mennigen honger ende dorst 
Hynen heer ende mijn Trau, sculdich Hagel, snee, ende grote Torst, 

sprac Ruwaert , ist dat iet weet (ben , Dat iet node soude vergeten : 

So segt hem. > % Weet gi yet wair steet Dair en was te biten noch te eten. 

Kriekenpit ; ist u yet cont ? » 10 72-74 Symonet die rike iriess 

« Ie wist wel over XQ jaer waert stont : Plach dair tslaen sgn yalsche geit , 

Y' 2663 Ja ik; hoe zoudt anders? — 2665 Op dien moer. In eenen 
giftbrief van Dierk van den Elsas, van het jaer 1186 (Miraei Diplom., 
I, p. 177) wordt aen de abtdf van Drongen afgestaen: Locum quendam 
sacfw religioni oongruum in fundo fVaaias situm, inier silvam quw dicitur 
Gonegesforst, et viUam Bardamara, ntmc Salechem vulgo nominaium; 
en vervolgens : Illum locum qui dicitur Hulsterloe , cum silvis et Moer^ 
e# fratis , et pascuis, [et ceteris appendieiis inter prwdicta loca sitis. Zie 
ook nog Mntsus, I^ p. 104. — 2672 Reinout de. ries , in Rbineke Symo- 
net de krumme, en in de latynsche vertaling Sylvius utroque greasu 
elaudicanê. De oude prosa maekt er een pater Symonet de Furies van. 

Var. 2656 Y' 5 en 6 Ghi hebt my gemaent bider truwen. By rechtsge- 
dingen zeide de Baljnw : Ik maen u by der trouwe die gy verschuldigd 
syt, enz., en daer op werd geantwoord: By der trouwe die ik ver- 
schuldigd ben mynen heere zoo steg ik, enz. De a&chryver van het Com- 
borgsche handschrift heeft dit antwoord van den haes tnsschen V* 
2658 en 2659 overgeslagen. — Xk.Opdie warand. Hetgeen men in Bra- 



EERSTE BOEK. im 

Die vabdie penninge sloecb, 

Daer hi hem mede bedroech 
2675 Entie pellen sine? 

Dat was te Toren, eer ie met Rine 

Mijn geselscap makede yast, 

Die mi gequijtte menden last. » 

« O wi, sprac Reinaert, soete Rijn^ 
2680 Lieve geseiie, scone hondekijn, 

Vergave God, waerdi nu hier, 

Gi sout togen weder dese. dier. 

Met uwen tone, Rijn, waers te doene, 

Dat ie noint wart so coene , 
2685 Dat ie enege saken dede, 

Daer ie den coninc moehte mede 

Te mi waert belgen doen met rechte. 

Gaet weder onder gene knechte! 

(Sprac Reinaert,) haestelic, Cu waert, 
2690 Mijn here de coninc ne heeft tuwaert 

Geene sake te sprekene «meer. » 

Cuwaert dede enen wederkeer, 

Ende ginc yan sconinx rade daer. 

Reinaert sprac : « Coninc , eist waer 
2695 Dat ie seide? » cc Reinaert, jaet, 

Vergevet mi, ie dede quael. 

Dat ie u mistroude iet: 

Reinaert , goede vrient , nu siet 

Denraet, dat gi met ons gaet 

Dair hi hem altijt op onthelt. Tegen mijn heer geen laeck en dede 

78 Die my gequiji heeft uut mennigen last. Anders don ie doen mocht myt recht. 

83-87 Onzer beider leven ende tpel 89 Sprac Reynaert , Ruwaert , dat seg ie u , 

In sconen rymen yertrecken wel , 90 Mgn heer die coninc en begeert nu. 

Dot ie nye, ia geenre steden, 93 Tot dair hi was, eer hi qoam daer. 

band (by Toorbeeld te Brussel Toor hei Parh) een toarande noemt, was 
tmdtfds ^n dierengaerde; afgeleid van ivoren^ thans bewaren. 

V" iAl^ Last. In het Gombnrgsche H. S. etaet/Mw»^; wat ik voor een 
schryffeil aenzie. — 2683 Tone^ toon, getuigenis. Guu las êome. — 
S69S Siet den roet, scbikt het zoo. 



110 REINAERT 

2700 Ten putte, el ds^ die berke Btaet, 
Daer die soat leget begraTen Onder. » 
Reinaert sprac: <c Gi secht wonder: 
Waendi ine viraera harde vro^ 
Coninc, ofl; mi stonde alao, 

2705 Dat ie met u wandelen moebte , 
Also als ons beiden dochte , 
Ende gi, here^ waert al «onder aonde? 
Neent, het ea, al$o ie u oorconde, 
Ende iet u segge., al ei$t [mijn] acame: 

2710 Doe Isingrijn in sduyeU name 
In de ordine ginc hier te Toren, 
Ende hi te monke wart beacoren y 
Doene conate hem de proTeade niet genoegen , 
Daer YI monke hem bi bedroegen. 

2715 Hi clagede Tan hongere ende kermede 
So aere, data mi ontférmede. 
Doe hi kermede ende wart traeeh, 
Doe haddics rouwe, als een aija maech, 
Ende gaf hem raet , dat hi ontran : 

2720 Daer omme bem ie in apaeua ban. 
Morgin, ala die aonne op gaet, 
Willic te Rome om aflaet; 
Van Rome willic OYer ae: 
Danen ne keric nemmerme, 

2725 Eer ie ao vele hebbe gedaen , 

Coninc, dat ie met u mach gaen, 
Tuwer eren, ende tuwer vrome, 
Of ie te lande weder come. 

17 Want hi wmi oratiok ende irteoli. 27-39 Want hei wair u groie blaein> 

18 Doe hulp ie liem t^ maeob. Dat men soiide «eggen, wair ie quaem^ 

y 3700 JBerh, Het H. S, heeft bome. -^ S711 In de ordine, in de 
munniksorde* *-- 2718 , 2714 Toen had hy aeQ de proYende (de lereoa* 
middels) niet gpeaoeg^ ^aer zes monnikken anders gewoonlyk mee 
toekomen. ^- 8717 fFart traeeh. Zoo veel als: Toen Ay niei meer 
roortkonde^ 



' EERSTE BOEK. 112 

Het ware eea onscone dinc^ 
2730 Souddi^ hare ooainc, 

Maken uwe wanddinge 

Met enen Terwatenen ballinge^ 

Als ie nu bem, God betere mi! » 

Die coninc sprac: cc Heinaert^ aidi 
2735 Iet lange Yerbannen? » Doe sprac Reinaertr 

cc Ja 10, hets III jaer^ dat ie waert 

Voor den deken Hermanne 

In ToUen seende te banne* v 

Die coninc sprac: cc Reinaert, na dat gi sijt 
2740 Te banne^ men souts mi doen yerwijt 

Reinaert, lietio u met mi wanderen : 

Ie sal Guwaerde ofte een andr^i 

Toten scatte doen gaen met miy 

Ende ie rade u , Reinaert, dat gi 
2745 Niet ne laet, gine vaert, 

Daer gi u van den banne claert. » 

c< Sone doe ie, sprac Reinaert^ 

Ie ga morgin te Rome waert, 

Gaet na den wille mijn ! » 

Dfti gi makei u wandelinge ^ Te Romen wesen ^ lo ie eeni «Mich. 

Het enen yerwaten bandeliiv^e. Ie en let nacht noch dach 

Die coninc sprac: « Na dat gi zijt. Voor dat ie bin geaBsoWeert. » 5 

4S Tett ptit laten gaen myt my. c Keyfiaert^ gi zijt wet bekeert, 

404MI V «eitea uutten bm dodf. • dat donct my, lot goeden dttigefti 

« HmT) 4aif ant ist dat ie moet Böé die latei n toI faringM ! 

V a7»7 IMA$n Hermanm. In bet tweede boek ¥« 4899 ea 4869 
wordt hy provimor getioemd* Griiui (bl« am) Termoedl, dat bier kan 
liedodd zyn H0rmam, abt van St«*Marteii te Doomik , een bekeend sehrf- 
yer van detD aemaog der twaeUde eeuw, wiem kxonyk uitf^egeTón is 
ia het SjriMi^ium vao J)^'Aaii«i< Zie over h»m BfPiH) NmP$U& Bibtior- 
ihèqm des amieuf$ écclMmHqueê, tmne IX, p. 194 , Miêioire KMémre 
df la Frunce, XII, p, 9f79, Saiuibiii BAfioikmfa BélficQ m9fm»erifêmy I, 
p. 1S8 , en Fomntf , Bih^lmt^ B^tgifm^ p« 47a. Daer pons IHaoedntiiis II 
met dezen Herman meenoaeb in OAd$rliandeling^ geweest Is, Minr heeft 
dit Tennoeden Teel waenchynlykl^id. — 97S8 Seende y synode; zie 

KlLIABIf. 



112 REINAERT 

2750 Die coninc sprac: a Gi dinct mi sijn' 

Beyaen in harde goeden dingen; 

God jonne u, dat gijt moet yolbringen, 

Reinaert, alse u ende mi 

Ende ons allen nutte si ! » 
2755 ^ Doe deae rede was gedaen, J^tTmwi 

Doe ginc Nobel, die coninc, staen 

Op ene hoge stage Tan steene, 

Daer hi op plach te stane alleene, 

Als hi sat in sijn hof te dinge. 
2760 Die diere saten teenen ringe 

Al omme ende omme in dat gras. 

Na dien dat elc geboren was. 

Reinaert stont bi der coninghinnen, 

[Die hi te recht wel mochte minnen:] 
2765 « BidtTOor mi [sprac hi] edele vrouwe, 

67-61 Op een hoge rootze van steen, Mijn baroen, mijn huusgenoot, 

Ende hiet die dieren al gemeen Reynaert staet hier als die boude, 5 

Swigen, ende sitten neder int gras. Die men hnden hangen sonde: 

65-75 Doe sprac die coninc, sonder gelijck: Ru heeft hier gedaen te hove 

Hoort alle gader, arme ende rijck, • So yeel , dat ie hem geloye 

Beide cleyn ende groot, Mijn hulde ende mijn mynne. 

V* 2750, 2751 My dunkt dat gy nu zeer tot het goede gesteld zyt. 
— 2757 Stage y staetge, staenplaets; afgeleid van staen ^ eveneens als 
stag, in het deensch stage» De franschen hebben hiervan estage, étage; 
gelyk trouwens meest alle hunne woorden, met e« aenvangendc», 
uit onze tael zyn oyergenomen. Steen. Dat men oudtyds by groote stee- 
nen rechtsgedingen hielt bewyst Griïim in zyne Recktsdlterthümery bladz. 
802. Zoo Tindt men ook in onze oudste keuren verschillende wetsbepa- 
lingen de summonitione ad lapidem; doch reeds vroeg gaf men den 
naem van Steen aen s'heeren gevangenishuizen, en dan hiet het B. V. 
Quicumque de vulneribus in causam tractus fuerit, scabinis hoc cognos- 
céntibuSy debet intraré lapidem, super veritatem. Zie den keurbrief van 
den Vryen te Brugge, uitgevaerdigd omtrent' 1190, in Warnkokiuo's 
Flandrisehe Staats-und Rechtsgeschichte ^ II, Urkunden, bl. 84, 88. — 
2759 In sijn hof te dinge. Volgens Raepsabt dingde men op het voorhof 
(Analyse, III, p. 208 >. — 2760 Zie boven V 109. 

Var. 2765 Y* 4 Huusgenoot, fr, patfv. Yergelyk ^AXBiAm^Amdifse, III, 
page 209. 



EERSTE BOEK. 118 

Dat ie u naet Mevè weder scotiwe. » 

Soe sprac: cc Die here^ daeri al an staet, 

Doe u van sonden toI aflaet! » 

Die coninc entie coningfaiiiae 
2770 Gingen me^ eeii^i bliden siniie 

Voor haer diere;, arme énde rike. 

Die conino die sprac Trtendelike: 

cc Reinaert es hier comeii te hore . 

Ende wiUe, dies.icGode loTe, 
2775 Hem betren oe^ al sinen sinneii, 

Ende mijn vrouwe de eonifighiime 

Heyet so'fete gdMden Toor hem , 

Dat ie sijn Trient worden bem^ 

Ende hi yersoent es jegen ini, 
2780 Ende ie hem hebbe gegeren vri 

Beide lijf cxide lede : 

Reinaerdfi gebiedic vollea vrede; 

Anderwerf gebiedic hem vrede; 

Ende derde werven mede: 
2785 Ende gebiede u allen , bi uwen live, 

Dat gi Reinaerde, ende sinen wive 

Ende sinen kindren , ere doet , 

Waer si comen in u gemoet, 

Sijt bi nachte, sijt bi dage; 
2790 In wiUe meer geene dage 

Van Reinaerts dingen horen. 

Al was hi roekeloos hier voren 

Hi wille hem b^Uen, ie segge u hoe : 

Reinaert wille sKirgin vroe 
2795 Palster ende scerpe ontfaen, 

Ende wille te Rome gaen, 

90 Ic en wil oec geen meer dage 92^ Al misdede lii te Toren. 

91 Van Reynaertt wegen horen: 96 Ende totten paeui te Romen gaen. 

¥• 2766 Met lieve, levend; beter live 2782 F^rede^ zoen. Hierin 

volgt NoBBL de oude foFmule : Soo gebiede ic ban ende vrede, eenwerf, ander- 
werf, derdewetf, enz. (Cannabrt'» Bydratfen, bL ZQQ). — 279^5 Pakter 

15 



m REINAERT 

Ende^ dan wille hi over se , 

Ende danen comen nemmerme^ 

Eer hi heeft toI aflaet 
2800 Van alre sonderUker daet. » 

De«e tale hevet Tiecelijn Temomeii ji'^'Siii 

Ende vloooh , danen hi es comen , 

Ende hi vant die III gesellen ;| 

Nu hoort, wat hi hem sal tellen : 
2805 Hi sprac: « Keitive, wat doedi hier? 

Reinaert es meester bottelgier 

Int hof, ende mogend^ utermaten ; 

Die coninc heeftene quite gelaten 

Van alle sinen misdaden, 
2810 Ende gi sijt alle III verraden. » 
Isengrijn began andwoorden 

Te Tieceline met corten woorden : 

c< Ie wane, gi lieget, here raven! » 

Mettien woorde began hi scaven, 
2815 Ende Brune, die volchde mede: 

Si gingen recken hare lede 

Lopende tes coninx waert. 

Tibert bleef sere vervaert, 

1-5 Dese tael hoorde dat Tyeselijn 11-17 Isegrim sprac: « Hoe mach dat lijn? 

Ende liep daer was Tsegrijn, Ie waen gi ons lieget, Tyselijn ! > 

Brcun ende Tybaert waren. c Ie en doe seker, sprac die rayen. 

Vuyl Katijye , sprac hi, hoe ist gevaren ? Doe gingen die derwaert scrayen, 

Onsalich volc, wat doe di hier ? Die wolf ende Bruun, ten coninc waert. 

ende scherpe, in Reinekb staf en ransel, wat het zelfde beduidt. Men bad 
Palsters met yzer van binnen in, en deze werden ten jare 1459 , met nog 
vele andere wapentuigen , verboden. Zie de charter van Philips den goe- 
de, in Ansblhi Codex Belgicus, pars II, p. 17. St-Jacobs pelgrimstaf wordt 
ook Palster geheeten , in eenen brief by Diericx , Mémoires sur Gand, 
n, p. 256. — Scerpe, een reiszak, waervan het ir. écharpe. Zie Garpbh- 
TERii Glossar,, verbo Escharpia, en Meter*s Leven van Jesus, bl. 878. 

Y' 2801 Tiecelijn, de rave. In Reineke wordt Hinze, de kater, hier 
éprekende ingevoerd, en van Tiecelyns aenmelding niet gewaegd. — 
^'BIA Scaven, schuiven, wegslibberen. Hiervan schaverdynen, schaetsen. 
— 2816 Zy rekten zich vooruit; gelyk men loopende gewoon is te doen^ 



EERSTE BOEK. 115 

Ende hi Ueef sittende op die galge: 
2820 Hi was yan sinen ruwen balge 

In sorgen so groot utermaten , 

Dat hi geerne wilde laten 

Sine oge Taren over niet, 

Die hi in spapen scure liet, 
2825 Indien dat hi yersoent ware. 

Hine wiste wat doen van Tare 

Dan hi ginc sitten op die micke. 

Hi daechde vele ende harde dicke , 

Dat hi Reinaerde ie bekinde. 
28S0 Isingrijn quam met groten geninde 

Gedrongen yoor de coninghinne , 

Ende sprac met enen feilen sinne 

Te Reinaert waert, so verre, 

Dat die conine wart al erre, 
28S5 Ende hiet Isingrine Taen, 

Ende Brune. Also saen 

Worden si gevangen ende gebonden : 

Gine saget nie verwoedde honden 

Doen meer lachters, dan men hem dede, 
2840 Isingrine ende Brunen mede. 

Men voerdese als leede gaste, 

Men bandse beide daer so vaste, 

Dat si binnen eere nacht 

Met geenrande cracht 
2845 Een let niet en mochten roeren. 

Nu hoort, hoe hise voort sal toeren. 
Reinaert, die hem was te wreet, 

Hi dede, dat men Brunen sneet 

27-30 Hi claechde Gode sijn ellende 40-44 Hen bontse vast alle bede, 
Dat bi IVeinaert ye {gekende. . . Ja so «eer dat si yan alder nacht. 

Isegrim quam myt gewelt Aen hand aen yoeten en hadden macht. 

Voor den conine op dat Telt. 47-49 Reynaert , diese al had leet , 

V" 28S0 Hy was ten aemien van zTnen ruwen balg (huid/ romp). — 
MS8 Over fifel, vlaemsohe zegswyze, yoor om niet. — 2827 Micke ^ de 
mik der galg. — 2880 Gemnde, Btoutheid. — 2984 En»y gnóu» 



116 REINAERT 

Yaa üaen rugge eeü ydspot af, 
2850 Dat men hem teere seerpen gaf, 

Yoets lanc ende voets breet. 

Nu ware Reinaert al gereet, 

Haddi IIII vërsche scoen. 

Nu hoort wat hi sal doen, 
2855 Hoe hi sal IIII scoen gewinnen. 

Hi ruunde toter. coikidghianen : 

« Vrouwe, ie bem u pelgrijn: 

Hier es mijn oónt Isingrijb , 

Hi hevet IIII vasie scoen ;, 
2860 Hdpt mi, dat icse an mach. doen* 

Ie neme u siele in mine plecht : 

(Het es pelgcijns recht ^ 

Dat hi gedenke in sine gebeden 

Al tgoet dat men hem noit dede.). 
2865 Gi moget u siele an mi ëcoien: 

Doet Harsinden miene moien 

GeTen twee van haren seoén^ 

Dit mogedft wel oaet eren doen : 

Soe bliyet thuus in haer gemac. i> 
2870 c< Geerne (die conioghinne sfNrac), 

Reinaert, gine ^moehtes ntet omberen 

Gine hebt scoen ; gi mbettet Taren 

üten lande in des Gods ge wout. 

Over berge end^ int wout, 

Hi bewarff , dat men sneet Bbir ^i ii yóët g&fis ifi Imiit, 

Van Brunen rug een tcI aff. Over die het^ meaichfout 

55 Om sijn scoen te gewynnen. Te treden, oyer struuck oyer steen. 

56 Hi sprac totter coningHinne. Gy en moget hebben schoen en geen 
60 Woud hi my twee dail* offdoién. Die u waiTéü bét te maet ; 

72-80 Gy en hebt scoen gemaect yan eren , Want si sijn vast ende dick, hoet gaei. 

¥■ 2849 yehpoiy éen spot reis. Spot is hetgéeü niéh ïA B^édid flak 
heet, eioi in Bplland een vla% oï vlek. — 2856 JK ruuhdey h^ fninde, 
hy fluisterde. 2ie Kil. op Ruynen, — 2861 Pkcht, verpleging, storg. 
— 2866 Gf kabt üvvie ziel ae&^y scboeien^ op die wyze.ietoeit ffj n 
MÏYeix op dteik weg Mor dea hemel; eene stoute maer fr^oie %Her« «— 
286a Soe, zy , namel)rk Hersinde. — 287d In 40$ Gods ^ewe^^ vü^t den 
wille Gods, è ia garde de Dieu. 



EERSTE BOEK. IIT 

2875 Ende tenkn ^troke code gtfeiiQ: 

Diiien arbeft wert toiét deue, 

Hets dijn ziÖ0t éaWa littbs sccMSü; 

Ie wilre geeni€ mija m&dit toe doén. 

Die Isinj^ijns waren u wel geoi^e : 
2880 Si sijn so Ta«te ende $o dicfcd^ 

Die Isingrijn draget ende 4ijn wiji^: 

AI sout hem gaeli aii ha«r lijf, 

Elkeiiijc moet u gtren twee sooen^ 

Daer ^ u yiiert mede moet doen* » 
2885 Dus hevet die valsche pelgrija sl^t/ÏSJi'] 

Beworyen , dat dher IsiAgrijn 

Al toten knied hevet yerloren 

Van beide sme ToetèQ,.:^oren 

Dat yel al gader;, toten daeuw^^ 
2890 Gine saecht noint yogel braeuwen , 

Die stilre hielt al sine lede i 
. Dan léeDgrtjn de eine dede, 

Doe hién èo jamerïilDe oflrtmaeide , 

Dat hem dat bloet ten teen aj yl<deiide. 
2895 Doe Isitigrijn óniscoeit was, 

Mo<»te j^en liggen <3fp dat gras 

Vrouwe Heraunt, die wülfinne, 

Met enen '• wel droèyen sinne ); 

Ende liet haer afdoen dat yel, 
2900 Ende die claeuwen alao Wel^ 

Bachlen ylan béide héren yoeten. ' 

Deee déet ded» wél soeten 

84 H iiogé bedeTaert mede te döeD. '94 Dat bloet hem oyer die oren Tloeyde. 

87 Al tottcn ïènei beeft têrlóèén. l Aéhtèr titfi btoen toeten. 

89 Dat Tel te samen mytten dajeuwea. 2 9« fafgomld zee^ te'«oeten. 

V* 2878 Terd$nf terden, betreden. — 8879 JVaren uwei.gem^ke, 
zouideB u juist van pas komen. Zie HuTDsqoPVi op Stokb, III, bl.. S07k 
Afgdeiil van MUke»^ beiieekb^ — 2800. dSraemwem^ eten opstöppcn, 
als men aen duiyen en andere vogels gewoon is te doen. — 2893 Men, 
4^8«il: Wtênt^^, ioien hém. ^ 2901 Saokien, adhler. 

Yab. 87 Zenen, zenuwen; doch er zal moeten staen tenen» 



118 REINAERT 

Reinaerde sinen droeten moet. 

Nu hoort ^ wat dagen hi noch doet : 
2905 « Moie^ seit hi, lieye moie, 

Ia hoe mennegen yernoie 

Hebdi dor minen wille gewesen ! 

Dats mi ai leet, sonder yan desen 

Eist mi lief, ie segge u twi: 
2910 Gi sijt, des gelovel mi, 

Eea die liefste yan minea magen : 

Bedi sal ie u scoen an dragen. 

God weet, dats al uwe bate! 

Gi sult an hogen aflate 
2915 Deelen, ende an al dat pardoen, 

Lieye moie, dat ie in u scoen 

Sal bejagen oyer se. » 

Vrouwe Hersunden was so we^ 

Dat soe cume mochte spreken: 
2920 c( Ai Reinaert, God moete mi wreken, 

Dat gi oyer ons siet uwen wille 1 » 

Isingrijn balch, ende sweech stille, 

Ende sijn geselle Brune, te ware: 

Hem was te moede harde sware. 
2925 Si lagen gebonden ende gewont. 

Hadde ooc doe, ter selyer stont, 

Tibert die cater gewesen daer: 

Ie dar wel seggen, oyer waer, 

Hi hadde so yele gedaen te yoren, 
2930 Hine waers niet bleyen sonder toren. 

Wat helpt, dat ie u maecte lanc? ^•yrSw!] 

Des anderdages, yoor de sonne opganc, 

Dede Reinaert sijn scoen snoeren, 

* 8 Dati mi leet, sonderKnck Tan desen. So dat lii niet en had ont^aen, 

^7-90' Aldaer geweest Tybert die cater ^ Hi en had scand ende scaey ontfaen. 

Mf had hem ooc gewannt een water, 33 Dede Reynaert sijn tcoene «mereii, 

V a909 Tici, waarom. -^ 2918 Bedi, daerom. — 3981 Dai^i, om 
dat gy^ 



EERSTE BOEK. Itd 

Die IsingriJDS waren te Voren, 
2935 Ende sijns Mrij& vrouwe Hersinden, 

Ende hadse yaste gedaen binden 

Om sine Toeten , ende ginc 

Daer hi vant den conine, * 

Ende sijn wijf die coningbinne. 
2940 Hi sprac met enen soeten sinne: 

« Here , God geye u goeden dach , 

Ende mier Trouwen , die ie maeh 

Prijs geyen met rechte : 

Nu doet Reinaert geven, uwen knechte, 
2945 Palster ende scerpe, ende laet mi gaen. d 

Doe dede die conino naesten saen 

Den capelaen , Belijn den ram ; 

Ende als hi bi den conino quam 

Sprac die coninc: « Hier es 
2950 Dese pelgrijn ; leest hem een gëles , 

Ende gevet hem scerpe ende staf! » 

Belijn den coninc antwoorde gaf: 

« Here , in dar des doen niet : 

Reinaert hevet selve begiet, 
2955 Dat hi es in spaeus ban. » 

Die coninc sprac: c< Belijn, wats dan? ) 



34 Bie Isegrims te Toren weren. 47 Om den paep Bellijn den i 

40 Ènde sprak myt bliden sione. 53 lieye here , en derfs doen niet^ 

46 Doe dede die coninc Tragen saen 64 Want hi seit seWe » of ghijs gebiet. 

Y' 2946 Naesten y naderen; 't zelfde als naersen. Grimm las hoesten» — 
2950 Een geles, een les, een kerkgebed. — 2954 Begiet ^ bekend; van 
gieny begien, begieden, belyden. Aldus in Tatiaeu's Harmonia evangelith 
yum, cap. xiiT, N** 22: « AUero giiiaelih thie mibbigifait, » Omnis qm 
eonfiiebitur me. Zie wegens dit woord Gi^aff, Spfachschati^ , I, p. 881 en 
Tolgg. Tegen gien staet nien (later neenen, loochenen) over, waertèm 
misschien ons neen, — 2935 Ban, De groote kerkban had tot gCTolg, 
dat men uit alle burgerlyk verkeer verstoeten was , en daerom zegt Rei- 
naert, ¥■ 2729—2782, dat koning Nobel hem niet gêvoeglyk kon by zich 
laten. By mindere excommunicatien w^s men slechts uit de kerkoef©- 
ningen en gebeden gesloten ; en hierop doelt Belijn. Vergelyk Waitïb, 
Lekrbwih des Kifvkenrechts f tvreedoxdt^ety hl. Z^* • 



119 REINAERT 

Meestar Jufroet- doet ' oni terstaen : 

cc. Hadde een man allène*gedaen 

AI30 Tole soodep , alse allé die leren , 
2960 Ende wildi ar^ieit al begeyen, 

Ende te bieohte gaeh^ 

Ende. pemlencie daer af antföen . 

Dat hi crper se wille Taren; 

Hi mochte hen wel sehe elaren. »> 
2965 Belijtt sprae ten conni^ echt : 

« Ie en doere toe erom no recht , 

Yaa geesterUker dine altoos, 

Gine wih mi quiten seadeloos 

Jegen hisseóp, ende jegen deh deken. » 
2970 Die coninc sprac : ce In VIH wdcen 

Sone wane ie u bidden k) vele; 

Ooc haddic liever, dat uwe kele 

Hinge, dan ie u heden bat! » 

Ende also Belijn hoorde dat, 
2975 Dat die ooninc balch te hem waert, 

Wart Belijn so vervaeFt, 

57 Heester Gelis doei ons yerstaen. Ie en doe Reinaert erom noeh recht , 

60 Ende woud lii ontfaen ende begeren. Chi en hout my quijt ende scadeloos 

63-69 Ende Toldoen bi des priesters rade^ Van scadeMker dinck altoos, 

God die soude hem doen genade. Voor LosoTont den proTisoor, 

Nu wil Reynaert oyer die zee yaren ; Ende yoor den bisscop Prendeloor, 10 

Dair mede mach hi hem wel yerclaren. > Ende Rapiamus , sinen deken. 
Béllgn sprac den coninc slecht: 5 73 Henge: tis my leet dat ie u bat. 

, y 29S7 flfeeeter Jufroet^ meester Godfried ; ougetwyfeld GoDfsioirs 
J^ifocoA^YSTvs^e, die m de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde. De oude 
prpsadrul^ sjtelt Dwïs» f^n het QoUandQch handscbrift Geli^^ W^erschyiir 
iyk bedoelde de ktere ajfechryyer iEoipius db Lbssiwia., een beroeind tih^ 
logus, vriend van Aubeiiltu9 Majgjüüs^ en vermeld by Foppsira, Bihliütkeca 
£elgic($, I, p. 31* — 2964 Claren^ De woorden van Jufroet zyn, volgens 
de door Guimm aengehaelde Bihlia patrum, Lugdun. tom. 21, p. 66 : Unde 
iênicuique peccatori de magna JDomini mUeriUüme indulgentiam sperare 
licet, $i se qogfuwerit peccatorem^ et suis proximis, compatiens 4^ peccat^ 
pwnitere voluerit- — S96Ö. Eeht fdaerna. 

Vab. 2968 V 5 Siechl,. effen weg. — 10 Premdehwr^ ir. prtnds de V^. 



EERSTE BOEK. 121 

Dat hi beeMe yan vare , 

Ende ^nc gereden sine autare, 

Ende began singen ende lesen 
2980 Al dat hem goet dochte wesen. 

Doe Belijn de capelaea vLY^éü] 

Oomoedelike hadde gedaen 

Dat getide Tan den dage , 

Doe hinc hi an Reinaerts crage 
2985 Ene scerpe yan Bruuns veile; 

Ooo gaf hi den feilen geselle 

Den palster in de hant daer bi, 

Te sinen geyoege : doe was hi 

Al gereet te siere yaert. 
2990 Doe sach hi ten coninc waert: 

Hem liepen die geyeinsde tranen 

Neder, neyen sine granen , 

Alse oft hi jammerlike in sine herte 

Van rouwe hadde grote smerte : 
2995 Dit was bedi, ende anders niet, 

Dat hi hem allen, die hi daer liet, 

Niet hadde beraden al sulke pine 

Alse Brunen ende Isingrine , 

Haddet mogen geyallen. 
3000 Nochtan stont hi , ende bat hem allen , 

Dat si oyer hem bidden souden , 

Also getrouwelike als si wouden 

78-80 Ende ghmc staen voor sija autaer, 86 Nu hoort den losen gesel 

In sijn boec singen ende lesen, 87 Heeft hem g«daen een cleyn palster dair 

Sulc'als hem goet docht wesen 88 Tot synen genuegen ; doe was hi bly. (by 

Orer Kéynaert , dies luttel rochte : 91 Ende liet hem ontfallen gerensde tranen. 

Het dnde also veel alst mochte. 5 99 Om dat hem dit niet mocht gevallen. 

y* 2978 Gereden, bereiden. — 2992 Granen, de hairen welke men 
nn mau$iaehe$ noemt, in het middeleeuwsch latyn grani en granones» 
Zie Du Cah«b, op beide woorden» — 2997 Beraden, toegebracht door 
orerleg* - 

y^a. 2978 y A Rookte, achtte, aentrok; van roeken. Zie op Y' 1120. 
— > 8 Hei dude, het beduide ; in Riiniu; It holp eo vele ahe i* mocKte. 

16 



122 BEWAERT 

Dat hi oTer hem allen bade. 

Dat oriof nemen dochte hem spade ; 
3005 Want hi geerne danen ware. 

Hi was altoos sere in vare ^ 

Als die hem selven sculdich weet. 

Doe sprac die coniüc: « Mi eë leet\) 

Reinaert ^ dat qï düs haestidi sijt. » 
3010 « Neen here, het es tijt: 

Men sal geene weldaet sparen. 

[Geeft mi] orlof« Ie wille Taren. » 

Die coninc sprac : a Gods orlof . » 

Doe geboot die eoqinc al dat hof 
3015 Met Reinaerde uiitwaert te gane^ 

Sonder allene die geyane« 
Nu wart Reinaert pelgrijni 

Ende sijn oom Isingrijn 

Ende Rrune die liggen gebonden ^ 
3020 Ende siec iran seren woiaden. 

Mi dinct, ende ie wane das, 

Dat niemen so onspellic was 

Tusschen Pollanen ende Scöuden , 

Die hem yan lachene hadde onthouden , 
3025 [Wat] rouwe hem mochte geseiéil , 

Hadde hi Reinaerde doe gesiea : 

Hoe wonderlijc hi henen ginc ^ 

Ende hoe gemackelijc dat hem hinc 

4 Dat oorloff nemen doecht hem te spade. Sy waren gewont also leer, 

7 Also hi hem seWen sculdich wist. Bat sy wenschten om den doot.. 
Dos bereide hi hem myt groter list. Ten heeft niement rou so groot, 

8 Die coninc sprac: Hy is wel leet Off en mach so droevich sijn , 
Beynaert , by God diet weet. Had hi Keynaert d^n pelgrijn 

14 Doe geboot hi oyer al dat hoff. Gesien, hoe vromelic dat hi ghinck, 

17-27 Isegrim ende Bruun, die beer, En hoe geyensdelio dat hem Uaok. 

V' S004 Spade y langdurend. — 8011 Weldoen moet ikiet ait)gpedteld 
worden. — 8021 Das, des, dat. — 80S2 OnêpeHic, dom, onwetend; 
of misschien onspelig, ongelukkig; als buten spele in V' 1890. — 802S 
Tusschen Polen en de Schelde. Men schreef eertyds «oowel Se<mdé, ak 
Scelie; hiervan het fr. EscauU 



EERSTE BOEK. 123 

Scerpe en pakter oimne den hals, 
3030 Ende' die scoen , ak ende als , 

Die hi droedi an sine been 

Gebonden ^ $o dat hi 8ceen 

Een ^Igrijn licht genoech. 

Reinaerto herte binnen k>ech , 
3035 Dor dat si alle met hem gingen 

(Met so groter sameningen , ) 

Die hem te voren waren wreet. 

Doe sprac hi : cc Gonine ^ mi es leet , 

Dat gi so Terre met mi gaet : 
3040 Ie Truchte, het mach u wesen quaet! 

Gi hebt geyaen II moordenaren : 

G^Talt , dat si u ontvaren , 

Gi hebt u te wachtene meer 

Dan gi noint hadt eer: 
3045 Blijft gesont, ende laet mi gaen. » 

Na dese tale ginc hi staen 

Op sine II achterste voeten ^ 

Endé maende die diere , clene ende grote ^ 

Dat si alle voor hem baden, 
3050 Of si van alle weldadea 

Recht deel nemen wouden. 

Si seiden alle, dat si souden 

31-34 Bie hi droech aen «ijn voeten • Heer gonine , sprao hi, no keert weder; 

Hy had kchen moeten; Door hooch noch door neder 

Nochtan liet hem des genoech. En wil ie dat gi Torder gaet. 

In aijn hert hi sere loeoh. 44 Dan gi te voren deed, ende meer. 
38-39 Ende hi den coninc , die had so leet , 48 l^e meende hem a|lep , groot ende cleyn, 

So wel had gebrocht te dwaze. (myt moeten. 

Het waseen pelgrijn yan densaie. 51 Rechte deylinge hebben wouden. 

y* 3080 yih ende als, geheel en al, pariter, Hütdbcopbb neemt het 
voor in alle gevallen (op Stom, II, bl. ÖÖ7). — 8084 Binnen loech, 
lachtte van binnen. Zoo ook V" 2572. 

Vab, 3088. Y'-S Pelgrijn van deuease, een pelgrim voor het spel , pour 
la f arte. Men speelde deuw-ae, aU in het gedieht de Freneeiej in myne 
Mengelingen j Y* 81 : Nochtan eysch ie toe twee aeê. 



124 REINAERT 

Sijnd gedinken in haer gebede. 

Nu hoort voort wat Reinaert dede^ 
3055 Daer hi Tan den comnc sciet : 

So droevelijc hi hem geliet, 

Dat.hem somen sere ontferemde; ^ 

Guwaert den hase hi becaremde : 

c< Owi^ Guwaert, sullen wi sceiden! ' 
3060 Of God wilt, gi sult mi:^leiden , 

Ende mijn Trient Bdijn de ram : 

Gi twee,^ne daet mi noint gram. 

Gi moet mi bet yoort bringen ! 

Gi sijt van soeter wandelingen , 
3065 Ende onberoepen, ende goedertieren, 

Ende onbeclaget van allen dieren. 

Gestade es uwer beider sede , 

Als ie doe ten ttde dede , 

Als ie clusenare was; . « 

3070 Hebdi Weren ende gras, 

Gine doet negeenen heesch 

Noch om broot noch om Tleesch, v 

Noch om sonderlinge spise. » 

Met aldus gedanen prise 
3075 Heyet Reinaert dese II Tcrdoort , 

Dat si met hem gingen voort , 

Tote dat hi quam voor sijn huu^ , 

Aen dat casteel van Maupertuus. 

Alse Reinaert voor de poorte quam, 4* y'^iij'.] 
3080 Doe sprac hi : « Belijn , neve ram , 

Gi moet allene buten staen : 

Ie moet in mine veste gaen. 

Guwaert sal in gaen met mi. 

67 Geettelic ende Tan goede lede: 71 Ghi en geeft niet meer om uwen ejsch. 

68 Ghi leeft beyde alt ie dede. 74 Met dusdanigen geprite. 

Y' S0B7 Somen, sommige. — tWi Bei voort , vetder.'— M64 Wan- 
delingen, wandel, Torkeer. — S068 Onboroepen, onbesproken. .— SS73 
Heeechy eisch^ vordering. 



BI. 124. 




ZuA del" &£ 6tfse^ick, ^GcuvóL. 






EERSTE ËOËK. 



1^ 



Here Belijn, bidt tem, dat hi 

3085 Trooste wel Trouwe Hermeliiieö, 
Met haren clenen welpkinen , 
Als ie brlof ati hem neme. » 
Belijn sprac: « Ie bids heme, 
Dat ht8e alle trooste wale. » 

3090 Reinaert ginc met scoonre tale 
So smeken ende losengieren 
In so meneg^en manieren, 
Dat hi bi barate brochte 
Cuwaert in sine hagedoehte. 

3095 Als si in dat hol quamen , 

Guwaert ende Reinaert tsamen, 
Doe vonden si vrouwe Hermelinen 
Met haren clenen welpkinen, 
Die was in sorgen ende vare ; 

3100 Want soe waent, dat Reinaert ware 
Verhangen, ende soe vernam. 
Dat hi weder thuuswaert quam, 
Ende palster ende scerpe droech; 
Dit dochte haer wonder genoech. 

3105 Soe was blide ende sprac saen: 
« Reinaert , hoe sidi ontgaen ? » 



86-6 Mit haren kijnderen ende die mijn, 
Ab ie aen haer geen oorlof bat. » 
Bellijn sprac: < Ie bid Hem dat 
Dat hise ummer troost doch wael. > 
Ende Reynaert myt schoenre tael) 5 
Mit smeken, ende myt flatteren, 
So dat hi tot sijnen oneren 
In sijn hol leyde Kuweerd. 
Dair Tonden sy leggen op die eerd 
VrouErmelijn, by haren jongen. 10 
Die xorge- hadtse teer gedwongen , 



Ende dien anxt Tan EeynaerCt doot ; 

Her nu m was hair bliscap groot 

Doe sy hem sach alsoincomen; 

Her als sy heeft die s^rpe Temomen, 1& 

Ende die palster ende die scoen, 

Dochtet haer een Treemt doen, 

Ende sprac: < liere Reynaert segget my 

Hoe is u Tergaen die yaert? » 

« Ie was, sprac hi, in thoff gegaen; 20 

Her die conine liet my gaeaf/ 

Ie moet warden pdgrijm. 



Y' 8092 Losengieren, bedriegen; met loos verwand, in het oud franscb 
loêengier. Zoo hadden wy óok een werkwoord letdengieren, leed doen» 
fr. laidangiert.en ziedaer het laiéingridénêe y door myn geachtea vriend 
prof; MsTsa onverkiaerd gelaten, in iyne uitgaTO van het Leven tfon Veeme^ 
Yergelyk hierachter den franschen Renartf Y' 10607* - 



t«6 REWAERT 

« Ie bem worden peljgfrijo. 
i Here Brane eade here Isep^^jn 

Sijn word^D ^^le orer voi ; 
3110 Die eooinc heyet , d^nc h^bbe h| , 

Guwaerdo gegevep in jrechtf^ soeoe 

Al onsen wille mede t^ doene. 

Die coninc die Uede das, 

Dat Guwaert die eerste was , 
3115 Die ons verriet jegen hem: 

Ende bi der trouwen , die ie bem 

Sculdich u. Trouwe Hermeline, 

Guwaerd^ naket ene grote pine! 

Ie bem op hem met rechte gram. » 
3120 Ende alse dat Guwaert vernam, 

Keerdi bem omme, ende waepde vlien; 

Maer dat ne cqnste hem piet gescien; 

Want Reinaert hadde hem ondergaen 

Die poorte, ende gegrepene saen 
3125 Bi der kelen pc^oordadelike. 

Guwaert riep doe : <c GenadeUke 

Help mi, Belijn, waer sidi? 

Dese pelgrijn verbijt mi! » 
Dat roepen was sciere gedaen, 
3130 Bedi Reinaert hadde saen 

Sine kele ontwee gebeten. 

Doe sprac hi : cc Nu gaen wi eten 

Desen goeden vetten base ! » 

Die welpkine liepen ten brase: 
3135 Ende gingen eten al gemene. 

Haren rouwe was wel clene, 

13 Die conino gelidet seWer ómê, 28 Deae pelgrim moort my! 

20 Als Kuwaert die tael vernam. 34 Die jonge welpen liepen te aie. 

Z7 Doe riep hi herde Treeselike: 36 Haer feest en was niet clene; 

. Y' Zin Die liede das, die bdydde, bekende dit. r- SIM Bêii, 
Verauds» — S184 Brase, braa; om te brassen* GmArn leest bmeé; wat 
door benuin^, Tan a$en (veeden) te yerklaren xou xyn. Vergelyk den text 
Ton het HoUandscbe handschrift. 



EERSTE BOEK. 127 

Dat Cuwaert hadde verloreö liijf : 

Ertqelmê^ Reinaerto ifijf, 

At dat rleesch, eiide dranc dat bloet. 
3140 Ai, hoe dicke dancte soe goet 

Den odtiiDe , die dor siae dogèt 

Die clene welpkioe hadde verhogel 

So wel, met enen goeden male. 

Reinaert sprac : a Hi jans u wale : 
3145 Ie weet wel, moet die coninc leven , 

Hi soude ons geerne giften geren , 

Die hi selye niet ne woude 

Hebben , om VII mare van goude. » 

(( Wat giften es dat? » sprac Hermeline. 
3150 Reinaert sprac: c< Hets ene line, 

Ende eene vorst, ende twee micken; 

Maer magie , ie sal ontscricken , 

Hopic, eer liden dagen twee. 

Dat ie omme sijn dagen mee 
3155 Ne gave, dan hi omme tmijn. » 

Soe sprac : « Reinaert , wat mach dat sijn ? » 
Reinaert sprac: « Vrouwe , ie secht u: 

Ie weet een wildernesse nu 

Van langen hagen , ende van heede, 

37 Wani Knwart had èèü tet lij ff. Hoe gi Tan daea gecomen üjtS » (ilijt 

40-6 Den cojsino bad sy dicko goet t Vrouw,, ie heb gehouft den coninQ aiyt 

Dat hke so wel had Vcrhiiecht. Ende sijn wij ff die. coninghinne; . 10 

Reynaert sprac : t Eet dat gi muecht, So dattie yrientscap is zeer dinne 

Hy sets génöech voor ons betalen. Tusschen ons , dat weet ie wel , 

. Hy én geèfl niet Bet dan wijt halen. » ö Ende noch crancker wescn s^l. 

Si sprac :, < Reynaert gi spot , ie waen > Als hl yan als wet dat waer. 

Doet my die waerheit veistaen, Hy sel my haestelic Tolgen naer, . 15 

V* 8144 Hi jans u wale, hy gnnde het u Wel. ■— 81Ö1 Pcréf, bo- 
venste dwaï*8bitlk, eulmen^ hier gezetd ran de galg. — S1S2 Ontseric- 
hén^ ontspritigeti. Zoo zegt men noch in Vlaenderen üioetvchnhhelen ^yoot 
ovenhen. -^ SIM 2>(i^9i'; uitdagen. — 8tA9 Waer men hoog gewas, 
heggeii {haêg en heg is 't zelfde), en Aêiifogrond }ie^. R»inBK« zegt: 
Wy maten hen in Swatenhnt. 

Va*. 8140 V* ö Hy en geeft niei bei, hy begeert niet beter. — 9' 6^ 
huuft, gehuifd; een huive opgezet. — 11 Dinne, dun , geringd 



128 



REINAERT 



3160 Ende die so . nes met oogereede 

Tan goeden Uggsene ende van spU^n: 
. Daer. wonen hoenre ende partrisen, 
Ende menegerande vogeline. 
Wildi doen, vrouwe Ermeline, 

3165 Dat gi gaen wilt met mi daer, 

Wi mogen daer wonen VII jaer 
Willen wi wandelen onder de scade, 
Ende hebben daer grote genade, 
Eer wi worden daer bespiet. 

3170 Al seidic meer, in loge niet. » 

cc Ai , Reinaerjt, sprac. vrouwe Hermeline , 
. Dit dinct mi wesen ene pine , 
Die al gader ware verloren: 
Nu hebdi dit lant versworen 



Ende tel my hangen , kan hi my krigen; 
Bair om wil ie Tan hier gaen ngen 
In een achoon ander foreest ; 
Dair mogen wi weten ongeyreeat 
Seven jaer ende meer nochian , 20 
Ker men ons dair Tynden can. 
Dair is planteit van goeder spisen; . 
Dair sgn snyppen ende patrysen, 
Ende Teel ander Togel wilt. 
Vrouw, op dat gi myt wilt, 25 

lo wU myt n bestaen die Taert. 
Bair sijn fonteyn Tan xueter aert, 
Ende lopende beken, schoen ende claer, 
* Deus, waf zueter lucht is daer! 



Wy hebben dair gemac ende Trede, 30 

Ende loTcn in groter weelUchede ; 

Want die coninc liet my op dat 

Gaen , dat ie hem enen scat 

Wijsde al gynder op Kryekenpit, 

Her hi en Tynter dat noch dit, 35 

Al xocht dair oec ummermeer. 

Dit sel hem toornen olte xeer 

Als hi hem dus Tijnl bedrogen* 

Wat waendi, hoe menige scoon logen 

BrochticToorteer icontginck: 40 

Het was nau dat hi my niet en hinck. 

Ie en leed nye meerre noot, 

Noch en creech ie anxt so groot, 



y 8160 Ongereede, onroonien. — 8167 Scad$, schaduwe. — 8168 
Genade^ Tusi', als hierachter Y' 8465. — 8174, 8177 Gyhebt heiland 
waerran gy my spreekt ook afgezworen , en kunt daer niet gaen woo- 
nen; immers, zoolang gy niet over zee zyt geweest; want gy hebt 
paUter en.scharpeaengenomen. 

Vai. 8140 V' 17 P^igen Dit woord, hetwelk ik elders nooit heb aengje- 
troffen y zal vermoedelyk eenerlei zyn met vyen, anglo-saxisch /S^oi», 
oudduitsch figen, dat is, vyand-zjn. Zie het Glossarium van WACflTsa, 
op Fien. Reinaert zou dos willen zeggen: Laten, wy onze veete in een. 
ander oord gaen doorstaen. — 22 Planteiif OTenrloed.. — 25 Op ilcit, 
gimyt ufüi, indien gy mede wilt. — 83 Op. dat, op die voorwaerde» — - 
41 Te naenweraood ontging ik het hangen. 



EERSTE BOEK. 



129 



3175 In te wonea nemmerme, 

Eer gi comt over se, 

Ende hebt palstèr ende scerpe ojatfieien. 

Reinaert anlwoorde vele saen: 

« So meer gesworea, so meer Terloren : 
3180 Mi seidet een goet man hier te Toreïi 

In rade , dat hi mi riet. 

Bedi ne geene trouwe diedet niet. 
^ Al Yoldade ie dese vaert , 

En holpe mi niét (sprac' Reinaert); 
3185 In waers een ei niet te bat: 

Ie heb den coninc enen scat 

Beloyet , die, mi es ongereet ; 

Ende als hi des die waerheit weet , 

Dat ic^hem al hebbe gelogen, 
3190 Ende hi bi mi es bedrogen , 



Als ie dair Toor mijn ogen i^ch. 
Het Terga my hoe dat mach , 45 

Ie en laet my niet meer dair toe raden , 
Te comen in des conincs genaden. 
Ie heb mijn duum uut synen mont: 
Danck hebbe mijn subtilen Tont ! » 
t Ie en rade ons niet, sprac £rmelijn,60 
Te varen in een ander woestijn, 
Dair wi ellendich ende Tremde weren; 
Wy hebben hier al ons begeren, 
Ende gi zijt meyster uwer gebueren. 
Wairom wouddijt dan aTentueren, 55 
Ende nement quaet ende latent goed ? 
Wy mogen hier leren in zekerre hoed: 
Onse borch is goet ende vast. 
Al woud ons die ooninc doen overlast , 



Ende hi ons myt maqhte bezate , 60 
Hier sijn so veel zidelgate 
Dat wi wel te tide ontrumen. 
Wy en mogen myt bliven niet versumen, 
Wy weten die wege over al. 
Eer hi ons dan vangen sal 65 

Mit crachte, dair sel veel toehoren; 
Her dat gi heqi hebt gesworen 
Dat gi selt varen over zee, 
Ende dair te bliven umm^rmee 
Dats dair ie my aen stoot meest. » 70 
t Neen, vrou, zijt dairom niet bevreest : 
So meer gesworen so meer gelogen, 
Is my die gecomen voor dogen. 
, Ie rade dair ie my mede beriet , 
Dat bedwongen ^de en duden niet. 75 



¥• 5182 Dus gedydt de trouw niet. De prosa heeft : « Ie beriet mi 
eens met eenen goeden man ^ dip aeide mi : Bedwonghen ede die en doden 
(lees diedfn) niet. » 

Yah. 8140 V 60 Be$ate, wilde bezetten. — 61 Zidelgate , zygaten, 
kleine geheime deuren of doorgangen. In meest alle onze steden zyn 
benamingen van dien aert. Het woord is verwand met het éngelseh 
gatte. -^ 7S Duden niet j beduiden niets. 

17 



130 REINAERT 

So sal hi mi haten Tele meere , 

Dan hi noint dede , eere. 

Daer bi peinsic in minen moet , 

Dat Taren es mi also goet 
3195 Alse dit bliyen (sprac Reinaert); 

Ende Godsat hebbe mijn rode baert, 

Gedoe hoe ie gedoe , 

Of mi troostet mee daer toe 

No die cater no die das , 
3200 No Bruun, die na mijn oom was, 

No dor gewin, no dor scade, 

Dat ie in sconinx genade 

Ne eome , dat ie leve lancst : 

Ie hebbe leden so menegen anxt I » 
3205 So sere baleh die ram Belijn , 3? TrS^!i 

Dat Cuwaert, die geselle sijn, 

In dat hol so lange merrede. 

Hi riep , als die hem sere errede : 

cc Cuwaert, (lates den duvel wouden!) 
3210 Hoe lange sal u daer Reinaert houden? 

Twine comdi niet? ende laet ons gaen. » 

Alse Reinaert dit hadde verstaen , 

Doe gine hi ute , tote Beline , 

Ende sprae al stillekine: 
3215 cc Ai here, twi so belgedi? 

Al Toldeed ie dete vaert , Al is hi my te sierck Tan crachten , 

Ten bate niet eenre cattenstaert. Tïochtan waen ie hem wel te Tercloeken, 

Ie wil hier bfiyen, nu gijt my raet. Hi en selt hier so quaet niet zoeken, 85 

Ie mochtet wel Tijnden also quaet Hy en selt dair noch quader vijnden, 

Dair ie quame, als iet heb hier. 80 Wil ie mynen sack ontbijnden. 

Wil my in verdriet die coninc fier Nu balch hem zeer Bellijn die ram, 

Brengen , des wil ie altemael wachten. Dat Ruwaert sijn gesel niet en quam. 

Y' 8194 Varen j wegtrekken. — 3196 Godsat, Gods haet, Gods straf. 
Zie over dezen vloek myne Verhandeling over oude Nederlandsche vloe- 
ien ^ in de Gentsche Letteroef eningen j bl. 227, of de landkeur van 129S 
in het Codex diphmaticus , achter Van Hiblu. — 3197 Wat of ik ook doe. 
— 321S, Belgedi, belgt gy u. 

Var. 3140 V* 87 Indien ik mynen zak van loosheden wil openen. 



EERSTE BOEK. 131 

Al sprac Guwaert jegen mi 

Eade jegen sire moien , 

Waer omme mach hi [di] vernoien? 

Cuwaert dede mi verstaen , 
3220 Gi moget wel sachte yoren gaen, 

Ne wildi hier niet langer sijn. 

Hi moet hier merren een lettelkijn 

Met siere moien Hermelinen, 

Ende met haren welpkinen, 
3225 Die sere weenen ende misbaren , 

Om dat ie hem sal ontTaren. » 

Belijn sprac: cc Nu secht mi, 

Here Reinaert , wat hebdi 

Cuwaerde te leede gedaenP 
3230 Also als ie conste yerstaen 

So riep hi harde huipe op mi? » 

Reinaert sprac : cc Wat sechdi 

Belijn? God moete u beraden 1 

Ie segge u, wat wi daden: 
3235 Doé ie in huus gegangen quam , 

Ende Ermeline an mi yernam, 

Dat ie wilde varen oyer se, 

Ten eersten wart haer so we, 

Dat so lange in onmadit lach : 
3240 Ende also Guwaert dat gesach , 

Doe riep hi lude : » Helet vri , 

Gbmt hare , ende helpt mi 

Miere moien laven, so es in ómmacht! » 

So riep hi met groter cracht. 
3245 Dit waren die woorde , ende niet el. » 

cc En trouwe, ie verstout ooc wel, 

18 Dat en sel u billix niet yernoeyea. 38 D«t hert wart hair doe ao wee. 

30 Want ie heb te recht yerataen. 4Ö Do aprac die ram, die niet was fel. 

V' S238 Beraden^ beter verstand geTon. — 8241 Helei vri, vrye 
held ; als boven V 1070. — 8245 El, anders. — 8246 En trouwe, idl 
tnmwe, trouwens. 



1S2 . KElNAmT 

Dat Guwaërt dreef groot misbare: 

Ie waande hem iet misTallen /ware, » 

Reinaert sprae: <^ Belijn, neent niet: 
3250 Mi ware liever^ misquame hem iet, 

[Daltet] minen kibdren of mi&en wive, 

Dan mijns neven Cuwaerts live I » 

Reinaert sprae: « Yernaemdi iet , 37^V.*»m\' 

Dat mi de conine gistren hiet 
3255 Voor harde véle hoge liede, 

Als ie uten lande sciede, 

Dat ie hem een paer lettren isorevé? 

Suldijt hem dragen, Bdrjmieve? 

Het es gescrefvenendealgèrèet. » 
3260 Belijn sprac : « Ie ne weet , 

Reinaert; wistie u gedichte 

Dat getrouwe ware, gi möchdet lichte 

Gebieden , dat ie den conine 

Droege , 'haddic enege dihc, 
3265 Daer iet moehte'inssteken. » 

Reinaert sprac: c< U sal niet gebreken; 

Eer des coninx 'lettren hier bleven , 

Ie soude u dese scerpe getéh , 

Here Belijn, die ie drage, 
3270 Ende hangenBc an uwe crage, 

Ende des conins lettren daer in. 

Gi sulter af hebben groot gewin, 

Des coninds danc , ende groot ére ! 

Gi sult den conine minen bere 
3275 Harde willecome sijn. » 

Dit loofde mijn here Belijh. 

48 Ie waende wel dat anders waer. 76-83 Op desén troost loofde Bellijn, 

53 Reynaert sprac ; < Belijn , huecht u iet. Dat ht die brieve dragen soude. 

57 Dat io hem een paer briere screre. Doe keerde Reynaert, als die boude , 

V* 8253 F'emaemdi iet, hebt gy er iets van vernomen , opgomerkt. 
— 8254 Hiet, gebood. — 8261 U gedichte, hetgeen gy'gesülire ven, 
uitgedacht hebt. Dichten is eigenlyk dictare, en zoo noemt Belyn ileh 
lager een dichter, om dat hy voorgeeft den brief geschreven te hebben. 



EERSTE BOEK. 18S 

* R^idaërt ginc ia die lukgedoolile , 

Ende keerde weder, <e&de bltickte 

Sinen Trient fieline jegcfti 
3280 Dat hooft van Guwaerde gedregen , 

Ia die scerpe gebleken , 

Ende hiiic bi mitn qdadea trekea 

Die scerpe Beljja aa den hak, 

Eade be^al hem als énde ak, 
3285 Dat hi die lettren aièt ne «oude 

Besiea, of hi gerne womde 

Dea coaiac lenea vrieode maken ; 

Eode séide hem, dat^dieiettreet atakea 

Ia die scerpe Verholeolike, 
3290 Ende of hi wesea wilde rike , 

Eade sitaea here dea comnc haddelief, 

Dat hi seide , dat desëa brief 

Bi hem allene ware gescreren , 

'Eade hiere raet toe hadde gegerea : 
3296 Die eoainc soiits hém weten danc. » 

Dat hoorde BeUrjn, ende spl*anc 

Van der ^stede , daer hi op stoet , 

"Meer dan enen halven voet, 

So blide was hi van der dinc; 
3300 Dat hem- te toorné sint vcrginc. 

Doe sprac Reinaert: (c Beügn, here. 

Nu wetic vtel, dat gi doet ere 

Weder* in sijn hagedócl^te, So segget dot gi self den'brieff 

Ende nam die scerpe , die hi' brochte Gedicht hebt, ende oec gescreren, 

Bellijn r dair had hi in gesteken Ende den raet dair toe gegeven. 

Kvwaerts hooft , bi TAlschen treken , 99-7 Ende sprac : « Reynaért, nere ende hedr, 

Dien hi had gebeten doot , Ru weet ie dat gi my doet eer. 

Om Bellijn te brengen in meerre noot ) Ie sel hebben groot loff 

Ende hencse hem Tast aen synen hals By u^ als men in dat hoff 

S7<^4 Tot 'des conibcs yrientsOap sonde 'tia- 'Siet dut ie dns Wel èan dichten , 

Bnde wildi, dattb'oTén aUé sifken (kfo, Insoonen wooitlenende'ialiUdrten; 

Die cnninc u »el hebben lieff? 'Al ist dat ics niet «n o^. 

V' 8394 Ende hière raet, en hy er den ra^dtoe had gegeven. 



134 REINAERT 

U selven, ende die sijn int hof! » 

cc Men sals mi spreken groten lof, 
3305 Als men weet, dat [ie can] dichten 

Met seonen woorden ende met lichten ; 

Al si dat ics niet ne can. » 

cc Men seit dicken , hets menich man 

Grote ere gesciet, dat hem God jonste 
3310 Tan dingen , die hi lettel conste. » 

Hier na sprac Belijn: c< Reinaert, 

Wats u raet? wille Cuwaert 

Met mi weder te hove gaen? » 

c( Neen hi (sprac Reinaert); hi sal u saen 
3315 Volgen, bi desen selyen pade: 

Hine hevet noch ne geene stade. 

Nu, gaet voren met gemake! 

Ie sal Cuwaerde sulke sake 

Ontdecken , die noch es verholen. » 
3320 cc Reinaert, so blivet Gode bevolen! » 

Sprac Belijn; ende dede hem op de vaert. 

Nu hoort, wat hi doet, Reinaert. 

Hi keerde in sine hagedochte 

Ende sprac: cc Hier naect ons gerochte, 
3325 Bliven wi hier, ende grote pine: 

Gereet u, vrouwe Hermeline, 

Ende mine kindre also aigader. 

Volget mi, ie hem u vader, 

1 1-13 So sel my aen deser yaert. Ende haesie to «eer rm Reynaeri 

Nu -wai radi , liere Reynaert , Het lopen , dat hi voor middaoh 

Sel Ruwaert mede te hoTe {^en? Quam dair hi den coninc sach, 

16 Hy en heefii nu geen groot acade. In njn hoff , myt rijn baroen. 5 

21-38 Sprac Bellijn, ende ghinc te hoye Die coninc wonderde ran den doen. 

(waert, 

y* 8d04 Men 9ak mi. By Grihm staat: men eals i», en Reinaert blyft 
daer yoortspreken tot Y* 8810; doch het Holl. handschriften de prosa 
zyn hier Yerkieslyker. — 8824 Gerochte, xorg; van rochteny dat het- 
zelfde woord is met roeken. Zie KniASN op dit laetste. Myne vertaling: 
Groot geruehi stoet ons te naken, was derhalve onjuist. 



EERSTE BOEK. 185 

Ende pinen wi ons , dat wi onifaren. » 
3330 Doene was daer geen langer sparen : 

Si daden hem alle op die vaert, 

Ermeline ende here Reinaer(, 

Ende hare jonge welpkine : 

Dese aneyaerden die woestine. 
3335 Nu hevet Belijn , de ram , 

So gelopen, dat hi quam 

Te hoYe, een lettel na middach. 

Als die coninc Belijn gesach, 
' Die de scerpe weder brochte, 
3340 Daer Brune die bere so onsochte 

Te Toren om was gedaen, 

Doe sprac hi te Belijn saen: 

cc Here Belijn, wanen comedi? 

Waer es Reinaert? hoe comt, dat hi 
3345 Dese scerpe niet en draget? 

Belijn sprac: cc Coninc, ie maget 

ü seggen , also iet weet. 

Doe Reinaert al was gereet , 

Ende hi ten casteel comen soude, 
3350 Doe seidi hi mi, dat hi u woude 

Een paer lettren, coninc vri, 

Senden; ende doe bat hi mi, 

Dat icse droege dor uwe lieve. 

Ie seide: meer dan VII brieve 
3355 Soudic dor uwen wille dragen. 

Doe ne conste Reinaert niet bejagen 

49-53 Ende hi henen sceiden soude, Die scerpe, dair dese brieve in sijn: 

Yraechde hi mi off ie woude Die sijn, mitter konsten mijn 

Twee brieyen brengen , door u lieye. Beide gedicht ende oec gescreven , 5 

55-73 Soud ie diagen. door u eer. Ende heb dair den raet off gegeten, 

Doe brocht hi my gedragen , heer, Het Tergaet my t my boet maoh Tei]gaen« 

Y' 8M4 Anwaerdenf gingen aen, agressi tunt; schoon men ook «en 
aenveerden^ in bezit nemen, zou kannen denken. — S8W Dat ik ze 
droeg , ter liefde van n. — 8856 Bejagen j by de hand krygen. 



136 HEINAERT 

Daer ie de hrieTen in dragen moobte : 

De sc^rpe hi mi brochte 

Ende die lettren daer in gesteken. 
3360 Goninc, gine horet noint spreken 

Van betren dichtre , dan ie bem : 

Dese lettren diebte ie bem , 

Gaet mi te goede, ofte quade, 

Dese lettren didite ie, bi minen, rade, 
3365 Aldus gemaect ende gescreven. » 

Doe biet hem die conine geyen 

Den brie£ Botsaerde , sinen clerc: 

Dat was bi, die bantwere 

Bet conste, dan iemen, (be daer was. 
3370 Botsaert placb, emmer, dat bi las 

Die lettren, die te boye quamen. 

Bruneel, ende bi die namen 

Die scerpe van den balse Beiijns , 

Die bi der dompbeit sijns 
3375 Hier toe badde geseit so verre, 

Dat bi snieme sal worden erre. 

Die scerpe ontfinc Botsaert, die clerc: 

Doe moeste bliken Reinaerts werc. 

Ic waen men selden heeft Yentaen Die men dair seynde ; want hi was 

Brieren leten bet gedicht. » Subtijl , ende yerstont veel spraken. 15 

Die conine dede comen, te richt 10 Tyfaaert ende hi, die traken 

Voor hem , Roekaert synen clerck : Die scerpe Tan den halss Bellijn. 

Dat was sijn ambocht ende werck ' 76 Dat hijs licht mach worden erre. 

Dat hi die brieff te hove lass, 77 Die scerpe ondede Roekaert,, die clerc. 

V' 8367 Botsaerde, in het andere handschrift Koekaert, en Kockaeti, 
en in Rbtnïkb Bokert den bever (doch V* 126 heet de hever Paneer). 
Botsaert is wellicht een appellatief , een soort van valk , en geen toege- 
worpen naem. In Jcnii NomenclcUor vindt meii onder de avium nomina : 
ButeOf Bu9Wift, Buytard; in het fr. Busard of Bn$e, en in het engelsch 
Bufistard. Boivrs vertaelde het woord door Ciroue; andere stellen FeUco 
gallinariuê. Wat er van zy, Botsaert is ook een oude Ylaemsche familie- 
ii4iem. Zie, onder andere, Biiiicourt, Descrigtion hiêiorique de Véglite 
4e Notre-Dame d Bruges, p. ai7. — 8868 Hantwerc, de schryfknnsl. 
— 8870 Botsaert was gb'ivQon te lezen. — 8876 Snieme, snel, al spoedig. 



EERSTE BOEK. 137 

Alse hi dat hooft voort trac. i?l"*ifJ,' 

^ 38, Yi 3123.] 

3380 Botsaert , ende sach dat , [hi sprac] : 

« Heipe, wat lettren sijn dit! 

Here coninc, bi miere wit, 

Dit es dat hooft Tan Guwaerde! 

O wach, dat gi noint Reinaerde, 
3385 Goninc, getrouwedet so yerre! » 

Doe mochtemen droeve sien ende erre 

Die coninc entie coninghüme. 

Die eonine stont in droeven sinne, 

Ende sloech sijn hooft neder. 
3390 Over lanc hief hijt weder 

Op, ende begonste werpen uut 

Een dat vreselijcste geluut, 

Dat noint van diere gehoort waert. 

Alle dieren waren vervaert. 
3395 Doe spranc voort Firapeel , 

Die lubaert: hi was een deel 

Des coninx maech: hi mochtet wei doen. 

Hi sprac: c< Here, coninc lioen, 

Twi drijfdi dus groot ongevoech? 
3400 Gi misliet u genoech, 

Al ware de coninghinne doot. 

Doet wel een wijsheit groot , 

Ende slaect uwen rouwe een deel. » 

Die coninc sprac : « Here Firapeel , 

96 Bie lupaert hi was een deel. (woen? 2-16 laet Taren desen rouwe groot, 

98 Gadi nu aen, heer conmc, een onge* Ende grijp een moed, het is groot scand: 

99 Heer Lyon, hoe drijfdi dees ongenoech? Sidi niet heer tan al den land? ' 
400 fihi misbaert u sonder goToech. Ist niet onder u, al dat hier is? » 

y- S881 Helpey helpe God! zie Y* 57ö. — S882 Bi miere wi$, by 
myne wet, myne christenheid; als in V* 1151. — 3890 Over lane, 
een gemimen tyd daerna. — 8394 P^ervaert. Met dit woord schynt het 
oudere gedicht van Reinaert een einde genomen te hebben. Zie de In* 
leiding. — 3898 Ztoen, fr. /ton. Men ziet dat de dichter van nu af 
fronsche Toorbeelden voor zich had^ en volgde. 

18 



138 REINAERT 

3405 Mi heyet een quaet wicht so yerre 

Bedrogen, dat ics bem erre, 

Ende int strec geleel bi barate, 

Dat ie recht mi selven bate, 

Ende ie mine ere hebbe rerloren. 
3410 Die mine vriende waren te Toren, 

Die stoute here Brune, ende here bingrijn, 

Die rovet mi een yalsch pelgrijn: 

Dat gaet miere herten na so sere, 

Dat het gaen sal an mtne ere , 

3415 Ende an mijn leven: het es recht! » 

Doe sprac Firapeel echt : 

(c Es gedaen mesdaet , men salt soenen. , 

Men sal den wulf enten bere doen comen, 

Ende vrouwe Hersinde also wel , 
3420 Ende betren hem hare misdaet snel, 

Ende over haren toren , ende over hare pine 

Versoenen met den ram Beline, 

«Heer Fyrapeel, wat mach ie dies 5 Ende ie den quadea hoerensone 15 

Dat it my dus myslaet? Also yer soude betrouwen; ' 

Hy heeft myt sinen losen baraet, Her het quain toe by mijnre Trouwen: 

Een quaet scalc, so veer gebrocht , Sy bat dair my so tere Toren, 

Dat hi mijn yriende heeft yerwrocht , Dat ie hair bede most horen. 

Den stoutste Bruun ende Tsegrijm: 10 Dats my' leet , al ist te spade. > 20 

Dat rouwet my in therte mijn ; « Wats daa , heer coninc, wats anders te 

Het sel my aen mijn eer gaen, 20 Oyer schoeyn ende OTer yel. (rade? 

Dat ie so yele hebbe mysdaen 21 Ende oyer toom ende pijn. 

Tegen mijn beste baroene, 22-25 Gheyen den ram Bellijn; 

V* 840S TVicht, booswicht ; verwant met het oudnoordsche wM of 
vwtr^ daetnon; doch eigenlyk, even als het anglo-saksisohe vikt, sooveel 
als creatuta; en misschien wel afkomstige van wiegen* — 3418 Camen. 
Grimh veranderde dit in caenen; wat echter met beide handschriften 
strydt. Voorzeker is het rym niet zeer grelykluidend ; doch men bedenke 
dat men in vele plaetsen kamen als koenen uitspreekt. — 8422 F'enoe- 
nen, g^oeddoen, compensare. 

Var. S402 Y' ë PFai mach ie diesy wat kan ik er aen doen? — 17 By 
mynre vrouwen, Baümaun merkt hier by aen , dat vrouwenraed sedert Eva 
veel kwaed berokkend heeft , en ScHOPraii: Quodfonninweomüiiêpuhiieiê 
non admiscendcB sint. 



EERSTE BOEK. 139 

Na dat hi sehe heeft geliet, 

Dat hi Guwaerde yerriet; 
3425 Hi heeft mesdaen , hi moet becopen. 

Eade daer na sullen wi alle lopen 

Na Reinaerde, ende sulne yangen , 

Ende bi sine kele hangen, 

Sonder Tonnesse, hets recht. » 
3430 Doe antwoorde die coninc echt : 39* vtiTi» V 

O wi , here Firapeel , 

Mochte dit gescien, so ware een deel 

Gesocht den rouwe, die mi slaetl » 

Firapeel 8{H*ac: <c Here, jaet, 
3435 Ie wille gaen maken die soene. » 

Doe ginc Firapeel, die coene, 

Daer hi die geyangene vant : 

Ie wane dat hise teerst ontbant. 

Ende daer na sprac hi: cc Gi heren beide, 
3440 Ie bringe u yrede ende geleide : 

Mijn here de coninc groet u, 

Ende hem berouwet sere nu, 

Dat hi jegen u heeft misdaen. 

Hi biet u, wildijt ontfaen, 
3445 (Wie so blide si ofte gram,) 

Hi wille u geyen Belijn den ram , 

Ende alle sheren Belijns mage, 

Van nu toten doemsdage , 

Eist int velt, eist int wout. 

Want hijt telye UJt «1 bl(H>ty Hem U leet d»t hi tagena u 

Dat hy raet guff tot Kuwaeris dooi. Tet heeft myspffokeay of myidaeB ; 

2d-36 Sonder YomMo wófi aonder recht. Ende dair yoor aèldi onifiMii 

Hier mede $00 wordt alle dinge «lecht. Schoon soen , ende to wi ea gram, 

« Dit doe 10 gem , » iprao die coniaok. Hi tel u goTen Bellijn den ram. 
Fyrapeel die lupart ghinck. 49-52 Ut int wout off op dat yelt , 

42«46 Eode m^oa Jboren Taeotacap nu. Se> wak dat giae yijnden aelt, 

y* U^ Na, aademaeL Gdiety bdiodaB. -- S448 Do^msdëge, laeUte 
oordeelsdag. 

V^R. S429 y 2 Shcht, geslecht, vereffend. 



140 REINAERT 

3450 Hebse alle in u gewout, 

Ende gise gewilleclike verbit : 

Die coninc ontbiet u Toor al dit^ 

Dat gi , sonder enege misdaet , 

Reinaerde moget toren ende quaet 
3455 Doen , ende alle sinen magen , 

Waer 80 gise moget belagen. 

Dese twee grote vreden 

Wille u die coninc geven heden 

Te vrien leene, ewelike, 
3460 Ende hier binnen wilt die coninc rike , 

Dat gi hem sweert vaste hulde, 

Hine wille ooc bi sinen sculden 

Nemmermeer jegen u misdoen. 

Dit biedt u de coninc Lioen. 
3465 Dit neemt, ende leeft mit genaden: 

Bi Gode , ie dart u wel raden! » 

Isingrijn sprac toten bere : 

Wat sechdire toe , Brune here ? » 

Brune sprac: cc Ie hebbe liever in de risere, 
3470 Dan hier te liggene int isere : 

Laet ons toten coninc gaen , 

Ende sinen pais daer ontfaen. » 

Met Firapeel dat si gingen , 

Ende maecten pais van allen dingen. 
3475 Dit dede Firapeel die lupaert , 

Ende dat moeste Bellijns tabbaert 

Dat gise yerbijt ende et. 62*74 Hy en "wil oec bi sijnre hulde ' 
Die conino geeft n dair toe met. Tiegen u mysdoen ummermeer. 

56 Sc wair gise cont bejagen. Dit moechdi myt groter eer. 

57 Deae schoon vriheden. Neemt dit , ie raet n wel te doen* • 
59 Van hem te houden ewelijck. Aldus was gemaect die soen. 

V* 8451 En dat gy ze, naer awen wil, moogt byten (opeten). — 3487 
F^reden, goeddoeningen. — 8465 Genaden^ rust. — 8469 RUerB^ Tjan 
hout, struikgewas. — 8475 Dit dede Firapeel enz. Van hieraf yolgen 
wy het Hollandsche handschrift; gaende het Comburgsche niet yerder 
dan tot V 8474. 



EERSTE BOEK. 141 

Costen, ende sine crage ; 

Want noch heden Isegrims mage 

Die yete doen , ende die nijt met crachte 
3480 Op Bellijn , ende al sijn geslachte : 

Si Terbitense daer si connen. 

Die yete was cort begonnen ; 

Want mense nie gesoenen en conde. 
. Die coninc dede op dien stonde 
3485 Twalef dagen verlengen sijn hof , 

Om daer mede eer ende lof 

Brune ende Isegrime te doen : 

Seer blide was hi van deser soen. 



TWEEDE BOEK. 



Tot desen hove quam menich dier; ^*r**«j"] 

3490 Want die coninc deed daer ende hier 

Over al te weten dese feest. 

Daer was bliscap alremeest 

Die ye wart g^esien van dieren : 

Men danste den hofdans bi manieren , 
3495 Met trompen ende met scalmeien. 

Die coninc had so veel doen reien, 

Dat elc vol op ende genoech vant ; 

Want daer en was in al sijn lant 

Geen so deinen dier, ten was aldaer, 
3500 Ende ooc van vogelen menich paer; 

Ja , al dat sijnre vrientscap geerde , 

Sonder die felle vos Reineerde , 

Die rode , scalke pelgerijn: 

Die [was] al op die hoede sijn , 
3505 Ende docht , hi most daer scuwen den ganc. 

Die spise vloide, ende die dranc; 

Men sprac daer sproken ende stampien; 

Dat hof was al vol nielodien : 

V 8496 Reien, bereiden. — 8S02 Sonder, enz. letteriyk V KO. — 
8507 Stampten, zekere soort van gedichten, ook in de Brabandsche yees' 
ien vermeld, en door den yedelaer Van Yablbekb allereerst uitgevonden : 

Hy was deerste, die vant 
Van stampien die manieren. 

Zie Mèmaireê de P Académie de Bruxelles, I, p. 525, alwaer Dis Rochis 
van dezen vedelaer een boekdrukker maekt! <( De harpen hadden ia 



Bl.142. 




ZM-deTASGytefyiuk. tk-Gand^. 






TWEEDE BOEK. 143 

Het mocht eeii lusten, die sulc hof sage! 
3510 Recht doet leden was acht dage, 

Opten middach, of later eea deel, 

Quam dat conijn, her Lampreel, 

Voor des cooincs tafel , daer hi sat 

Met sinen heren, ende dranc ende at, 
3515 Bi sinen wiye die coninghinne. 

Hi sprac met enen droeven sinne: 

«Her coninc, en al die hier sijn. 

Ontfermt u der clagen mijnl 

Ie waen men selden heeft gehoort 
3520 Quader yerraet, ende arger moort, 

Dan Reinaert aen mi heeft gedaen. 

Gisteren morgen quam ie gaen 

Bi sijnre borch te Maperthuus. 

Daer sat hi, buten yoor sijn huus, 
3525 Recht als een pelgrim gedaen: 

Ie waende met yreden Torbi hem gaen 

Ende hier tot uwen hove te comen. 

Doe hi mi hadde vernomen 

dien tijd (zegt Bildbrdtk) soorten Tan pedalen, en het spelen op die 
harpsoort werd stampen genoemd , en yan daer 't woord stampyen. » 
(Nieuwe Verscheidenheden ^ IV, bl. 169.) Ik twyfel er aen; en zou 
Teeleer geloOTen , dat het een soort yan danslied was , by de franschen 
carole geheeten. De schryfyorm yan een stampte is bewaerd gebleyen. 
In den Malagijs speelt de Minstreel Nigriedi Toor de bedroefde Oriande 
een zoodanig lied, luidende als yolgt: 

Noyale minne ende pure 

Heeft u , yrouwe , tonder gedaen , 

Oriande, scone figure. 

Die lange dolende hebt gegaen 

Om u lief de zoete nature, 

Die u herte al heeft geyaen; 

Ghi sijt 80 yaste in sine latsure 
. Al bat gezworen die scrifture, 

Ghine soudet niet of mogen dwaon* 

^BuBSROTK, Nieuwe Verscheid.', IV, bl. 162). Van Vaubbu leefde in de 
dertiende eeuw. — S528 Borch, in 't H. S. feesi (yoor foreest?) 



144 REINAERT 

Redite hi hem op sine yoete, 
3530 Ende quam mi tegen te gemoete, 

Al lesende sijn gebede. 

Mi docht recht aea sijnre sede 

Of hi al goet tot mi woude. 

Ende als ie hem liden soude^ 
3535 In enen smalen nauwen pat, 

Groetic hem. ffi en sprac dit noch dat; 

Hi tooch uut een ruge want , 

Die hi droech aen sijn rediter hant: 

Hi duwedé sijn claeuwen tusschen mijn oren , 
3540 Dat ie waende mijn hooft yerloren ; 

Maer (des so wetic Gode danc!) 

Ie was so licht dat ie ontspranc 

Uut sinen poten , ende ontquam. 

Hi grimde seer, als die was gram, 
3545 Om dat hi mi niet houden en mochte; 

Doch, hoe lichtelic ie wech rochte, 

.Ie moest daer mijn een oor laten, 

Ende in mijn hooft yier grote gaten 

Van sinen nagelen, scerp ende lanc, 
3550 So dat mi tbioet daer ute spranc , 

Ende ie wel na in onmacht vel; 

Maer die anxt maecte mi so snel. 

Die ie hadde Tan der doot. 

Dat ie altemael ontscoot, 
3555 Ende maecte mi uut sijn beride. 

Siet hier noch die wonden wide. 

Die hi mi metten claeuwen sloech: 

Laet u ontfermen dit ongeyoech ! 

Soo men dus breket u geleide 
3560 Daer en sal niemen oyer die beide 

Dorren yaren , noch ooc keren. 

V' 8KS4 Endê aUy in het H. S. ende rechi ah. — S540 Mijn hooft, 
H. S. mi hebhen. — S5S0 Daer ute, H. S. eeer licht. — l^m Beride , loop , 
waer men bereden, ingehaald kan worden» — 8KB9 Soo, H. S. dta. 



TWEEDE BOEK. 146 

Sal Reinaert noch dus lang regoeren ! 

Hier comt Gorbout ende Scerpenebben^ 

Die OOG seer grote clage hebben. » 
3565 , Recht doe dese tael was vertogen , 

Quam Corbout, die roec^ gevlogen 

Voor den coninc int gedinge, 

Ende sprac: « Here^ hoort ^ ie bringe 

Een mare, een jammerlic dinc. 
3570 Heden morgen, doe ie spelen ginc 

Met Scerpennebbe minen wive, 

Lach daer gelijc enen doden kative 

Reinaert de vos, op die heide; 

Sijnogen stonden te staer beide; 
3575 Sijn tonge hinc ver uut sinen mont, 

Recht gelijc enen doden hont , 

Met opgelokenre, wider kele. 

Wi dreven beide rouwen vele 

Om sine doot, mijn wijf ende ie. 
3580 Wi tasten sinen buuc ende ric; * 

Maer wi en vonden daer aen geen lijf. 

Doe ginc staen luusteren mijn wijf 

Aen sinen mont, ende aen ^jn kin, 

Of hi enigen adem hadde in, 
3585 Daert haer seer in misvel ; 

Want hi, die valsch is ende fel, 

Wachte wel nauwe sinen slach. 

Doe hise al sonder hoede sach 

Aen sinen mont also staen merken , 
3590 Sloech hi sijn tande tsamen sterken. 

Met nide, ende beet haer af dat hooft. 

Van aiKXte was ie so berooft, 

Dat ie lude riep : « O wi ! » 

V' 8M6 Die roeo, de kraei. De andere noemen ze Corbani, Zie op 
y* 4667. — SiS69 Mare, H. S. meer. — S573 Lach daer, H. S. daer lach. 

— 8874 Teêtaer, star. — SKÖO Ric, rog. — «890 Sterken y sterk (adv.) 

— S892 Berooft, beroofd van zin. 

19 



146 REINAERT 

Doe scoot hi op, ende snaude na mi; 
3595 Maer ie ontylooch, met aoxte groot: 

Anders ware ie bleven doot! 

Het was ooc nau dat ie ontquam : 

Op enen boom ie mijn Tlucht nam , 

£nde sach Tan yerre, hoe die katijf 
3600 Ginc staen eten mijn goede wijf I 

Hi en liet aen yleesch noch aen been 

Niet, dan die yedren sommidi een. 

Die clein plumen gingen ooc op : 

So was hem verhongert den erop! 
3605 Doe en bleef hi daer niet meer. 

[Als] hi had wel gegeten seer, 

Liep hi heen sijnre straten jagen. 

Doe vlooch ie op , met groten mishagen , 

Met groten rou ende misbaer, 
3610 Ende las die vederen op van haer, 

Om dat ie se u wilde togen. 

Ie en woude noch sulken anxt niet dogen , 

Als ie daer leet , om dusent merc. 

Heer, siet hier een ontfermelic wcrc : 
3615 Dit sijn die vederen van Scerpenebben J 
^ Heer, wildi macht of eer hebb^i 

So doet hier af sulke wraec. 

Dat hem elc huede van suiker saec; 

Want laet gi dus u geleide breken , 
3620 So wordi selve in tleste versteken. 

Wat heer niet en recht over die quade, 

Die [maect] hem sculdich haerre misdade. 

Ende elc wil selve daer heer wesen: 

Heer coninc, boet u wel van desen! 
3625 Nobel , die coninc, wart seer ontstelt, ^"^^^''^gii"^ # 

V 8594 Scoot, H, S. stoni. — 8600 Mijn goede wijf. In de prosa leest 
men : Hoe dat dese eahche katyf stont, ende ai soe gheerliken mijn kytver- 
drijf. — 8610 Las, raapte. — 8611 Togen. Vergelyk de aenmerkingop 
V 287. — 8624 Hoet, H. S. huei. 



TWEEDE BOEK. 147 

Als die roec faadde Tortelt 

Dese tael, ende dat oonijn. 

Hi wart gruwelic int aenscijn; 

Sijn ogen barnden als een Tier, 
3630 Ende hi briesscede als een stier, 

So lude , dat al thof Terstoorde. 

Ten lesten sprac hi dese woorde: 

« Bi mijnre cronen, bi mijnre trouwen, 

Die ie sculdich ben mijnre vrouwen, 
3635 Ie sal dese daet so hoge wreken, 

Dat men daer af sal spreken, 

Dat mijn geleide ende mijn gebot 

Dus is te broken ! Ie was een sot 

Dat ie so lichtelic geloofde 
3640 Den scalc , die mi verdoofde 

Met sijnre gevensder tale! 

Ie gaf hem palster ende male , 

Ende maeetene daer af een pelgryn; 

Hi seide, hi wilde te Romen sijn, 
3645 Ende van daer over tmeer : 

Ai mi , wat can hi loser keer ! 

Hoe wel maecte hi ons die mouwe ! 

Maer [dat] dede al mijn vrouwe : 

Bi haren raet ist al gesciet; 
3650 Doch ie en bens allene niet 

Die bedrogen is bi vrouwen rade : 

Daer heeft menich groot scade 

Bi geleden, ende groten toren. 

Ie gebiede ende bidde te voren 
3655 Hem allen , die geren die hulde mijn , 

Sijn si hier, of waer si sijn, 

Dat si met werken ende met rade 

Mi helpen wreken dese overdade ; 

So dat ics blive in miner eer, 

V' 8642 Male, in geheel het eerste boek scerpe genoemd. — 8646 
Keeff vond. — 8652 Menich, H. S. menich of. 



148 REINAERT 

3660 Ende ons dat Tuule widit niet meer 

Te spot en drive, ende ooe te sceme. 
Ie wil daer metten live gerne 
Selye toe helpen, al dat ie mach, 
Beide over nacht ende over dach. » 

3665 Isegiïm die behagede wale '^^s^vfsitói 

Ende Bruun des conincs tale; 
Si hoopten noch te sijn gewroken 
Op Reinaert, condèn sijt gestoken. 
Maer si en dorsten niet spreken een woort, 

3670 (Die coninc was so seer gestoort,) 
Nóch niemen die ten hove was inne. 
Ten lesten sprac die coninginne: 
« Sire, pour Dieu, ne crois mie 
Toutes choses qu'on vous die, 

3675 Et ne jures pas legierement ! 



Want ten sal geen man van eren 
Te licht geloven , noch hoge sweren , 
Eer hi claer wel weet die sake, 

3680 Ende hoort die wedersprake. 

Sulc doet opten anderen dage: 
Waer hi bi hem, eüde hi hem sage. 
Het mocht licht dat hijs hem verdroege, 
Ende ginc met hem al int gevoege. 

3685 Daer staet ooc gescreven me: 
Ateram partem audite! 
Sulc claecht, die selve meest misdoet. 
Ie hielt Reinaert over goet, 
Ende dat hi om geen loosheit en dochte; 

3690 Daer om halp ie hem , daer ie mochte. 
Dat dedic , here , al om u vrome. 

V' 3667 H. S. Ende hoopten noch gesijn te icrohen. — 8674 Choses, 
H. S. tsieres. — 2675 Et ne jures pas, H. S. et nyemes pays, — 868S 
Het kon licht gebeuren dat hy des overeenkwame. — 8684 Ginc, H. S. 
gaen. — 3687 H. S. Die sulc die claecht ende selve meest misdoet. — 
8688 Over goet f voor goed. 



TWEEDE BOEK. 149 

Maer hoet gaet, of hoet so come, 

Is hi quaet of is hi goet , 

Hi is yan rade wijs ende yroet, 
3695 Ende [daerbi] Tan groten geslachte , 

Dat ie alre meest achte. 

Dat gi Terhaesten sout u eer 

Op hem, dat misstonde u seer; 

Want hi en mach u niet ontbÜTen. 
3700 Wildi hem vangen of ontliyen , 

Hi inoetet liden u oordeel. » 

Doe sprac die lupaert Firapeel: 

« Heer, mijn vrouwe seit u waer! 

Doet wel, ende volges haer: 
3705 Neemt raet daer af met u baroen, 

Ende vint men hem sculdich int misdoen , 

Als wine hebben horen spreken , 

So latet hoochlic op hem wreken. 

Gomt hi niet, eer sceit dit hof, 
3710 Ende en doet sulc onscout daer of 

Als hi na recht billix sal, 

Doet dan dat gi te rade wert al ! 

Maer, ware hi noch also quaet, 

So en gavic daer toe geenen raet, 
3715 Dat men boven recht iet dede. » 

[Dit] seide Firapeel. « Des volgen wi mede 

Alle gader, sprac Isengrijn , 

Die tael mach niet verbetert sijn , 

Op dat mijn heer also begeert. 

Y' 8693 H. S. Hi is quaet off hi is goei. — 8694 H. S. Hi is wijs 
ehde van rade vroet. — 8700 TVildi hem^ H. S. wildyen. — 8701 H. S. 
Hy moei hem liden u oordeel. — 8708 Latet, E. S. laet ons. — 8718 
Noch f H. S. Nochtans. — 3716 Des volgen wi mede, dit is ook ons adyies. 
Dit volgen is een oude^ nu niet meer gebezij^de, rechtsterm. Wanneer de 
baljuw ter uit^raek gemaend , en een der rechters of gezwoornen zyn 
gevoelen geait had, waermede de andere zich wilden vereenigen, zoo 
zeiden deze: « Baljuw ie volchs desen, bi der trouwen , die ie sculdich 
ben miuen here! n 

I 



160 REINAERT 

3720 Ware hier al te hant Reineert, 

Ende hem oDtsculdichde selker saken, 

Als deae twee nu op hem spraken , 

So soudic noditan brengen voort, 

Daer hi tlijf aen heeft verhoort; 
3725 Maer ie wil nu swig^i des ; 

Want hi daer niet tegenwoordich en es. 

Ende nochtan heeft hi boven al 

Den coninc gemaect so mal, 

Ende heeft hem gewijst den scat, 
3730 Daer niet en was , dit noch dat, 

In Hulsterlo bi Kriekenput. 

Meerre logene dan dit 

Weet ie wel was nie gelogen. 

Daer toe heeft hi ons al bedrogen , 
3735 Ende Bruun seer gescent ende mi. 

Daer wil ie mijn lijf setten bi 

Dat hi een woort waers niet en seide ! 

Nu rooft ende moort hi op der heide 

Al dat comt op sijn casteeh 
3740 Ne mare, her Firapeel, 

Wes den coninc ende u dunct goet, 

Dats billix dat men also doet. 

Had Reinaert hier willen comen, 

Hi heeft die mare wel vernomen 
3745 Van desen hove, bi sinen bode. » 

cc Nu willen wi hem [niet] ontbieden, den rode , 

Sprac die coninc, hier te comen. 

Maer hem allen , ende met hem somen , 

Gebiede ie, die geerne mijn eer sagen , 
3750 Dat si gereet sijn binnen ses dagen , 

Ende wel voorsien om orlogen , 

Alle die scut hebben of bogen , 

V 4724 Verhoort y H. S. gehoort. — 8788 Op der, H. S. yf geen. — 
8740 Ne mare, H. S. niet wwr^ — 8748 Maer al de sulken , en elk 
in 't byzonder. 



TWEEEE BOEK, 161 

Donrebussen ende bombaerden , 

Beide Yoetgangers ende te paerden, 
3755 Als behoort ten beset van Maperthuus. 

Ie sal maken Reinaert so eonfuus , 

Ist dat ie conine heet Lioen! 

Wat segdi, gi heren, wildijt doen? » 

« Ja wi , riepense gemeenlic sere : 
3760 Wanneer gi vaert wi volgen u , here , 

AI sout ons costen lijf ende goet; 

Hier op, heer conine, weest wel gemoet. » 
Dit hoorde Grimbaert die das: ^!"v^,uV; 

4 f V*. 9525. J 

Och hoe toornich dat hi was 
3765 Ende rouwich, haddet mogen baten! 

Hi liep henen die rechte straten , 

Die te Maperthuus lagen ; 

Hi en spaerde bosch noch hagen. 

So seer liep hi, dat hem dat sweet 
3770 Tallen leden uut brac, gereet. 

Om sinen oom , Reinaert den roden. 

c< O wi , lieve oom [dochti] , in wat noden 

Sidi comen? waer seldi bliven? 

Sal ie u sien dus ontliven , 
3775 Of uten lande sien jagen , 

So mach ie wel piet rechte clagen ! 

Gi sijt thooft van onsen geslachte. 

Wijs van rade ; bi dage ende bi nachte , 

Al uwen vrienden altijt bereit; 
3780 So waer gi spreect daer windi die pleit : 

Y' 67S3 Bombaerden y in Rsinsks barden; wat waerschynlyk de oade 
goede text zal zyn geweest. In Willem tanUtenhoye's tyd kende men zalke 
vnerwapens nog niet; doch reeds vóór den slag van Crecy van het 
jaer 1346 vindt men ze vermeld. Zie Hannovrisches Magazin^ 1798, 
bl. 861, en de aenteekening van Hoffmank, op Reiitekb, bl. 221. By 
Van Hselv (op het jaer 1284, ¥• 2849) wordt ook van een werk gespro- 
ken , maer mede men vuer schoot in het slot Kerpen. — 8780 FFtndu 
Er staet vindij hetgeen niet wel op pkitÜKGU Anders zei men gewoon- 
lyk recht vinden^ voor gewonnen zaek hebben. ^ 



152 REINAERT 

So scoon kündi u falïacien! » 

Met dus groter lamentacien 

Quam hi tot Maperthuus gegaen , 

Ende vant Reinaert daer voren staen : 
3785 Hi had gevaen twee jonge duyen , 

AI te 8inen behoef te cluven , 

Daer si, tot haer eerste spronc, 

Uut vliegen souden jone , 

Ende proeven of si ter eren 
3790 Haer iet mochten generen 

In der lucht ; daer vielen si neder 

In onmacht; haer vederen waren teder, 

Ende haer vluegelen veel te cort. 

Reinaert, die desgewaer wort, 
3795 (Want uut gegaen was [hi] om proye , ) 

Greepse beide met groter joie, 

Ende is daer mede te huus gecomen. 

Maer, nu hi Grimbaert heeft vernomen , 

Verbeide hi sijns, ende sprac hem an: 
3800 « Wellecom , neve , voor enich man 

Die ie in onsen geslachte weet! 

Gi loopt so seer dat gi sweet: 

Hebdi iet van mi vernomen? » 

c( Ach oom, het is u qualic becomen! 
3805 Lijf ende goet is al verloren; 

Die coninc heeft selve gesworen , 

Dat hi u scandelic sal doden, 

Ende héefk; heervaert geboden 

Allen sijn volc, over ses dagen. 
3810 Gescut, peerd ende wagen, 

Bombaerden ende donrebussen 

V» 8787 Daer ai tot, H. S. daer sy te tforen. — ^ 8796 Joie, Vreugd. 

— 8800 6y zyt welkomer dan eenig man. — 8809 Over, voor, binnen. 

— 8811 a 3814 zyn niet in Reinble, en zullen waerschynlyk Ook niet 
in den ouden text gestaen hebben ; nogthans leest men in de oude prosa : 
Hi heeft sijn volc heervaert geboden, ecutte, voetgangers, luden te paerde 



TWEEDE BOEK. 153 

Hiet hi laden ende trossen, 

Tenten ende pawelioene. 

Siet voor u, gi hebts te doene; 
3815 Want Isegrim ende Bruun sijn nu 

Bet bi den coninc dan ie bi u : 

Al dat si willen dats g;edaen. 

Isegrim heefk hem doen Terstaen 

Dat gt rooft ende moort, tot alre tijt: 
3820 Hi draget op u haet ende nijt; 

Hi wart maerscalc int assaut. 

Dat conijn , ende die roec Gorbaut 

Hebben grote dage op u gedragen : 

Ie sorg Toor u ende al u magen, 
3825 Dat mi van anxt geen goet en soiet. » 
' « Och, lieve neve, ist anders niet? 

Sidi*hier af dus seer verveert? 

Set u te vreden (sprac Reineert). 

Al hevet die coninc selve gesworen , 
3830 Ende alle die tot sin^n hove horen , 

Als ie mijn selven raet wil geven 

Ie word noch boven al verheven. 

Si mogen veel raden (of si?); 

Maer het hof en dooch niet buten mi. 
3835 Laet dat varen , lieve neve ! 

Gomt in, ende siet wat ie ti geve , 

Een paer duven , jonc ende vet : 

Ie en mach geen spise bet ; 

Want si sijn goet tè verduwen : 
3840 Men machse swelgen sonder kuwen , 

Ende die beenre smaken so soet : 



ende te waghen, ende hi heeft bombaerdsen,bo$8en, tenten ende paulionen 
laten hden. Het woord iroesen in Y' 3&1& is eene omstelling yan tors- 
echen. 

V» SSai Hy tal marschalk zyn by het assaut. -^ 8825 En eciet, en 
gebeurt. — S820 Hevet, H. S. had; doch zie Y' 8806. Rbiheke stelt 
al kodde de honinh noch meer gesworen. — 3834 Dooch niet, deugt niet. 

20 



154 REINAERT 

(Het is half march ende [half] bloet.J 

Die laet ie alle mede ing^aen dore. 

Ie Yoel in mijn mage humore; 
3845 Daer om eet ie gerne lichte spise. 

Mijn wijf Hermelijn , die wise , 

Sal ons herde wel ontfaen ; 

Maer, en laet haer niet verstaen 

Van onsen saken, [noch] ooc iet horen; 
3850 Si soude haer al te seer yerstoren ; 

Si soude in onmacht vallen van vaer ; 

Want een clein dinc gaet haer naer ! 

Si is seer teder van herten toe. 

Morgen ga ie met u vroe 
3855 Te hove , ende sal mijn saken 

So verantwoorden, mach ie te spraken 

Comen, dat sulken te na sal gaen! 

Neve, seldi ooc bi mi staen, 

Als een vrient den anderen doet?i> 
3860 (c Ja ie, lieve oom , lijf ende goet 

Dat is tol uwer liefde bereit. » 
c( Danc hebt , neve , dats wel geseit : 

Mach ie leven , het sal u vromen. » 
« Oom , ende ooc moochdi wel comen 
3865 Voor alle die heren , tot ontscoüden. 
Men sal [u] niet vangen noch houden 
Also lange als gi spreect u tale : 
Dit heeft die coninghinne wale 
Ende die lupert besproken also. » 
3870 Reinaert sprac: « So ben ie vro; 

So en ducht ie van niemen een haer, 
Ende ie en hoorde nie liever maer. 



y* ZM% Merck y Ruiibu: melk; welk laatste echter geen zin heeft. 
— 8853 Teder f>an herten; in de oude prosa: cranc f>an herten, — 8868 
Staeny bystaen. — 8860 Oom, H. S. neve. — 8865 Tot onUcouden, 

om u te verontschuldigen , te zuiveren 8866 Men sal u, H. S. maer 

sal. 



TWEEDE BOEK. 155 

Ie dal mijn recht nu wel bedingen. » 

Doe 8 wegen si van desten dingen, 
3875 Ende sijn binnen den berch gecomen. 

Daer hebben si Hermelijn vernomen : 

Si lach bi . haren jongen , 

Ende is ter vaert opgesprpngen , 

Ende ontfincse beide wale. 
3880 Orimbaert groette met soeter tale 

Sijnre moijen , ende haer kinder. 

Men reide ter maeltijt ginder 

Die duven jonc, die Reioaert brochte. 

Elc die at, dat hem gebeuren mochte; 
3885 Nochtan so en waren si niet sat. 

^1 hadder elc noch een gebat, 

Daer en had niet veel geblev«Q. 

Reinaert sprac : <« Siet, lieve nevé, 5"*^*^"] 

Hoe behagen u die kinder mijn , 
3890 Rosseel ende Reinaerdijn? 

Si selen onse geslachte meeren; 

Si beginnen hem vast te generen: 

Deen vanct een hin , dander een kuken : 

Si connen 00c wel in twater duken 
3895 Na. kievitten ende na enden. 

Ie sou dese dicker om proi uut senden , 

[Maer] ie wilse leren eerst bevroeden 

Hoe si hem voor den stric selen hoeden , 

Voor die jagers , ende voor die honden. 
3900 Waert dat si deo aért wel conden, 

So vraric wel op hem gerust: 

Si souden die onsen lust 

Van menigerhande spise boeten , 

¥• 887Ö Bedingen, H. S. bedringm 8878 Beireh, voor borch) 

beide even goed, ak afstammend Yêin bergen. — S880 Groette y H. S. 
gruetke. — M%^ Reide, bereidde. — S884 Gebeuren, H. S. geboren. 
— %Wi Ehkten, volgens Rsiheu; doóh hét handschrift stelt nog eens 
huhen. 



156 REINAERT 

Die wi Tan node deryen moeten; 
3905 Ende si slachten mi seer wel ; 

Want grimmende spelen si haer spet 

Op den genen dien si haten, 

Ende hem yriendelic gelaten/ 

Om dat hijs te min Verboet. 
3910 So brengen sine onder die toet, 

Ende biten hem ontwee die kele. 

Dats den aert tan Aeinaerts spele. 

Ende ooc sijn si ter grepen snel: 

Dat behoort ons toe seer wel. » 
3915 « Oom, gi moocht u wel verbliden; 

Want het is een scoon toetiden 

Te hebben kinder die sijn so vrome. 

Ie yerblijts mi, hoe soot come, 

Dat ie se in miijn geslachte weet. » 
3920 « Grimbert, neye, gi hebt gesweel 

Ende sijt moede ^ het ware wel tijt 

Dat gi ginct op u rust. » a Oom, wildijt , 

So dunket mi goet gedaen. ^ 

Doe ginc hi ned^leggen saen, 
3925 Op een letier, gemaeot yan stroi. 

Reinaerts wijf, ende al die proi. 

Gingen ooc slapen; maer niet Retnaert: 

[Hi] was met sorgen seer beswaert, 

Hoe hi hem best ontsculdigen mocht. 
3930 Al den nacht lach'bi ende dooht, 

Ende socht in hemselyen raet. 

Des morgens, metter dageraet, 

Ruumde hi met Grimbaert sijn hof; 

Maer eerst so nam hi scoQn oorlof 

# 

y- 3907 Opdeh, H. S. ^de. -- 8910 Sine, H. S. éisiésoi ^ 8015 
Oom, H. S» eof^, — 3916 Toetiden, toe^tjen, toenemen, Toonpoed. — 
.3918 ffoé soöi come, H. S. hoei so come. -^ ^925 Letier, letüer, fr. na 
luiere. Rbihbee : Up den eél geelegen mit h^* • -— 39^ RèinaéfiB wijf, 
H. S. Reinaerê ende sijn wijf. 



TWEH>Ê BOEK. 1&7 

3935 Aan njn wijf^, vrouw Hera»ölijii) 

Eüde OOG aen die kiiider ^jn^ 

Bi sprac: « Laet u niet verlangen; 

Ie moet immer te hote gangen 
• ' Met Grimbert mifien iieve. 
3940 Eade of ie iet te lange blete, 

Daer om en dijt niet in tder. 

AI hoördi ooc enige leede maer^ 

Die «eldi altood dlaen int goede* 

Maer immer sijt op u hoede 
3945 Ende verwaert on^e veftte. 

Ie sal ginder vorderen dat beste, 

NadieËi dat iet gelegen eie. » 

« Oeh Reinaeri, so en was ie droevich nie, 

Dat gi iinmer wilt van desen. 
3950 Gi waert daer lest tn gróter vresen, 

Dal gi levendte nau ontquaemt; 

Ende gi seit, ende had geraemt^ 

Dat gi daer niet weder en woött » 

« Vrouw, die aventuer h menidbibut : 
3955 Het gaet biwilen buten gissen. 

Sule waent hébben, hi mo^;s missen. 

Ie moet inunar daer wesen nu., 

Weest te vreden, des bid ie u; 

Want het is ial sooder anxt* 
3960 Ie come weder, ópt alre lanit. 

Binnen vijf dagen, i^ dat ie ean« » 
Hier mede sceiden van dan 

Reinaert eüde die das, te samen. 

Ende doe si op die heide quamen ^^1"^^'] 

3965 Sprac Reinaert: « Neve, hoort mi nu ! 

Sint ie lest biechte tegen u 

Heb ie misdaen; dat moet horen. 

Men sal die quaetheit brengen voren 

¥• 8987 Hy «prdk: Dat het u niet vervele* — 8W« FérdetM^ bevor- 
deren. — 8964 Op die kmdéi NaTolghig Tan V* 1435 en volgende. 



158 REINAERT 

In biedbten, die men heeft gedaen: 
3970 Men derf die duecht niet doen yerstaeii , 

Die men doet : dat en is geen sonde. 

Ie maecte Bruun een grote wonde , 

Ende een scerp sniden uut sinen liye; 

Ende ie dede den wolf ende sinen wiye 
3975 Die scoen yullen met horen toeten. 

Ie dede den conine te miwaert soeten 

Sinen toorn^, ende maecten te yriende , 

Dat ie [door] liegen al yerdiende. 

Ie seide , dat Brunn ende Isegrijn^ 
3980 Stonden n^ dat leyen sijn , 

Ende dat si hem yerraden wouden. 

Dus maectic, buien horen seouden, 

Dat hem die conine wart seer hat: 

Ende al met luegen deed ie dat. 
3985 Ooc wijsdie den conine enen scat, 

Des hem nie en wart te bat: 

Want ie loocht., al dat ie seide. 

Bellijn den ram ic met mi leide, 

Ende Cuwart , dié ie Üijf roofde , 
3990 Ende sinde Betlijn metten hoofde 

Totten conine, om sinen toren. 

Ic duwede dat conijn tusschen sijn oren, 

Dat ic hem wel na dat ley«a nam ; 

Ende twas mi leet dat hi ontquam; 
3995 Maer het was mi al te cloee. 

Met recht claecht over mi die roec; 

Want ic at sijn wijf Scerpenebbe. 

Lieye neye , ende ooc so hebbe 

¥• 8970 Het is niet noodig wat deagdzaem is te veririelden. — 8978 
Prullen, yervullen; moor Terschafien. Misschien moet er gelezen worden: 
Ic dede die sccen villen van haren voeten. Zoo staet er in de prosa. — 
8982 Scouden^ schuld. -— 8986 Waer yan hy nooit bate had, of: Waer 
ky 't nooit beter mée gehad heeft. — 8991 Om einen toren, tot zyn 
yerdriet. — 8996 U. S* Met recht daech ie over die roec. 



TWEEDE BOEK. 159 

Ie mi bedocht van enen dine, 
4000 Dat ie vergat, doe ie lest gine 

Te biechten; dat naoet ie seggen mede : 

Het was een hovescheit die ie déde 

Den wolf; mi ware leet deedt men mi. 

Wi quamen gaende , ie ende hi , 
4005 Tusschen Houthorst ende Everdingen : 

Daer sagen wi dat Yoor ons gingen ^ 
" Een merrie root, ende haèr vole, 

Dat $o swert was als een eole, 

Ende vet, vier maenden groot. 
4010 Isegrim was vol na doot 

Van honger, ende bat mi, dat ie liep 

Totter merrie , ende haer aen riep, 

Of si tvolen woude vörcopen? 

Ie haeste mi, ende ie ginc lopen 
4015 Totter merrie, ende vraechde haer dat. 

Si seide mi, si vereoftet mi om een scat. 

Ie vraechde haer, hoe sijt woude geven? 

Si sprac : « Reinaert , het staet gescreven 

Achter onder minen rechter voet. 
4020 Sidi van elergien vroet, 

Ende wildijt ^ien? ie laet u lesen. » 

Doe hoordic waer si woude wesen. 

Ie seide : cc Neen , in goeder trouwen , 
' Ver merrie, het nH>cht mi rouwen; ' 

y* 4002 Hovesheüy H. S. hoescheit^ Heineke homscheit, en de oude 
prosa hoersscheyt. Reinaert zegt spottender wyze , dat hy den wolf eens 
eenen dienst heyrezen heeü. — '4005 Houtkorsi ende Everdingen ; heter 
in de oude prosa: Houihulst en Eherdinghe, Het eerste is een bosch 
(horst), het ander een groot dorp^ gelegen tusschen Iper en Dixmude. 
Reineke stelt Toor Houthulst Kackijs (lees MachijSy nu Machuys, tus- 
schen Loo en Eversam) en de hoogduitische vertaling heeft hier: Zwis^ 
chen Kallis (Calais) und Eherdingen. — 4007 Merrie, H. S. mery. — 
4020 F'an elergien vroet, geletterd. Het kan ook voor latyn-kundig ge- 
nomen voorden : want clergie leeren was ïatyn keren. Zie Hdtdecoper , op 
MsLts Stoks, II, hl. 580. De prosa stelt: Sidi een goed ckrc? — 4024 
F'erj vrouw. 



160 REINAERT 

4025 Ie en <^n le^ent niet een Tere, 

Ende te copea k ooc wet ea gere 

Dat nu is u enich kiot, 

I^egrim heeft mi bier gesiat , 

Ende wt9t geri^e hier af dat ware. » 
4030 c( Sq laten sehen dan comea hare , 

(Sprao 3i) ie aals hem maken yroet. » 

Ie seide; << Ie 9at. » Ende metter spoet 

Liep ie daer I^egnm aat ; 

Ie seiden : « Oom , wildi eten dat 
4035 Van den Tofen, «o lopet sere 

Totier merrie ; at verbeit^ u ter ere ; 

Si heeft onder haer voet geseareren 

Den eoop , hoe sijt wil geven. 

Si woudet mi hebben lesen laten; 
4040 Maer wat soude mi dat baten , 

Want ie een letter en kenne niet? 

'Des dooch ie in mijn herte verdriet, 

Dat ie nie en ginc ter seolen. 

Oom , wildi eopen dat volen , . 
4045 So mooehdijt hebben ; condi lesen? » 

« Ai mi, wat sout mi wesen? 

Ja ie [can] walsch , duutseh, ende latijn : 

Op Westvalen ende Provijn' 

[Hebbic] gegaen ter hoger seolen, 
4050 Met ouden wisen, sonder folen, 

Meisters van audiencien, 

Questie gegeven ende sentencien, 
Ende was in loyen licensiert, 

V* 4028 JSen vereneen peonestreek, — 4030 Dm, H. S. doen^ — 
40S6 Si verïmt u ter ere, u ter eera wacht zy. /— 4080 PToudet, H. S. 
woud. — 4048 Op We^tfiokn end^U Pr9t>ijn. Louter verdichtsel; want 
te Provina ïÈ nooit een school van naem geweest. De oude prosa en 
RsiifBKE stellen V Er fort. Eerst ten jare 1392 werd in deze laetstgenoemde 
stad eene universiteit gevestigd (HoFFviiviiy bl. 221 , en Hagslgans, Orbis 
Hteratus academicus g p. 5]« -^ 4080 Sonder folen, zonder spotten; ik 
lacher niet mée. -r 4053 In hyen licenciert, licencié es lois. De prosa: 



TWEEDE BOEK, 161 

So wat scriften dat men visiert 

4055 Gan ie lesen, g^Ujc mijn name. 
Ie wil tot haer lopen; ie rame 
Dat ie den eoop «al weten ter vaert. 
Waer toe bi«tu goet, Reinaert, 
Dattu lesen en eonst noch seriven? » 

4060 Doe liep hi heen , (énde liet mi bliyen ^ 
Dat ie sijns Terbieden soude,) 
Totter merrie , en vraechde, of si woude 
Haer vuden geven, [dan] of sijt hilde? 
Si sprae: « Die 8om van den gelde 

4065 Staet after aen mijn rediter voet. » 

c( So laet mi lesen. » Si sprae: « Ie doet. )> 
Ende [heeft] haren voet verdragen, 
(Die wel met yser was beslagen , 
Al niwe, met hoefbagelën ses^) 

4070 Ende raemde niet al te mes; 

Want si smeten so voor sijn hocrft 
Dat hi storte, ende was verdooft, 
Ende viel over doot daèr neder. 
Eer hi bequam , of stont op weder, 

4075 Mocht men een mijl hebben gereden. 
Die merrie liep met groter haesten 
Met haer vuelen haerre straten, 
Ende heeft Isegrim daer gelaten, 

« Oec heb ie mit ouden wisen meesters van der audiencien questien 
ende sententien gegeven; ende was in loeyen ghelycenceert. » Hoe 
Isegrim studeerde wordt in de fabel Der TVolf in der Schuole, in Rei- 
nardus y en in yerscheiden andere stukken geleerd. Volgens eene latyn- 
sche vertelling der dertiende eeuw, in Engelland vervaerdigd , en door 
DoucE yertaeld, hiet het: « Isengrim the wolf, to expiate his sins, 
became a monk. His brethren endeavour^d to teach him his letters, 
that he might say paternoster; hut all that they w«re able to get from 
him, was lamb! lamb! (Grimh, bl. ccxxi). » 

¥• 4054 Visiertf op het oog heeft. — 4056 Ie rame, ik vermoede. 
— 4057 Ter i>aert, spoedig. — 4070 En lei er niet slecht op aen. In de 
oude prosa : Ende ei en ghinc niet te misse, 

21 



m REINAERT 

Seer mismaect ende gewont. 
4080 Hi lach ende huulde als een hoat. 

Doe [hi] bequam ^ dcN) bloide hi sere. 

Ie ginc tot hem ende seide : c< Here 

Isegrim , iieve oom , hoe sta^? 

Sidi Tan den Tolen wel gesaet? 
4085 Hoe , en deeldi mi niet wat mede? 

Ende ie doch u bootscap dedel 

Hebdi geslapen op u maelP 

Wat wast, walsch of Tocael , 

Dat gescrift onder haren voet? 
4090 Ie wist wel dat gi sijt vroet, 

Dat niemen bet leset dan gi. » 

« O wi , Reinaert , neve , o wi , 

Ie bid u dat gi u spotten laet : 

Ie ben so qualiken begaet, 
4095 Het mocht ontfermen berde stenen! 

Die hoer, metten langen benen, 

Had haren voet so hooch op yerheyen , 

Ie waende thadden geweest lettren gescreyen , 

Die nagelen die daer in stonden : 
4100 Si sloech mi ses groter wonden 

Ten eerste slage dat si smeet, 

Dat mi thooft wel na spleet, 

Ende mijn herssenbecken al ontwee : 

Sulc lesen en gere ie niet mee. » 
4105 « Lieye oom , ist waer dat gi telt? 

Dat heeft mi wonder ; want ie helt 

U Toor den besten clerc , die nu leeft. 

Nu hoor ie wel dat men mi heeft 

Wel eer geseit , ende ooc gelesen , 
4110 In boeken , dat wel waer mach wesen, 

Dats , dat die beste clerke fijn 

V* 4084 G^saet, verzacligd. — 4087 Mael, maeltyd, eten. — 4088 
Vocaelf latyn^ namelyk wat men in het vgcabularium leerde. — 4094 
Begaet , begaeid , ontsierd , ontsteld. 



EERSTE BOEK. 168 

Dicwijl die wijste liede niet en sijn : 

Die leken veryroédense bi wilen: 

Dat doet, dat si so yersubtilen 
4115 In kunsten, dat si daer in verdwalen. » 

Dus brocht ie Isegrim in dwalen , 

Dat hi nauwe sijn lijf behelt. 

Siet, neve, ie heb u nu vertelt 

Al dat ie weet van mijnre [misdaet.] 
4120 Misselie [ist] boet mi vergaet 

Te hove; noehtan ben ie sonder vaer; 

Want ie ben nu der sonden daer; 

Ende ie wil gerne bi uwen rade 

Beteren, ende comen te genade. » 
4125 Grimbert [sprac] : « ü misdaet is groot ! ^^"'2».] 

Maer , die doot is moet bliven doot : 

Men machse niet weder doen leven. 

Oom , dit wil ie u al verjgeven 

Om den anxt die gi daer om liden moet, 
4130 Eer gi daer af u onsoout doet. 

Ende hier op wil ie u absolveren. 

Maer, dat u alremeest sal deren, 

Dats, dat gi Cuwaerts hooft daer sende, 

Ende den conine met logen verblende. 
4135 Oeh oom, dat was seer misdaenl » 

« Neef , die door de werelt sal gaen 

Moet die horen tsine vertrecken ; 

Hi moet hem besmetten ende bevleeken. 

Wie honich handelt vinger lect. 
4140 Ie wart diewilen gewect. 

Van mijnre eonscieneien binnen, 

Gode boven al te minnen , 

¥• 4118 P^ervroedense, winnen het op hen in welbedachtzaemheid. — 
AHA Dat doet dat w, dat komt om dat zy (de klerken). — 4117 Beheli. 
Vergelyk dit yerhaelmet Robekt's Fabks inédites des XII% XIIP etXIF'' 
êièckê, II, p. S68. — 4119 Misdaet ^ yolgens Reineke. In 't handschrift 
ontbreekt hier een woord. — 4125 U, H. S. die. — 4187 f^ertrecken, 
vertellen. 



164 REINAERT 

Ende minen evenkersten als mi, 

[Om] dattet Gods liefele wille si, 
4145 Ende dat dit ware dat beste recht. 

Wat waendi, [hoe] dan die reden yecht 

Van binnen tegens die uterste wille ? 

Dan sta ie in mi selven stille , 

Op mijn eigen vri vernuft, 
4150 Ende worde Tan binnen so versuft, 

Dat ie niet weet wat mijns gesciet. 

Ie ben in een bloot [lichaem] niet, 

Ie heb, ende ben van allen gelaten. 

Dan wil ie van mi steken ende haten 
4155 Al dat minre is dan God, 

Ende hoge climmen, boven sijn gebot , 

Ende bescouwen der contemplacien ; 

Maer dese sonderlinge gracien 

Gescien mi als ie ben alleen , 
4160 Metter werelt noch met mensch gemeen, 

Ende ie mi selven van binnen sie claer ; 

Maer, over een corte wijl daer naer , 

Alc ie der werelt werde gemeen , 

So vindic so veel steen 
4165 In minen wech, achter ende voren ! 

Ende als ie sie die voetsporen , 

Daer [vele] prelaten in gaen , 

So wordic weder vlusch gevaen ; 

So comt die werelt sonder eesch , 
4170 Met groter genuechten, ende wil dat vleesch, 

Ende legget mi so veel te voren , 

Dat ie die vriheit heb verloren , 

Ende dat leven , daer ie eerst in was ; 

So hooric sanc ende pijpgeblas , 
4175 Lachen, spelen, ende vrolicheit: 

Ie hoor dan wat dese of genen seit , 

V' 4147 üterate wille , de wil yan hot lichaem , de zinnelykheid. — 
— 4154 Dan, H. S, dat. — 4168 Flusch, flus. — 4169, 4170 (Vol- 
gens de prosa omgezet). — 4176 H. S. Ie hoor dat dese off* gemeen seit. 



TWEEDE BOEK. 166 

/ 

Die anders aeggen of si peinsen, 
Daer Jeer ie liegen ende yeinsen, 
Ende sonderlingen [in] heren hove : 

4180 Daer spreect meest al te loye , 

Heren , vrouwen , papen , clercken : 
Dit sijn die meest die luegen stereken* 
Men dar die heren niet seggen twaer. 
Lieve neve, hier leer ie [dan] naer, 

4185 Ende ie moet mede loventuten , 
Of men soude mi buten sluten. 
Ie heb veel lude<dic horen spreken, 
Die reckelic ende [ge-] warich leken 
Als si een reden vertogen: 

4190 Yiel haer in enige logen , 

Die haer redene mocht geliken , 
Si lietense mede doorstriken , 
Op dat haer tale ware te scoonre. 
Niet dat die luegenaer waer coenre 

4195 Met verrade , in der reden begin ; 
Maer die reden wil daer in 
Immer sijn ; ende want se wel clede, 
So liet hise daer varen mede. 

Neve, dus moet men , hier ende daer, 

4200 Nu liegen ende [dan] seggen waer, 

Dreigen , smeken, bidden ende vloeken , 

Ende ele op sijn hooft soeken. 

Die die werelt wil hantieren 

Ende een luegen wel [can] visieren 

4205 Ende op haer scoonste dan setten voort, 
Ende so bewimpelen , daer mense hoort , 
Met doeken, die men daer om wint, 
Dat mense voor die waerheit mint, 

y 4177 Of Bi, H. S. ofU. — 4185 ZoveulMtofi, loftoiten, — 4188 
Die gerechtig en waerheidlievend. schenen. — 4190 VM haer in, 
H. S. viel aiUwee. — 4191 Die by hunne redeyoering te pas kwam. — 
4194 Dai, H. S. dan. — 4202 Sijn hooft , prosa sijn weecsL 



166 REINAERT 

Die en is sijn meester niet ontlopen. 
4210 Can hise so subtilic knopen 

Dat hi niet en stamert in sijn tale, 

Ende dat hi gehoort is wale , 

Neye, dese mach wonder maken: 

Hi mach bont dragen , ende scaerlaken , 
4215 Int geestelic ende int werelic recht; 

Hi verwint so waer hi vecht; 

Nochtan en trect hi sweert noch knijf. 

Nu vint men ooc menigen katijf , 

Diet seer benijt, dat hi siet 
4220 Dat desen dus vordeel gesciet, 

Ende meent dat hi wel can 

Liegen, ende grijpt een luegen an, 

Die hi verscoont, ende voort wil setten. 

Hi ate ooc gerne van den vetten; 
4225 Maer hi en is gelooft noch gehoort. 

Sulc [ander] is so plomp: als hi sijn woort 

Ten besten waent seggen ende sluten , 

Ys^lt hi al sijnre materien buten , 

Ende en cant so wel niet salven 
4230 Hi en laet sijn reden staen ten halven, 

Sonder hooft , of sonder steert. 

So wert hi voor een, dwaes vermeert, 

Ende men hout daer mede spot; 

Maer die een luegen geeft een slot, 
4235 Ende seit sijn reden, sonder sneven. 

Als oft voor hem stont gescreven, 

Ende maectse alle gader [soo ver-] dooft 

Dat mense bet. gelooft. 

Dan die waerheit, dats die man! 
4240 Wat const ende wijsheit is daer an. 

Die waerheit te seggen? dat is goet te doenl 

¥• 4217 Knijf, prosa mes. — 4218 Menigen kaiijf, H. S. menigen 

losen kaiijf. 4221 flï, H. S. hijt. — 42S2 P^ermeeti, vermaerd. 

— 42d6 Sneten, zwanken^ in de prosa tafelen^ — 4241 Goet te doen, 
gemakkelyk te doen. 



TWEEDE BOEK. 167 

Hoe lachefn si dan onder haer caproen 

Die lose scalken , [die] gaven den raet , 

Ende die geen die die logen aengaet! 
4245 Al haer onrecht gaet te boyen, 

Ende trecht wert afterwaert gescoven. 

Och neve , [daerin sijn] si al te vroe : 

Scout ^ scepen, raden daer toe 

Achterbacs , ende helpent [ver-] setten , 
42B0 [Bi] rechters van anderen wetten , 

Ende leren door die vinger sien , 

Op dat si mede genieten van dien , 

Of [om] haerre vrienden gonste. 

Och neve, dats een quade conste! 
4255 Die sprekers^ die haer tonge verhueren^ 

Mogen hier in veel verbueren , 

I^gen te spreken met berade, 

Daer scande af comt ende lijfs scade! 
Ie en seg niet, men moet wel bi wilen 
4260 Spotten, boerten, liegen, gilen, 

In dingen van misseliken sake; 

Want die altoos die waer heit sprake 

En conde die strate nergent houwen. 

SulC'Sweert bi sijnre trouwen, 
4265 Ende spreket in placebo, 

Dat hi mach doen herde no. 

Wil hi leven met gemake. 

Die altoos die waerheit sprake 

Sou dicwijl vinden wederstoot: 
4270 Men moet wel liegen alst doet noot, 

Ende daer na beteren , bi rade. 

Tot allen misdoen staet genade; 

Y' 4249 Achtethacsy prosa afier rugghes, H. S. achterbaeU. Het 
woord bac is rug, en van daer baken. Helpent, namelyk het recht. — 
4255 Spr^rs, een soort van rondzwervende dichters ^ die hier worden 
beschuldigd van voor geld hun talent te mishruiken. — . lAiQ Gilen, 
jokken. — 4264 Sule eioeert, H. S. suk sweert ende $eit. 



168 REINAERT 

En is niemen , hi en dwaelt bi tiden. » 

« Wat , oom , u en ean niet ontgliden ! 
4275 Gi weet dat nauste op alle dingen ! 

Gi soiit mi wel bringen in dwalingen ] 

U reden is buten mijn yerstaen. 

Wat noot is u te biechten gaen? 

Gi sout selve sijn die paep, 
4280 Ende laten mi, ende ander scaep 

Tegens u biechten , ende nemen raet ! 

Gi weet so claer der werelt staet, 

Dat niemen pn mach voor u gaen manc. » 
Met deser talen, eer hier lanc, 
4285 Quamen si int hof gegaen. ^^t^^iiiJ.] 

Beinaert wart een deel ontdaen 

Van twivel, in sinen moet; 

Nochtan dede hi daert hem toe stoet, 

Ende maecle [hem] int herte coen. 
4290 Hi streec door alle die baroen, 

Tot daer die coninc selve was ; 

Ende het ginc bi hem die das, 

Die tot hem seide: « Oom Reinaert, 

Weest goets moets, ende onvervaert! 
4295 Die blode en dooch tot geenre ure; 

\* 4278 Bi tiden. Geheel deze redevoering van Reinaert , van V' 4138 
af, tot hier toe^ en waerin hy zyne levenstheorie zeer goed afschetst^ 
wordt in Reiüeke niet gevonden. De Saksische vertaler heefit ze door 
eene lange, hier niet te pas komende ^ moralisatie vervangen, betref- 
fende het leven der geestelyken , die in Lombardyen gemeenliken hebben 
ere egene amyen, enz. Met zyn Y' 4085 komt hy Y' 4278 van onzen 
dichter v^eêr by. — 4284 Eer iet, H. S. ende niet. — 4289 Coen. Hier 
maekt de Saksische vertaler wederom eenen uitstap , dien hem even min 
gelukt, ter verryking van zyn gedicht , als zyne andere byvoegsels. Yan 
Y* 4097 tot Y' 4284 brengt hy Reinaert in eene ontmoeting , en in een 
gesprek, met Marten den aep, waerby deze belooft aen het hof van 
Rome te zullen verkrygen , dat Reinaert van den ban worde vrygespro- 
ken. Yeel beter wordt dit door onzen Nederlandschen dichter in den 
mond van Reinaert gelegd, als door hem uitgedacht, tot zyne veront- 
schuldiging. — 4295 Reineke: Dente bloden is dat gelucke dure. 



TWEEDE BOEK. 169 

Den ooenen helpt die ayonture. 

Een dach i» beter dan sulc een jaer. 

Reinaert sprac: « Neye^ gi segt waer, 

God danc u , gi troost mi Male. » 
4300 Eer hi began enige tale 

Maecte hi een gelaet ao fi^^ 

Ende sach;, daer ende hier, 

Ak cc/wie wat wil, diecome haér! » 

Hi sach daer yeel in die acaer 
4305 Van sinen magen, die daer stonden, 

Die hem nochtan geen goet en gonden , 

(Ende dat oonde hi wel verdienen ,) 

Die otter, die beer, met hem tienen , 

Die ie hier noch wel sal noemen. 
4310 Doch was daer ooc sulc comen , 

Diene minden , ende hadden lief. 

Reinaert knielde, ende ophief 

Sijn tael , ende Toor den coninc 

Hi sprac: c< God, die nie en yergine, 
4315 Ende machtich blijft ewelike. 

Beware mijn heer den coninc rike, 

Ende mijnre vrouwen der coninghinne, 

Ende ge^ hem wijsheit ende sinne , 

Wie dat recht of onrecht heeft; 
4320 Want daer veel op eerden leeft. 

Die van buten dragen scijn 

Anders, dan si van binnen sijn. 

Ie woude God toondet openbaer, 

Ende [dattet] voor thooft gescreven waer ! 
4325 Ie liets mi eesten een lief dinc , 

Ende gijt also wist, heer coninc. 

Van allen saken, als ie doe. 

Ie heb geweest, laet ende vroe, 

V' 480S Of liy zeggen wilde: wie iets van my hebben wil kome hier. 
_ 4S15 H. S. Ende alles machtich bUjfï altoos. -^ AZ16 Rike^ H. S. 
altoos. Ik Tolg Rbiiiiu. 

22 



170 . REINAERT 

Altoos in uwjen dienst gevoeeht ; 
4330 End^i 4^eropai ben icdasgewroeeht 

Jlj^t; Ipg^^ vQor u, van. den quaden, 

Die tei^. gèjifne soiüden scaden , 
^ Ende doen yerliesen u hulde 

Met onrecht , ende aonder [mijn] sculde : 
4335 Des roep ie M wópen » over haer lijf! 

Doeijbhopi^, here^ ende u goede wijf, 

Sijt so wijs^énde so besoeiden, 

D^t: gi so niet /en sijt te verleiden, 
; Met, loQ^hoit , of met iogentalen , 
4340 Dat, gi ti[*:echt' iet laet verdwalen ; 

Want: gi .en hebs.nie geplqgen! ' 

Daerom^, here., hebt voor ogen 

Na den: rechte alle saken, 

Ist in daden of. in spraken, 
4345 Ende doet elc gelijc wét. 

Dats mi geno^ch: en geer niet bet. . 

Die 'Sculdich is die scame hem ! •. 

Men s^l wel weten wie ie hem. . 

Ic.$a ean smeken noch flatteren; 
4350 Ie wil mijfi hooft ondecken met eren. » 

AUe, die int paUaes waren ^jTvl^^ii^i 

Sweg$Q , ende haddens wonder twaren , 

Dat Reidaert sprac so stoute. tale. . 

Die coninc seide : ^ 0(J]l , hoe wale, 
4355 Reinaert, condi. u fallacie! . 

U scone bootsen, ende salvacie . 

En selen u niet baten vele. 

V* -4880 Getrrocc^*, aengeklaegd. — 4885 0^open. Zie onze aen- 
teekening op V' 806. Het ^othische wöpjan en ouddüitsche wuofan is 
eigenlyk ululare, clamare. — 4846 En geer niet i&ef^ ik begeer niet beter. 
— 4856 Uw schoon nabootsen (van deugdtaemheid ) en uw yerdedigings 
pleit. Lagohbs in het tweede deel van zyn Dictionnaire du vieux langage 
francais heeft : Saltations , Ecriturea produiles pour répondre aux obfeC" 
tions de la pafiie adverse; en hy stelt er het jaer 1850 by. — 4857 
Sehn, H. S. sal. 



TWBEDSBOEK. 171 

Ic. waen noch heden; [dat] ü lotle 

U werckén^sail ooI^eldeDi' :; ' 1 ^^ 
4360 Ic enTsril niet yeel met^uscèldeii; - 

Maer ic sal corten u pijn. • « 

Dat.^ ons lidP hdbtf dat 19 aenscijn 

Aent cónijn ende aen Cörhpüt. • 

U scalke Tonde, loos ende stout ^ 
4365 Selen u doen sterren , sond^ scnict. 

So lange g^aet te water die cruue,. 

Dat si breect, ^dé i^alt aen stieken. 

Ic waen die crunc, (üe ons so dicken 

Heeft bedrogen, haest sal breken l » 
4370 Reinaert die was om dit* spreken 

In groten &ax% , ende in vare : 

Hi woude y dat hi tot Colen ware , 

Ende hi niet en ware gecomen.. 

Doe dochtehi : wat mach mi vromen? 
4375 Ic moetter duer,. so hoe iet makelt 

<( Heer coninc , sprac hi , gi sout mijn sprake 

Uut horen ; dat ware reden goet ! 

Al ware ic geoordeelt totter doot , 

Nochtan soude men mijn tael horen. 
4380 Ic heb u doch hier te voren 

Menigen nutten raet gegeven, ' - 

Ende ic ben ter noot bi u gebleven 

Dicke, daer u die ander ontweken. 

Of mi die lose, met vabchen trekéiji, 
4385 Tonrecht tegen u hebben belogen , 

Ende ic geen onscout en mach togen ^ • ' 

V 4858 Kek, enz. Byna letteriyk V 1822, 1821, 1818, 1816, hier- 
jboven, terwyl Y« 4360 aen den latfnsehen RinrARinjs^. lib. !>; V' 106 
Iieidnnert : Non est ante foreê hmga lóquela deeeHè. .-^ A^6^Sliiuet, üókte^ 
hbogdoitsch: Suehé^a Seucke. In de.proaa leest men toiukr «lanntfi. — 
4872 Tot Cokn, tot Keulen toe irerwyderd. Yo^en^ éen óud flpKodkjaH 
wenschen de tooveresaen zich noer Kèuhfii in den ivynkelder. — -^ 4886 
Mach, H. S. moet. 



172 REINAERT 

So mach ie mijn misTal wel dagen f 

Ie heb gesien in Teried^i dagen 

Dat ie geho(»t was Toor andren: 
4390 Noch mocht dit wel yerandren , 

Ende eomen in haren oucfen staet ! 

Men aal gedenken ouder daet , 

Ende met besceide daer in Toort gaen. 

Ie sie hter noch so yelen staen , 
4395 Mijnre magen ende geslachten, 

Die luttel seinen mijns te achten , 

Ende dient nochtaat soude deren, 

Heer conine , dat gi mi sout onteren , 

Of Tcrderven met ooredite; 
4400 So deed gijt een den getrousten knechte, 

Die gi hebt in al u lant. 

Wat, waendi, faere, had ie beeant 

In mi enige brueke of smette , 

Dat ^ te reditè of te wette 
4405 In u oge hier gecomen ware, 

Ende onder mijnre vianden seareP 

Neen ie , om geen werelt Tan goude 1 

lé was , daer ie wesen soude , 

Op mijn ruumte, ende op mijn vri. 
4410 Maer, God danc, ie ken mi 

So claer, sonder enige ylecken , 

Dat ie wel openbaer dar trecken 

Int lidit, ende spreken TOor die goede. 

Mi was so wee te moede, 
4415 Doe mi Grimbert brocht die mare, 

Dat ie al om liep, harentare, 

V' 4887 JUijn misval wel chgm. Navolgifig van V 18M. — 4988 
yerhden, fi. S* ouden. Rsiraxiit wil van zoJken langvoorleden tyd niet 
spreken» — 4889 f^oor andren, H. S. voor een ander^ — 48tH) H. S. 
Noch mocki dde daoh cemen voir ander. — 4400 Geinmeten, H* S* ge- 
truwuten. — 4408 Brueke, breok , wetbreak , misdaed. — 4408 Soude, 
H. S. woude. — 4409 Op mijn ruumte ^ prosa op dai ruyme. 



TWEEDE BOEK. 173 

Bijster, als een onvroet man. 

En ware dat ie was in den ban , 

Ie hadde hier gecomen sonder beiden. 
4420 Daer ie dus dwaelde aen die heiden 

Quam mijn oom Mertijn, die aep, 

Die wiser is dan enich paep 

Van grammarien ende praetiken : 

Hi was des biseops van Cameriken 
4425 Adyocaet, wel negen jaer. 

Hi sach mi driyen groot misbaer, 

Ende sprac: « Neye, wat is dat u Iet? 

Gi dnnct mi wesen al ontset: 

Segt mi wiet u heeft gedaen? 
4430 Men sai aen yrienden doen yerstaen 

Sware saken , die gaen ter noot. 

Een trou yrient is een hulpe groot: 

Hi yint dicke beteren raet 

Ter noot, dan diet aen gaet, 
4435 AI is hi nochtan niet so yroet. 

Dat doet den man ontgaen den moet 

Ende die wijsheit al so sere, 

Alst hem aent lijf gaet, of aen deere; 

Ende ist so met hem begaen 
4440 Hi en weet wat doen , of eerst bestaen , 

V 4428 Ende, H. S. inder. — 4425 Negen jaer. Wie deze Marien y 
advokaet yan den bisschop van Kameryk , mag zyn geweest^ valt moeilyk 
aen te wyzen. Waerschynlykst is, dat de dichter hier eigenlyk op nie- 
mand gezinspeeld heeflt. Anders zou men kunnen denken aen den een' of 
anderea prelaet der abtdy van Si-Marien te Kameryk {MonlSi-Martin). 
« Les religieux de Tordre des Premonstrez (zegt GARPEimBii, HUiaire de 
Camhraiy I, bl. 508), y étaient devemis aussi impurs que l'estable d'Au* 
gias, yers Fan 1200. Par la nonchalance des supérieurs, les moines y 
ckmnrent si frippons, qu'fls sembloient ayoir mis, comme Épicure, 
toute leur fëlicitë au palais^ aux levres, aux oreilles et au yentre; de 
florte qu'ils n'avoient rien de la religion que Ie masqué et que les céré- 
monies: S'ils assistoient au service divin , ce n*estoit qu'^vec des gri- 
maces d'un Sardanapale, ou des postures de bateleur. » 



174 REINAERT 

Recht of hi ware sonder sin. » 

« Och lieye oom, seidic, meer of min 

Also gi ^Q% i& mi gesciet. 

Ie come in groten swaren verdriet , 
4445 Sonder scout, ende onyerdient. 

Van hem dien ie so groten vrient 

Van herten altoos heb gesijn , 

Dat is , dat Lampreel, een conijn, 

Te mi quam gisteren morgen, 
4450 Daer ie sat voor mijn borge, 

Ende soude mijn getiden lesén : 

Hi seide, dat hi te hove woude wesen: 

Hi groete mi scoon , ende ie hem. 

Doe seide hi : a Reinaert , ie bem 
4455 Moede gelopen , ende hongerich mede; 

Hebdi iet tetene? hoor mijnre bede! » 

Ie seide: « Ja ie, genoech, comt haer. » 

Doe dede ie hem geven een paer 

Kerspetten , daer boter op lach ; 
4460 Want het was op enen woensdach, 

Dat ie geen vleesch en plach teten, 

Ende ooc vaste ic^ seldi weten, 

Tegens pinxteren, die ons nu naect. 

Die hoochste wijsheit smaect, 
4465 Ende geestelic leven wil leiden. 

Die sal hem tegen die hoochtijt bereiden, 

Te vervullen des heren gebot ; 

Et vos estote parati , seit God 

V' 4448 H. S. Dat is een dat Lampreel ende conijn, In de profia Lapreel. 
— 4449 Te mi quam, H. S. dat deer mi quam. — 4456 Hoor, H. S. 
door, — 4457 Haer, in de prosa naer. — 4459 Kerspetten, wafels, pan- 
nekoelcen. InRiiNWEy gude kersebêm; doch de Sas verstond denylaem- 
schen text hier niet. In de prosa leest men: Een paer cortpet met soete 
boter. — 4464 H. S. Pt^ant die hoochste wijsheit die smaect. — 4468 H. S. 
Het was estote parati, seit God. Zondags Toor sinxen zingt men den epis- 
tel estote prudentes, en een paer zondagen vroeger estote factores verbi; 
doch den dag van estote parati ken ik niet. Naer het my toeschynt wil 



TWEEDE BOEK. 176 

In dat ewangelium, lieve oom, 

4470 Ie dede sijns nemen goede goom, 
Van boter ende van sconen brode: 
Dats goede have voor hongers node. 

Ende doe hi sat gegeten was , Lampreel, 
Quam mijn jonxste soon Rosseel 

4475 Ende woude wech doen dat relief; 
Want jonge kinder [hebben] eten lief. 
Hi taste [daer] na; dat conijn 
Sloeeh hem voor die tanden sijn, 
Dat hem dat* bloet uut ran ten ogen, 

4480 Ende hi viel in onmacht, in swaren dogen. 
Doe Reinar[dijn] mijn outste sone 
Dat sach , liep hi ende geerde lone , 
Ende greep bi den hoofde Lampreel. 
Hi hadten gescuert totten morseel , 

4485 Ten ware dat iet hem benam. 

Daer halp ie hem , dat hi ontquam , 
Ende sceidese ^ende sloeeh mijn tint sere. 
Dat eonijn liep tot minen here 
Den coninc , ende seide , ie wilden moorden ! 

4490 Siet oom, dus comet in den woorden. 
Mi is groot ongelijc gesciet ; 
Nochtan claecht hi, ende ie niet. 
Hier na quam Corbout gevlogen , 
Die mi een droef gelaet ginc togen. 

4495 Ie seide: cc Wat is dip laet dijn kermen ! » 
Hi sprac: « Mijn wijf is doot, ochermen! 

Reinaert slechts een' bybeltext bybrengèn, vermanende om ons voor te 
bereiden. De prosa: Et vos estote parati. 

Y* 4471 JSoter^ H. S. Boeten* Men zeide wel den honger, den dorst 
boeten (Y* SOOS), en men nam ook boete voor remedie , adjumentum; doch 
V* 44Ö0 en do andere oude texten vorderen hier boter. — 4472 Have^ 
eetwaer; ak in V' Ö6S. — 4474 Rosseel, H. S. geheel. — UI ^Relief, 
overschot, in de prosa dat overblijf, — 448S Lampreel , E. S.'dat Lam^ 
preel. — 4484 Hy zon hem in stukken gescheurd hebben. In 't H.' S* 
Ie hadden gestuert totten morseel. Prosa gheschaert. 



176 REINAERT 

Ginder leit een doot aes, Tol maden, 

Daer mede woude si haer saden, 

Ende at van den wormen so Teel , 
4500 Dat si haer spleten uier keel, 

Ende sterf. » Ine condet haer niet verbieden ! 

Ie bad hem , dat hi mi bedieden 

Soude , wat daer ware gesciet? 

Doe ylooch hi henen , ende liet 
4505 Mi staen. Ie en conde niet van hem weten. 

Nu seit hi , ie heb die hoer doot gesmeten , 

Of ie hebse doot gebeten , 

Alst niet en is (dat moet God weten!): 

Hoe soudicse comen so na , 
4510 Want si ylieget, ende ie ga? 

Siet, oom, dus ben ie bedragen. 

Ie mach mijn ayonture wel clageni 

Dat geluc is mi seer onhout. 

Maer licht, het is mijnre sonden scout. 
4515 Het ware mi goet, condic geliden! » 

c( Neve , gi sult te hove tiden , 

Ende doen u onscout yoor den heren. » 

«Och oom, des moet ie al ontberen, 

Want mi heer Herman , die proyisore , 
4520 In spaus ban dede te yore , 

Om dat ie Isegrim raet gaf 

Dat hi sciet, ende sijn orden oyer gaf 

Ter Elmaer, daer hi in was b^eyen. 

Hi seide, het was so swaren leven , 
4525 Hi soude steryen soudet lange dueren. 

Mi jamerde sijn kermen ende trueren: 

Y' 4497 Een doot ae$, enz. in de latere prosa: Een dooie beest, en 
beter dan in Rxiniu , waer het heet: « Un at enen yisch up mit den 
graden, n — 4501 Ine condet^ H. S. en conde» — 4511 Bedragen, aen- 
geklaegd. — 4515 Geliden, sterven? doorkomen? in 't H. S.^ Het wa» 
mi goet eend iet geliden. — 4516 Tiden, tyen, trekken. — 45S10 H. S* 
In spaus ban heeft swarlic voor. 



TWEEDE BOEK. 177 

[Ie] halp hem als een vrient getrouwe , 

Dat hi uut quam : des heb ie rouwe ; 

Want hi meent , boven allen dine 
4530 Mi te doen hangen voor den eoninc. 

Dus loont hi mi goet met quaet. 

Siet oom , dus ben ie tenden minen raet. ^'^^yfJl^V 

Ie moet te Romen om een absolutie ; 

Ende so naect grote persecutie 
4635 Minen wive , ende mijnre kinderen. 

Dese quadien, die mi dus hinderen, 

Selen[se] altemael onteren , 

Ende dit soudic gerne keren. 

Ware ie van den banne vri 
4540 So ginc ie, en verandwoorde mi: 

Nu en derfe ie niet bestaen. 

Soudic dus onder goede luden gaen ? 

Ie heb anxt , God soude mi plagen ! » 

«Neen neve, laet u niet versagen, 
4545 Eer gi u dus verdrucken laet : 

Ie ken te Romen wel den staet, 

Ende versta mi wel opt werc. 

Ie heet Mertijn, des biscops clerc! 

Ie sal den provisoor doen citiren, 
4550 Te Romen, ende tegen hem pleitiren, 

Neve , ende doen u [excusie] 

Ende brengen u een absolutie , 

Sijns ondanckes , ende al waert hem leet ; 

Want ie in thof den loop wel weet, 
4555 Wat ie laten sal, of doen. 

Daer is mijn oom Simoen , 

Die machtieh is , ende seer verheven : 

Hi helpt gerne die wat geven; 

Daer is Prentout ende Luisterwei , 

V' 45SO H. S. Mi ie behangen voor den eoninc, — 4536 Quadien, 
kwaden , boosdoeners. — 4542 Soudic dus, H. S. dus soudio* — 4845 
Gi, H. S. ie. — 4550 Prentout, fr. prends-tout. Voor deze en de vol- 

38 



178 REINAERT 

4560 ScaIcTont , Geeftmi ende Greepênel : 

ï)at sijn al ons naeste magen. 

Ende ooc sal ie met mi dragen 

Een deel gelts , of ies hadde te doen : 

Die bede is metter giften coen. 
4565 Men sal den penninc houden leren 

Ter noot dat onrecht me te keren. 

Een trouwe vrient sal lijf ende goet 

Voor sinen vrient setten , alst noot doet. 

Wel is die vrient ende dat geit verdoemt 
4570 Daer niemen troost of baet af coomt. 

Neve , troost u hier wel toe. 

Ie en rust niet, na morgen vroe, 

Eer ie te [spausen] hove ben, voor die heren. 

Ie sal u saken al impetreren. 
4575 Gaet te [sconinx] hove , als gi eerst moget. 

Alle die sonde ende ondoget, 

Daer u in verswaren mach die ban , 

Die trecke ie mi selven an; 

Ie laetse u quijt, ende neemse op mi. 
4580 Als gi te hove comt, daer seldi 

Bukenau, mijn wijf, vinden, 

Ende haer suster, ende mijn kinden , 

Ende uwer magen veel nochtan : 

Neve , die spreect dan coenlic an ! 
4585 Mijn wijf is sonderlinge goet , 

Ende diet gerne om die vrienden doet : 

Gi selt daer aen vinden vrientscap groot ; 

Want trecht heeft dicwijl huipe noot. 

Die vriende sijn altoos goet besocht , 

gende personnaedjen heeft men in Reineke: Scbalkeyunt^ Grijptoe, 
Wendehoike en Losevunde. De prosa noemt Luster-vele en Greepf?olie, 
waer hier Luisterwei en Greepsnel «taet. 

Y' 4564 Koen is de bede welke met een geschenk gepaerd gaet. Deze 
fraeie regel is door den Saxiscben vertaler voorby gezien. — 4569 Dat 
geh, H. $• geit, — 4575 Gaet ten boye zoodra gy kunt. 



TWEEDE BOEK. 179 

4590 AI had mense ooc een deel verwrocht. 
Waert dat u geen recht scien en mach , 
Sent, over nacht ende over dach, 
Int hof om mi , ende latet mi vleten : 
AUe die int lant sijn geseten, 

4695 Ist coninc , ist vrou , ist wijf of man , 
Sal ie brengen in des paeus ban , 
Ende senden een interdict so swaer, 
Dat men en sal, voor noch naer, 
Doden graven , singen noch lesen ; 

4600 Daer en sal ooc niemen gedoopt viresen , 
Noch geen sacrament ontfoen , 
Ten is eerst vol recht gedaen. 
Neve , dat sal ie u te hant bejagen. 
Die paeus is out van dagen , 

4605 Also dat men[ne] niet veel en acht ; 
M aer altemael des hoves macht 
Heeft die cardinael van Valoot: 
Hi is jonc ende van magen groot. 

\* 4590 Verwrocht. De prosa voegt er by: TVant dat bloetmoet cru- 
pen doen niet ghegaen en can, — 4597 Interdict, Op verschillende tyden 
is Ylaenderen met een interdict geslagen. Zie, onder andere, op bet 
jaer 1128 , WARNKOiiniro^ Histoire de la Flandre, p. 188, enz. — 4603 Te 
hant, aenstonds. — 4604 Out van dagen. Misschien ziet dit op Gre- 
gorios IX, in den ouderdom van omtrent honderd jaren overleden den 
21 augustus 1241. — 4607 ^a/oo^ Waerschynlyk een fransch woord, 
van valoir afgeleid (valoite?), en dus zooveel of men zeggen zoude: de 
kardinael comptant-geld. Indien het rym geen oot gevorderd hadde , zou 
de schryver wellicht valuut geschreven hebben , gelyk dit woord voor- 
komt in het gedicht van der zielen ende van den lichame, in P. Blom- 
kabrt's uitgave van den Theophilus, bl. 59 : 

Yalut, scat, huus ende scuere 

Es u ghenomen in corter ure. 
De oude prosa heeft: Die cardinael vanPuergout, en RsirfiKB: De car- 
minAl van Ungenoge. Aen een stamgenoot der P^ahis, of aen een' anderen 
firanschen kardinael kan hier niet gedacht worden; immers ik vind 
geen zulken naem in Düghbsuk's. Histoire de touê les cardinaux Fran^ 
foif, Paris, 1660, 2 vol. in^folio. 



180 RE3NAERT 

Nu heeft hi een eoncubija , 
4610 Ende si i» [hem] oec aUo, in scijn, 

Boyen allen dingen lief endé weert. 

Sc wat si aen hem begeert 

Dat Tercrijcht si al te licht : 

Siet, neve^ dit is mijn nicht; 
4615 Ende daer ben ie so wel mede. 

Dat si altoos mine bede 

Doet vorderen, so wat ie begere. 

Doch neye , bid den coninc minen here 

Om hulp ^ dat u recht gesciet: 
4620 Ie weet wel, hi en weigert u niet, 

Ende trecht is eiken swaer genoech, » 
Here coninc, doe ie dit hoorde, ie loech. 

Met groter bliscap quam ie hare, 

Ende heb u geseit al tware. 
4625 Mach iemen enich ander dingen 

Met goeden tuugen op mi bringen, 

(Ais men billic sal doen enen edelen man,) 

Latet mi na recht beteren dan. 

Of willen sijs mi doen geen yerdrach, 
4630 Men sette mi velt ende dach , 

Ende enen goeden man tegen mi, 

Die mi gelijc geboren si, 

Ende laet elc daer sijn recht bekinnenl 

Welc die eer wint, men laetse met minnen. 
4635 Dit recht heeft hier altoos gestaen ; 

Daer om en latet nu niet vergaen 

V* 4609 Concuhijny H. S. cohijn. Ik volg hier de prosa. — 461 J Si, 
H. S. At. — 4618 Doch neve, hidy H. S. doch neve bid ie. — 4620 U, 
H. S. mi» — 4635 Hier altoos gestaen, In Tele plaetsen van Ylaenderen , 
nogtbans, was het ongcoorlofd iemand tot den kamstryd te beroepen, 
en al vroeg liep daer bet spreekwoord : Kamp recht, kwaed reoki. Bo- 
vendien waren er zeven cxceptien om den kamp te declineren: « Teèi^ 
ste es , als de verwcerere van dien faite gbesuvert es by examen of dner- 
gaende waerbede; Tanderes^ als tfait gbevallen es int openbare, ende 
in blijckeliken steden ^ daer de sake prouvelic es; Terde es, als de sake 



TWEEDE BOEK. 181 

Over mi, al«t is nu oyer mijn: 

Het mach hier namaels een ander sijn : 

Dat recht en doet niemen ongelijc. 
4640 Si swegen al , arm ende rijc , 

Doe dus coenlic sprac Reinaert: 

Dat conijn was seer yervaert 

Ende die roec, si en dorsten niet spreken, 

Ende sijn beide uten hoye gestreken, 
4645 Endeseiden, doe si opt rume waren: 

cc God geve , dat hi qualic moet varen 

Dese valsche moordenaer fel! 

Hi can sijn loosheit cleden so wel , 

Recht ott ewangelie ware. 
4650 Hier af en weet niemen tware 

Dan wi: [hoe] souden wijt dan betugen? 

Tes beter dat wi nigen ende bugen. 

Dan wi daer tegen hem om vochten; 

Want wi ons niet verweren en mochten ; 
4655 Hi is so quaet! al ware daer vive 

Der onser, hi beroofde ons van den live. » 
Doe was Isegrim te moede wee ^*8^"^"i^!] 

Ende Bruun, doe si dese twee 

Uten hove rumen sagen. 
4660 Die coninc sprac : c< Wil iemen dagen 

van den aenlegghere ciyiel es; T vierde es, als de verweerere gheprivi* 
legiert es, dat menne niet te campe beroupen en mach, ghelijc dat 
vele poorters, ende andere, in Vlaenderen sijn; Tvijfste es, dat de vep- 
weerer clerc (geestelyke) es , ende crunn heeft ; want hy en heeft gheen 
jnge dan sine ordinaris; Tsesde es, dat de verweerer ouder es dan 
LX jaer, ende de aenlegghere jongher; Tsev^ste es, dat de verweerer 
enich openbaer of heymelic mincke hadde , of andere siecheden on- 
gheveinst. » Zoo lees ik in het Register van Leenen van het jaer 1300, 
ter archieven van de provincie Oostvlaenderen. Zie verder, over dit 
onderwerp, de 'verhandeling ad hoc van Van Alkehade, met de aentee- 
keningen van Van der Schelling, Rotterdam, 1740. 

V* 4646 Dai hi, H. S. dat si. — 4653 Dan wi, H. S. ende we. — 
46S8 Doe ei, H* S. doe van toom eijn. *-* 465d Rumen, H. S. ontrumen. 



182 REINAERT 

Die come Toort, ende latet ons horen! 
Hier quamder gister so veel te voren: 
Waer sijn si nu? Reinaert is hier. » 
c< Heer conine (sprac dat felle dier,) 

4665 Sult claecht, sage hi sijn adversaris , 

Hi sweech der clage, ende dat dit waer is 
[Orconden] Lampreel ende Corbout, 
. Die mi voor u so menichfout 
Belogen hebben , daer ie niet en was bi ; 

4670 Maer doe ie quam, doe vloden si; 

Si en dorsten bi haren woorden niet bliven. 
Daerom, soude men lose kativen 
Geloven , van al dat si spraken , 
Daer soude veel misval af laken. 

4675 Aen mi allene lage clein sake; 



Nochtan, heer conine, hadden si 
Genade (ie segget sonder twi,) 
Bi uwen bode aen mi begeert, 
4680 Hoe gerne dat si mi hadden gedeert , 
Ie hadt hem vriendelic vergeven ; 
Want ie wil in haet niet leven, 

V' -4667 Corbout, In de oude en nieuwe prosa leest men bestendig 
Corhant; doch hier hlykt uit het rym dat het Corbout (fransch Cor- 
beau) wezen moet. Evenwel, moet al vroeg het eene woord door het 
ander zyn verwisseld geweest, vermids men in de prosa ook laet ry- 
men: Lapreel ende Corbande, die doen ah lose seriande. — 4670 Floden^ 
H. S. vlogen, — 4674 Laken, voortvloeien. Laken, lakken, lekken, zyn 
'eenerlei, hediedende druppen. Wegens het haring-druppen wordt dus 
in eene verordening voor de Oosterlingen, van het jaer 1960, gezegd: 
«Voort dat de coopmannen ende hare cnapen, die harine bringhen 
int lant van Vlaenderen , die harine vervulen moghen , ende lake daer 
up ghieten, naer haren profite. » (Diericx, Lois des Gantois , 1, p. 271). 
Wyders zegt de dichter te dezer plaetse wat reeds in het eerste boek 
V» 1786 tot 1799, gelezen is. — 4678 Sonder twi, zonder dubbelzinnig- 
heid; en hier dus geen waerom, als in Y' 1198 en 2909. Het woord is 
naenw verwantmet -^itm/^ twyfel, twynen, en met hét getal woord Hoee^ 
waarover zie Hah/lku's Ahademisehe voorlezingen, bl. 89 en volgende. 



TWEEDE BOEK. 183 

Noch clage , noch wrake , op mijn vianden ; 

Maer ie settet Gode in handen : ' 
4685 Hi salt wel wreken , alst hem dunct goet : 

Dat set ie Tast in minen moet. » 

De coninc sprac: « Reinaert, gi sijt 

Int herte al yerblijt, 

Ende gi sijt in groter muten, 
4690 Ist u van binnen of van buten, » 

c< Heer^ ie waen noch nergent naer. » 

« Ako slecht of also claer 

[Het] in u staet, als gijt uut met, 

Ie moet u seggen wat mi let 
4695 Op u, eer gi enige meerre kijf 

Aen mi. bewijst, [om] met herten stijf 

Mi te doen noch meerre confuse. 

Doe gi waert uut minen huse, 

Ende ie u al had Tergeyen 
4700 Die quaetheit, die gi had bedreyen, 

Ende gi scerpe ende staf 

Van mi ontfinct, die ie u gaf, 

Op dat gi OTer see sout Taren , 

Ende u Tan allen sonden claren, 
4705 Ende Toortaen IcTen in goeden staet, 

Doe sinddi mi, onreine quaet. 

Die scerpe weder, ende Cuwaerts hooft: 

Hoe waerdi daer in so Terdooft , 

Dat gi mi dorst doen sulke scande? 
4710 Het was een onbequame offerhande, 
. Enen knecht te sinden sinen here : 

Hier tegen en weet gi geen were; 

V" 4689 Gy zyt nogthans grootelyks aen 't ruien (ruiven) , aen 't kael 
worden; gy zyt uwe pluimen kwyt. Zie Weiland, verbo muiten. De 
prosa : Ghy sijt vermuyt, — 4690 Prosa : Sidi van binnen als ghi 
schijnt van buten. — 4693 Uut tnet, uitmeet; in de prosa aiso ghiu 
venneet. — 4706 Doe sinddi mi ^ H. S. Doe gi mi sindde. — 4708 Hoe 
waerdi daer in, H. S. Daer in so waerdi. — 4710 Onbequaem^ onaen- 
gename. — - 4713 Hier tegen kunt gy u niet verweren, verantwoorden. 



184 REINAERT 

Want selve die capellaen Bellijn 

Most hier af die bode sijn , 
4716 Diet ons al seide hoet verginc. 

Al sulc loon , als hi ontfinc^ 

Om dat hi die boodscap dede , 

Seldi oec ontfangen mede, 

Of mi sal rechts ende wet ontbreken. » 
4720 Reinaert en weet nu wat spreken , 

So door seer wart hi vervaert : 

Hem dunct het gaet al achterwaert , 

Ende al sijn raet en baet hem niet. 

Ontférmelic staet hi ende siet ; 
4725 Bleec van verwen wart hi gedaen, 

Hi en weet niet wat bestaen. 

Hi sach daer veel van sinen magen, 

Die alle swegen, hoorden ende sagen; 

Maer niemen en boot hem noch die hant. 
4730 Die coninc sprac: a Segt, loos calant, 

Sidi nu stom , en spreect gi niet ? » 

Reinaert stont in groot verdriet: 

Hi hadt quader dant hem dochte ; 

Hi versuchte hem, onsochte, 
4735 Dat sijt hoorden al te male. 

Dat behagede Brunen harde wale, 

Ende Isegrim , [so] dat si loegen. 

Vrouwe Rukenau en dochlet niet wel voegen, 

Reinaerts moeie, die apinne: 
4740 Dese was bi der coninghinne 

Wel gemint ende liefgetal: 

Dat was Reinaert goet geval 

Dat si daer was op die stont! 

Want hare was menige wijsheit oont , 

. V* 472S Gedaen, prosa ghescaept. — 4782 H. S. So stont hi in groot 
verdriet* Ik volg de prosa. — 4788 Aen vrouw Rukenau scheen dit 
onvoegzaem. — 4789 Apinne. De latere prosa noemt ze een meirkatte. 
— 4740 Bi der, H. S^ metter, — 4744 Haer wsis menigen wyzen vond 
bekend. 



TWEEDE BOEK. 18> 

4745 Ende si dorst wel spreken ^ daert was te doen : 

Si was sterc, cloec, ende coen: 

Men ontsachse, waer si quam. 

« Heer coninc . sprac si, en weest met gram, 

Wanneer dal gi te rechte sit ; 
4750 Want uwer edelheit en Toecht niet dit ! 

So wat heer dat gramscap draecht, 

Daer is trecht ai uut gejaecht. 

Een heer sal hebben altoos discretie: 

Dats der rechter wijsheit specie. 
4755 Mi sijn die punten van recht wel cont, 

Bet dan den sul ken, die draget bont; 

Want ie daer so veel af. heb géleert, 

Dat ie daer in was gefundeert 

[Bi] een verheven meester in loye. 
4760 Men maecte mi een lettier van hoie 

In spaeus hof, dor mine weerde, 

Daer ander beest lagen opter eerde. 

Ooc had ie altoos die voorsprake, 

Als ie te doen had enige sake, 
4765 Om dattet met recht m;i was cont. 

Seneca spreect ons, uut sinen mont: 

Een heer sal recht doen over al ; 

Niemen hi ooc beswaren sal, 

Dien hi gegeven heeft geleide, 
4770 Buten recht of buten besceide. 

Men sal trecht door niemen minken. 

Wilde elc hem selven bedinken , 

Van den genen die hier staen. 

Wat hi bedreven [heeft] of gedaen , 
4775 Ende noch doet , alst valt bi tiden , 

Hi soude te bet Reinaert liden. 

Elc ken hem selven , dat is mijn raet. 

V" -4784 Specie y latyn «pecte«. — W61 Lettier ^ prosa logijst. — 4761 
DoTy om. — 4766 Seneca spreect, de dementia y liber /, op verschil- 
lende plaetsen. — 4776 Prosa hi soude te bat met Reynaert liden. 



186 REINAERT 

Wie is hier, die altoos Tast staet , 
Hi en yalt somtij t ende {^elijt? 
4780 Die niet en miste, tot geenre tijt, 
Die is heilich ende seer goet 
Bi rade te beteren , als hi misdoet, 
Dats menscelic ende die geplogen ; 
Maer sonder beteren misdoen, ten wil dogen : 
4785 Dats duvelic leven , ende sonderlinc quaet ! 
Merct wat daer gescreyen staet 
In der ewangelien les : 
Estote misericordes : 
Weest ontfermich ! noch staet daer me :. 
4790 Nolite judicare. 

Ut non judicabimini ! 
(Oordeelt niemen, so en seldi 
Selve oordeel Uden geen.) 
Daer staet ooc , hoe die Phariseen 
4795 In oTerspel yingen een wijf: 

Si wildense stenen, ende nemen tlijf. 
Ons Heer yraechden si , wat hi riede ? 
Hi sprac : « So wie yan u lieden 
Hem selyen kent yan sonden reen, 
4800 Die werp op haer den eersten steen! » 
Doe y loden si alle, ende lietense daer; 
Want si en waren niet yan sonden claer. 

Licht mochtet hier sijn also. 
Sulc siet in eens anders oge een stro , 
4805 Die selye in sijn oge een baic heeft. 
Tis menich , die oyer een ander geeft 
Een oordeel , ende hi is selye die quaetste. 
Al yalt een dicke , ende hi int laetste 
Opstaet, ende te genade comt, 
4810 Daer om en is hi niet yerdoemt: 

V- 4779 Gelijt, glydt. Ook in de prosa ghelijt. — 4797 PTai hi 
riede, H. S, wat ei rieden. Ik volg de prosa. — 4801 F'loden, H. S. Wo- 
gen. 



TWEEDE BOEK. 187 

, God ontfacUe, die sijns begeren. 

Niemea [en sel] den anderen condempneren , 
Ai wist hi wat van sine gebreke, 
Hi en dede eerst af sijns selfs vleke. 

4815 Reinaert) mijn neef, en hads nie te quader; 
Want sijn yader, ende sijn oudeyader 
. Hebben altoos in meerre love, 
Ende bet gestaen te hoye, 
Ende beter geheten dan Isegrijn, 

4820 Noch Bruun , noch alle die mage sijn. 
Het was een ongelike snede 
Daer van eren ende van wijshede , 
Was te besigen mijn neve ende si; 
Maer die werelt dunket mi 

4825 Nu al verloren, ie en weet hoet gaet. 
Die scalc risen in horen staet 
Biden heren , met valschen treken , 
Ende die goede werden versteken, 
Die doget, eer, ende wijsheit plien: 

4830 Ie en can niet wel gesien 

Hoe dattet lange sal mogen staen ! » 
« Yrou , had hi u so veel misdaen 
Als hi mi doet , het ware mi leet. 
Ist wonder dat ie he.m ben wreet , 

4835 Dat hi mijn geleide dus [ginc] breken ? 

En hoordi niet wat clagen si op [hem] spreken 
Van verraderi , moort ende dieften? 
Hebdi hem so vercoren in lief ten , 
Ende dunct hi u so goet , so claer, 

4840 So setten op een outaer , 

Ende doetten voor een sant aenbeden! 

Y' \QH Fleke, H. S. hleke; prosa quade werken. Indien men hleke 
voor plek wil houden, kan het woord er hlyven staen. — 4815 Nie, 
H. S. niet. — 4818 Gestaeny U. S. gedaen. — 4821 tot 4828 Wanneer 
het zaek was in eer on wysheid to handelen , dan zag men ran wat on- 
gelyke snedo de beide partyen waren , myn neef en zyn vyanden. 



188 REENAERT 

Maer hi en leeft niet op die werelt heden , 
Diere enich duecht af weet , te wareqi. 
Gi moget daer Teel af seggen niemaren , 

4845 Men en salt int ende 80 niet vinden. 

Hi en heeft ooc niemen , die sijns bewinden : 
Hem en wil helpen maech noch yrient. 
Also heeft hijt overal verdient. 
Daerom so heeft mi vreemt van u , 

4850 Ende nie en hoordie, sonder nu, 
Dat hem lement van enich dinc 
Bedancte , daer hi mede om ginc : 
Hi strijet altoos sinen steert. » 
«Heer, ie hebben lief ende weert, 

4855 Ende ooc weetic van hem mede 
Een grote duecht, die hi u dede, 
In uwer tegenwoordicheit onlanc, 
Des gi hem doe wist groten danc. 
Al ist nu met u aldus omgeslegen. 

4860 Dat swaerste moet noch meeste wegen. 
Een sal sijn lief minnen te maten , 
Ende sijn leet te seer niet haten. 
Gestadicheit voecht wel den heren. 
Tis misselic hoe die saken verkeren. 

4865 Men sal den dach te seer niet 

Loven , noch laken , eer men siet 
Dat hi ten avont is comen. 
Goet raet can die den genen vromen 
Die hem [met] vlijt daer keret an. 

4870 Over twee jaren quam een man ^l^^isTs.) 

Hier lot uwen hove [met] een serpent, 

V" -4848 H. S. Daer enich duecht of wet in ware. — 4844 Niemaren y 
menwmaren, nieuws. — 4846 Bewinden, prosa onderwinden. — 4865 
Men sal den dach, enz. Reinardds, Lib. II, Y' 596 : 

Yespere laudari debet amoena dies. 

-^ 4871 Serpent. De fabel yan het serpent en den man, reeds in de Oos* 
tersche fiabelen van Bibpaï gevonden wordende , schynt door den dichter 



TWEEDE BOEK. 189 

Om een oordeel, dat onbekeot 

U was, ende alle u rade. 

Dat serpent stont, tot sinen scade, 
4875 Aen enen tuun, daert door waende gaen. 

Twart bi den halse in een stric geyaen , 

Daert immer tlijf soude hebben gelaten ; 

Maer die man [quam] , tot sijnre baten , 

Daer Terbi , ende sach boet stoet , 
4880 Daert seer op riep, al met ootmoet, 

Dat hi het holpe uter noot , 

Of het soude daer bliven doot. 
Den man verdooch sijn yerdriet. 

cc Looft mi , dattu mi niet 
4885 Yenijnden en salst, nochte scaden, 

Ie sal di uter noot ontladen. » 

Dat serpent was des bereet , 

Ende swoer hem , [met] enen dueren eet, 

Niet te scadegen , in eniger saken. 
4890 Doe loste bijt uten ongemake, 

Ende [si] sijn e^i stuc te samen gegaen« 

Doe wart dat serpent beyaen 

Met groten honger , [ende] so beseten 

(Want het en had in lanc niet gegeten), 
4895 So dattet waende bliyen doot. 

Ende met dien na den man dattet scoot , 

Ende wilden [dor riten] ende eten dan. 

Met groten anxt ontspronc die man 

Uut sinen slaep , ende sprac : « Wat wilstu 

te lyn orergenomen geweest uit een' der schryvers aengehaeld by 
RoBERT, Fables inédites des XII% XIIP et XIV^ sièclee, II, p. 25K 
Men Tindt ze ook in Ie Castaietnent d'un père et son fiU, in Méoh's oitgave 
der fransche Fahliauxj II, p. 78. 

¥• 4878 Tot sijnre haten y namelyk van het serpent. — 4879 Daer 
verbi, H. S. verbi soud gaen. — 4888 Het verdriet des serpents smartte 
den man. In het H. S. staet verdocht, wat echter moeilyk met het accu- 
satif den man zou zyn te vereenigen. De prosa: Ende hem jammerde 
dk$. — 4891 Een êiuh, een stok tyds. 



190 REINAERT 

4900 Mi verderven? ende heefetu nu 

Vergelen die trouwe , die ie u dede , 
Daer du mi gaves dijn sekerhede, 
Dattu mi niet soudst misbieden? » 
Dat serpent sprac: cc Voor allen lieden 

4905 Mach ie verand woorden dat ie doe; 

Want hongers noot dwinct mi daer toe : 
Lijfs noot breect alle wet. » 
Die man sprac : cc Macht niet vallen bet , 
So geeft mi doch so lange vri, 

4910 Dat wi iemen \inden, die wi 

Daeraf onse reden vertrecken al. 
Ende wie men dan wisen sal 
Int recht, na onser beider boete, 
Dat hijt behoude. » cc Ie bens te moete , » 

4915 Sprac dat serpent. Dus gingen si te samen 
So lange, dat hem te moete quamen 
Die roec, ^nde Slindepier, sijn soon. 
Haer red^n vertogen si seer scoon. 
Corbout wijsde teten den man : 

4920 Hi had daer ooc gerne geweest an, 
Met sinen sone , ende hem gesaet. 
Dat serpent sprac ten man : cc Hoe staet? 
Heb ics niet gewonnen , hoe dunct u? » 
Die man sprac : cc Hoe sout comen nu 

4925 Eenen rover te wisen enich woort 
Dat roven hem ooc toe behoort? 

V" 4902 Sekerhede, Tcrzekering, eed, borg. — 4907 PF'et, prosa: 
ewe; wat het zelfde is. — 4908 Macht niet vallen bet^ kan 't niet beter, 
niet anders zyn. — 4918 Boete, hulpbewys; doch hier als sustenue. 
— 4914 Ie bens te moete , ik ben des te vrede. Zoo zei men sheeren 
gemoet [hebben , voor met hem verzoend of bevredigd zyn. Zie myn Hist- 
iorich onderzoek der oudheden van Antwerpen j bl. 194. -r 4917 Slinde- 
pier, pierverslinder. Rbir£kk zegt: u Dar motte én Plnckebüdel de raven 
mit syneme sonen Quackeler. » — 4919 Teten, H. S. totten. — 4924, 
4926 Hoe zou het toch eenen roover kannen toegegeven worde te be- 
slissen, dat het rooven hem behoore? 



TWEEDE BOEK. 191 

Ooc en macht een niet wisen alleen. 

Lael ons drie of vier gemeen 

Horen spreken , die hem rechts yerstaen : 

4930 Laet dan gaen ^ daert sculdich is te gaen : 
Ie hebt nochtan quaet genoech. » 
Dat serpent met des overdroech, • 
Ende gingen echter so lange stonden , 
Dat si den beer ende den wolf vonden, 

4935 Dien si alle haer saec seiden. 

Aldaer wijsden si , onder hem beiden , 
Dat tserpent den man soude doden ; 
Want hongers dwanc , ende lijfe node 
Breect alle eden , ende alle trouwe. 

4940 Die man had vaer, ende groten rouwe , 
Doe hi dit hoorde , van sinen live. 
Dat serpent spranc na hem seer rive: 
Het scoot uut sijn venijn. 
Die man ontsprane met groter pijn , 

4945 Ende sprac: « Gi doet mi onrecht groot, 
Dat du dus staes na minen doot. 
Du en hebs geen recht daer toe gehat. » 
Dat serpent «prac: « Waer om segstu dat? 
Het is di twee werf ge wijst tegen. » 

4950 « Dats van den genen , die selve plegen 
Te moorden , te stelen , ende te roven : 
Al dat si sweren of geloven 
Dat en houden si , min noch meer ; 
Maer, voor den coninc , onsen heer, 

4955 Leit mi daer, in sijn hof; 
Daer beroepic di hier of, 
Ende dat n^oochstu weigeren niet; 
Ende wat mi, daer gesciet 

Y* 4933 Echter, daarna. — 4942 Seer rive, zeer verheugd. Rive, 
hier verkorting van rivelic, is eigenlyk ruim, en by overdracht feeste- 
lyh. Vergelyk de aenteekening op Vah Heelu, V" 5815, en Hoffha^u's G/m- 
sar, achter Rbinbkb, hl. 199. 



192 REINAERT 

Dat wil ie dulden ende dogen, 
4960 Ende geen were daer tegen pogen. » 
Bruun , die beer, ende Isegrijn 

Seiden toten man : « Dit sal sijn ! 

Dat serpent en sal niet bet geren , » 

Ende meenden , quaemt int hof ons heren , 
4965 Dattet al soude gaen na haren love. 

[Dus quamen si samen ten hoye.] 

Voor u , heer, ist recht ten hogen. 

Des wolfs kinder, die Teel mogen , 

Idelbach ende Seldensat, 
4970 Quamen met haren Tader, om 'dat 

Si den man mede souden eten ; 

Want si van honger lude creten , 

Dat gi hem huus ende hof verboot. 

Doe stont die man in groter noot , 
4975 Ende riep tot u om genaden : 

Hi claechde , hoe hem tserpent woude scaden , 

Dien hi so groten duecht dede, 

Ende boven trouwe ende sekerhédé 

Die hi van hem had ontfaen. 
4980 Dat serpent sprac : « Ie en heb niet misdaen ; 

Des ga ie aen den conine al bloot; 

Want dat dede lives noot. 

Dat boven alle noden gaet. » 

Gi conine , ende al u raet 
4985 Waert hier seer mede begaen , 

[Als gi die sake haddet verstaen;] 

Want u coninclike edelhede, 

Ende ooc u rechtveerdichede 

Sach aen die trou van den man, 
4990 Ende [gi] en wout daer niet comen an 

Dat hi den doot daer omme lede; 

V' 4965 Na haren love, naer han goedachten. — -4967 Ist recht ten. 
hogen, H. S. iètuyet te hoge. — 4969 Seldensat^ prosa: Nimmersat. — 
4981 Des beroep ik my blootelyk aen den koning* 



TWEEDE BOEK. 193 

Want hijt- op g;elove dede. 

Men sal billix houden trouwe, 

Ende tander 8iden siet men nouwe 
4996 Dat noot drijft , alst gaet aen den live. 

Heer, dus haddi groten kiye. 

Daer en was niemen int hof, 

Diet best recht wist hier of; 

Maer daer waren sulc , die met willen 
5000 Den man gerne hadden helpen villen , 

Haddet also mogen gaen. 

Ie sie noch hier die sulc staen , 

Ie weet wel wat si doe seiden. 

Ten leste, doet tot geenen besceiden 
5005 En conde comen , wat si rieden, 

Dedi Reinaert minen neef ontbieden , 

Dat hi die sake soude yerclaren : 

Des was hi boven alle , dier waren , 

Gehoort , ende bet gelooft voor u. 
5010 cc Reinaert, spraecti , gi moet ons nu 

Dit sceiden , na dat beste recht : 

Wi volgens al, hoe dat gi segt; 

Want gi weet den rechten gront. » 

Reinaert sprac : cc Here , mi is oncont 
5015 Hoe ie dit na haren woorden dele. 

Van hooren seggen liecht men vele; 

Maer, sage ie dat serpent staen, 

In suiker noot alsoo gevaen , 

Als het stont, doet die man vant, 
5020 Daer bijt loste ende ontbant, 

So wist ie wat ie seggen soude. 

[Die dat ooc anders sceiden woude] 

Mi dunct dat hi den rechte misdede. » 

Y' 4094 TMder Men, H. S. van der eiden. — 4996 Kive, kijf, 
geschil; in de prosa twifel. — 5010 H. S. Reinaert sprac gi moet ons nu. 
— 5012 fVi volgens. Vergelyk de aenteekening op Y* S716. — 8021 
Soude, H. S. woude, prossi soude. 

25 



m REINAERT 

c€ Reinaert , wi volgens uwe rede. 
5025 Hier is niemen , diet yerbeteren kan, » 

Dit deecK , here. Doe ginc die man 

Met u , ende dat serpent mede ter stede , 

Daer hijt eerst vant in droef hede. 

In allen scijn hijt doe daer bant , 
5030 Als hijt eerst staende yant^ 

Also Reinaert had geheten. 

Doe seidt gi : « Reinaert ^ laet mi weten : 

Hoe dunct u best dat men dit sceide?» 

Reinaert sprac : « Nu sijn si beide , 
5035 Elc so si waren te voren: 

Si en hebben gewonnen noch verloren. 

Nu wijsic, here, (volcht des mi) 

Dat die man mach, wil hi, 

Dat serpent lossen, als hi dede, 
5040 Ende ontfaen des sekerhede, 

Want hi des bleef ongescaedt. 

Ende meent hi, dat hem tegen gaet, 

So wijs ie, dat hi wel mach gaen 

Daer hi wil, ende latent staen 
5045 Gebonden , so als hi ten eersten mochte , 

Doe het ontrouwe aen hem sochte , 

Ende hijt halp ute suiker vresen. 

Dit dunct mi recht oordeel wesen 

Dat die man hebbe die core , 
5050 Also wel als hi had te voren. » 

Siet, here, dit oordeel docht u goet, 

Ende al u raet, die bi li stoet, 

Volchdens, ende prijsdent Reinaert. 

Die man ginc henen sijnre vaert 
5055 Quijt ende vri, ende dancte u seer. 

Aldus verwaerde Reinaert u eer. 
Als een trou vrient doet sinen here. 

V* 5029 H. S. In alle schijn dat hijt doe vant. — 5048 Dü dunet, 
H. S. mi dunct. — 5049 Qnv, keus. 



TWEEDE BOEK. 196 

Waer heeft Isegrim of die bere 

U soo veel eeren ie gedaen? 
5060 Si connen wel buien met hoi slaen, 

Ende scooa boffen ende blasen; 

Als si swelgen mogen ende asen 

Die vette morseel , ende die goede spise , 

So sijn si vroeder dan die wise 
5065 Salomon of Aristoteles ; 

So es eiken eens leuwen moets gewes , 

Van coenheit ende van hoger daet; 

Maer als si oomen^ daer die noot aen gaet, 

So sijn si die eerste die daer wiken. 
5070 Die scamele moeten dan voorwaert kijken 

Ende si verwaren die afterhoede : 

Och heer, dit en sijn geen vroede ! 

Dees verderven volc , steden , ende lant : 

Si en roeken wies huus dat brant, ^ 
5075 Dés si hem biden ooien wermen. 

Al dat si houden ofte scermen , 

Dats haers selfs baet ende gevoech. 

Men vint deser meer dan genoech. 

Maer voor dees en plagen 
5080 'Reinaert niet , of sijn magen. 

Als ander slapen, so sorgen si seer, 

Om haers heren vpordeel ende sijn eer, 

Om wise vonden , ende nauwen raet , 

Dat groten heren dicwijl baet, 
5085 Meer dan cracht ende overmoet. 

Ende desgelijc Reinaert doet. 

Al en heeft hijs nu geenen danc. 

Men sal noch vernemen onlanc 

Y' B06S Spise. De prosa voegt er by: Efifde dan Avisen si voorrechte, 
dat men die chyne dieven af Itoenrediefkens hanghe, en die oude koeyenn 
ossen^ hameien- peerde dieve laten sy gaen, ende heren sijn. — ^076 Scer- 
men, beschermen. — 5079, -4980 Maer op die wyze handelen Reinaert 
of zyne magen niet. 



196 REINAERT 

Wie bedt voordeel werdich is, Qii] of si* 
6090 Van sinen magen , heer, al segdi 

Dat si hem yerscuven ende versteken , 

Om sijn loosheit ende sijn treken, 

Dat woudic dat een ander sprake! 

Daer af soude comen sulke wrake, 
5095 Dat hem sou denken alle sijn dagen. 

Maer, here, u willen wi verdragen, 

Gi en moocht ons niet misspreken. 

Ware iemen, die tegen u woude steken, 

(Het ware met werken of met talen,) 
5000 Dat souden wi u so helpen verhalen , 

Dat men soude seggen, dat wi daw waren. 

Wi en plegen ons niet vervaren , 

Daer wi campspel hebben mogen. 

Heer, ie moet immer togen , 
5105 Bi orlove , Reinaerts magen , 

Die lijf ende goet bi hem souden wagen. 

En lieten sijt niet door u bedwanc. 

Hem is die menige nabelanc. 

Dies niet en lijt int openbare. 
5010 Mi selven maec ie voor een mare. 

Ie ben sijn moei. Al ben ie een wijf 

Ie soude mijn goet ende oec mijn lijf 

Bi hem setten , hadde hi noot. 

Daer toe heb ie drie kinder groot , 
5015 Volwassen van live , stère ende coen , 

Die ie voor hem sette ^ had hijs te doen , 

Eer ie hem liet verderven : 

Nochtan soudic liever sterven 

Dan icse voor mi doden sage: 
6120 So grote liefle ie tot hem drage. 

Dat eerste is Biteluus , mijn kint : 

Dien heb ie altoos gemint ; 

y* 5110 Ik tel my zelven voor éën. Mare maken, bekend ^ beroemd 
maken. In de prosa: Ie kenne my selven voor. 



TWEEDE BOEK. 197 

Want nie en sachmen enen so cloec 
[Om] een out vuiil hemde of broec, 

5125 Dat nadich is met vele cnopen^ 
Te besien ende over te lopen, 
Ende te suyeren Tan den gaudinen. 
( Ribauden , boeven en cockinen 
Hebbene daer seer vercoren om : 

5130 Si geven hem appelharre som , 
Die si gecrigen ter luden huus.) 
So gaet weder Biteluus 
Die hairtande daer door steken , 
AIso sise door cloyen ende door breken , 

5135 Ende latense rotten ende ongedwogen. 
So groeien si , die daer te sitten plogen , 
Dat sise metten nagelen verdriven , 
Ende sleters ende wel te stucken wriven. 
Hier can se mijn soon so wel of claren 

5140 Dat si sijns [niet] wel ontharen. 

Ende brengen [si] hem tetene meerre baet 
Dan crijcht sijn broeder [daer]af toeverlaet, 
Mijn ander soon , heet Yuulromp. 
Hi is van sinnen so plomp 

5145 Ende so slecht van sinen dingen al , 

V* 5127 Gaudinen, wild; overdrachtelyk het oud fransche. woord 
gaudine. — 8128 Cockinen, fr. cocquins. — 5180 Jppelharre, appel- 
schrabben , appelpellen; van harren , schrappen. In de prosa, telgueren 
(teljooren) ende appelen, — 5183 Hairtande, kamtanden; hier Bitelois 
nagels. — 5184 Cloyen. Klo-enis stoeten,, en ook vleehien (kluwenen). 
In den laetsten zin vind ik het woord in een oud satyrisch gedicht tegen 
het kloosterleven, getiteld van den covente (H. S. der XIV eeuw) : 

Dan gaen si cloien haren cranse. 
— 5185 Ongedwogen, ongewasschen. — 5188 Sleters, d. i. te sleters, 
plat gewreven. Men leest voor V' 5182 tot 5188 in de prosa : Soe gaet dan 
£iteluys koer ghereten plaggen weder besueken, also sy die besweet ende 
ongedwogen lieten ligghen sonderwasschen, tot verrotten toe, daer die ghene 
in groeyen die sy te bitene pleghen, ende die verstoten sy also metten n<eH 
ghelen, ende si wriven alsoe die cledere tsamen al stuckeline* -^ K14S 
Mijn, H. S. sijn. 



198 , REINAERT 

Hi en kent nau wit Toor root smal , 

Hi soude die Uden groot gebrec ; 

Maer Biteluus vult hem den bec , 

Metter spisen , die men hem geeft. 
6150 Doch een grote duecht Yuulromp heeft, 

Dats , dat hi is so vriendenhout , 

Ende van herten ooc 90 bout , 

Dat hi bi sijn yrient sou bliven doot , 

Eer hi hem ontgine ter noot : 
5155 Hierom heb ieken seer gemint. 

Een dochter is mijn derde kint, 

Die ie lief heb, heet Harenet: 

Dese weet ooc wel haer wet, 

Ende is voortgaende in der neringen 
5160 Op hooft die node sceert geringen, 

Met langen haer, ongedwogen. 

De dienstmageden dees gerne plogen. 

Die liever dansen in den nacht , 

Ende smorgens slapen , lanc ende sacht , 
5165 Ende tot alre ledicheit hem bet voegen , 

Dan dat si hem kemden ende dwoegen , 

Ende laten verwoeit groeien vol neten, 

Diet door wroeten ende door vreten. 

So gaen si clouwen ende wriven; 
5170 Nochtan en connen sise niet verdriven; 

Maer si biten veel te onsochter. 

Dan comen si tot Hareneet, mijn dck^hter, 

Ende doen af huve ende caproen: 

Dese can hem best baet doen , 
5175 Want si is met gripen snel : 

Hier om plegen sise wel 

¥• ^Ue Root smal, flaeuw root, bleek rood. In de prosa groen. — 
8151 F'riendenhout y zyn yrienden toegedaen; in het H. S. vreenihaui, 
ende prosa vrientkout. — 6157 Harenet, in H. S. en prosa Hatenet; 
doch lager goed gespeld. — 5160 Op noode geschoren hooiden. — 516S 
H. S. Dese dienst mogen des gerne plogen. Ik volg de prosa* — 5168 
Doorvreten, H. S. doorsteken» — 5178 Caproen ^ prosa coveL 



TWEEDE BOEK. 199 

Met appelen^ peren, broot, ende noot, 

Yéel meer dans haer is noot. 

Dat deilt si Vuulromp haren broeder. 
5180 Dit sie ie gerne (ic ben haer moeder) 

Dat si malcander sijn dus trouwe. » 
Doe riepse tot haer Rukenouwe : 

Ende si gingen bi haer slaen. 

Elc was lelie, als Barlebaen, 
6185 Groot als haer moeder, ende niet minder. 

« Welcom seit , lieTe kinder ! 

Staet hier bi uwen neve Reinaert; 

(So sprae si) comt al herwaert. 

Die Reinaert bestaen ende mi! 
5190 Laet ons den coninc bidden , dat hi 

Hem trecht Tan den lande doe hier. » 

Tot haer so quam raeuich dier : 

Die das , met enen snellen trade , 

Met sinen wiye, Trou Slupecade, 
5195 Dat eenkoorn, ende dat musont. 

Die fluwijn , dat maerter bont , 

Die bever, ende sijn wijf Oordegale , 

Die genette ende die oostrale , 

Die bunsing ende dat foreet, 
5200 (Dese twee waren Reinaerts eerste leet , 

\* Ö182 Riepse^ H. S. riep ie. — 5184 Batiebaen, een booze geest, 
waerover zie Hctdecopbr, op Stoke, III, bl. 38, en Geihm's Deutsche My- 
thologie, bl. 562. De prosa: Barrabas. — 5193 Trade, tred. — 5194 Slu- 
pecade, H. S. Lupelhade, prosa Shpecade. — 5195 Musont, Muishont, 
of wezel, mustela. Zie boven bl. 74. Hoifmanh/ denkt dat het de hoi zy. 
De Tbeutonista ook geeft op het woord cat, muyshont, cattus, murile^ 
guê, tnusio, pilax, en lager Y' 5214 wordt de wesel genoemd. Men kieze! 
— 5197 Oordegale, Het woord schynt fransch: orde gale (rnile krabster). 
Zie hier achter V* 7421 . — 5198 Oostrale, waerschynlyk geen appellatief, 
in de prosa ostrah. Geen van beiden zyn my bekend. Vergelyk V* 7420 , 
waerhet marter dien naem schynt te voeren. — 5199 Bunsing, naem 
Tan een dier, wiens vel gebroikt werd om wanten te maken. Ds Langs 
Yan Wtngabudbn , Geschiedenis der heeren van der Goude, I , bl. 680. 



200 BEINAERT 

Want ü geme hoenre eten ; ) 

Die otter soude men node vergeten , 

Ende Panthecrote sijn wijf, hem bi; 

Nochtan waren die bever ende si 
6205 Reinaerts vianden daer te voren ; 

Maer si en dorsten niet verhoren 

Yrou Rukenau; want sise ontsagen. 

Ooc was si thooft van sinen magen, 

Wijs van rade, ontsiende seer. 
5210 Daer quammer twintich of meer 

Bi Reinaert, door haer lieve. 

Yrou Aelcrotte ende Quanteskieve , 

Haer twee susteren quamen mede. 

Die wesel, die egel; tselve dede 
5215 Dat hermei ende die vledermuus. 

Hoe wel ontfincse Biteluus , 

Ende haer moei , vrou Aelcroot ! 

Want het waren haer speelnoot; 

Die waterrot ende dat watermael, 
5220 Dat forries, dat lossen, ende nochtan wael 

Yeertich, die ie niet can genoemen: 

Die sijn al bi Reinaert gecomen. 
Rukenau sprac: c( Here conine, 

Nu moochdi sien, op desen rinc, 
5225 Of Reinaert heeft enige magen. 

Here, gi moget ons node verjagen; 

Wi sijq u trouwe ondersaten. 

Die lijf ende goet bi u souden laten , 

Waer dat gijs ooc had te doene. 
5230 Al sidi machtich seer, ende coene , 

¥• 5208 Panthecrote f hier achter V» 7421 FFantecroot gespeld, en in 
de prosa Pantecroet, — 5209 Ontsiende, yoorzichtig. — 5211 Door haer 
lieve, ter liefde van haer. Prosa: hoer te lieve, — 5212 In de prosa: 
Altrote, QuantOy ende Slieve. — 5219 TVatermael (?), in de prosa water- 
hoen* — 5220 Forries? Beide deze laetste diemamen zyn my onbekend. 
Dat lossen f de lochs, lynse, lupus cervarius, volgens Kiliakn. 



TW£EDE BOEK. 2M^ 

Om yri^i^t«bap en macln u niet acadèn! 

Laet I^waaert heo» wel heraden 

Op die. saec , die ff; hsm laft. 

En can ia faiem on^cüldigen niet, 
6235 So doet hem boye» wet, 

Wi en eisschen niet , noch en geren bet : 

Dit en 80^de men weigeren niement. » 

Die coniiighinne sprac : c< Hi en does gi^iient , 

Yrou, dit seide ie hem gkteren wel; 
5240 Maer hi was 6o door fel y 

Dat hi, daer na niet honen en weude. » 

Die lupaert Firapeel > die bomde , 

Sprac: <c H^re, gi mogetnietnoebten 

Verre rechten d^n wisen u OEian; 
5245 Want woudi met gewelt gaen voort , 

[Dat ware] als of gi u eer Terloort. 

Hoort tael endet wederiale, 

Edade dan beraet u sèlyenrwale, 

Hoe gi recht , na tbe#te besodit* » 
5250 Die coninc sprao > cc j^it» al wa^rfe^ ; ^ 

Maer ie was so door gram , 

Doet mi in den m<mt quapii, 

Van Cuwaerts hooft ende s^ do(9t ^ 

Dat dede mi dat ie sa yerscoot. 
5255 Doch wil ie Reinaert h^ren sprdken. 

Can hi die ondaet yan hefln steken. 

Die n^n seit dat hi heeft gedaen , v 

Ie laWn gerne qui^t geen,, 

Ende meest opi bedeiEi wil yasn ainen magen. » 
5260 [Reinaert wa§ sijnureyresen onts)sgei)jf 

Ende hi docht; int herten seré : 

God geeft mijnre n)K)eien eef e , 

y* 5288 Hi^ H. S. te. G^emetjkt, niemand; Termoed^^k by verkorting 
van geen iemand. — 52-4-4 Pierre rechten, verder rechten, auire-juger, 
In de prosa : heer coninc, ^y tnoo^ nifit vorder rechten dan u mmm^ «n 
wijsen» — 5254 Verscoot, miste. 

26 



202 REINAERT 

Si heeft mijn rijggen wel dóen bloeien ; 

Si heeft wel aen mijn kar georoeien ; 
6265 Si heeft mi geboden wel die hant. 

God danc, dat si den vont so tant! 

Ie heb nu enen goeden voet 

Op te dansen, ben ie Troet; 

Si wil nu selve sien uut mijn ogen , 
e 6270 Ende brengen Toort Teel scone logen , 

Die ie gehoort is OTerluut , 

Om mi te helpen self hier uut. 

' Doe sprac hi : « Here conine , o wi , ^s'^vl'tói"! 

Is Cuwaert doot, wat segdi? 
6276 Ende waer is Bellijn die ram? 

Wat bracht hi u hier, doe hi quam? 

Want ie hem drie juwelen gaf, 

Daer ie dat ware gerne wist af, 

Waer dat si sijn gebleven : 
6280 Dat een soude hi u hebben gegeven , 

Ende mijnre vrouwen die ander twee. » 

ccBelUjn en bracht ons min no mee 

Dan Cuwaerts hooft, als ie wilen eer sprac. 

Dat ie vlusch op hem wrac; 
6286 Want ie hem dede nemen tlijf. 

Hi seide self, die vuul catijf , 

Dat hi den raet daer toe had gegeven, 

Dat die brieve waren gescreven. 

Die men in die searpe vant aldaer. 7> 
6290 cc Och arme, here, ist immer waer? 
. Tfi, catijf, dat ie ie was geboren! 

Sijn dan die juwelen verloren? 

Des claech ie mijnre liever vrouwen. 

Ie woude mijn hert brake van rouwen! 
6296 Dat ie leve , dat is mi leet ! 

Wat sal mijn wijf seggen, als sijt weet? 

V* 8268 Rijsgenj rysken. — 826^ Gtcroeien, gekroden, gekmid; in 
de prosa ghecroepen. 



TWEEDE BOEK. 203 

Si 8al onvroet ivésea' op mi, 

Al so node [ge]hengecfe si 

Dat ie die juwelen hier aeindde. 
5300 Nimmermeer, [tot] mijns leyens einde, 

En ivardic goet Trient jegens 'haer : 

Si sal , als sijt weet Toor waer, 

Driyen al so groten rauwe! y> 

« Wat, neye, (sprac vrou Rukoiauwe) 
5305 Wat baet dat gi droeft dus sere? 

Noemt ons die juwelen , hebt genen dere , 

Wi selense bi vrienden raet 

Wel crigen , tsi vroé of laet, 

Des si boven der eerden sijn ; 
5310 Want onse meester Acarijn 

Sal daer om lesen in sijn boeken. 

Wi sellenne te ban doen , ende vloeken 

In allen kerken dier af weet , 

Tot dat hi daer af doet beseeet: 
5315 Het en mach ons ni^ ontstaen. » 

« Neen , hebt des geenea waen : 

So wiese heeft en isciet daer niet ave. 

Nie en gaf coninoso riken gave^ 

Als [dese] juwelen sijn ; 
5320 Irch dat hert hebdi mijn 

So seer verlicht met uwen troost! 

Mj.er ist dat mi God verloost, 

Tot minen wil, uut^desen onrechte, 

Daer om [mi} dese lose knechte 

y* oS09 Des, dat, mids. — 5S10 Acarijn, in de prosa Acherijn; 
vermoedeijk een verdichte naem, afgeleid van het middeleenwsch- 
latynsche accarare, dat is, op hei gezicht vergelyken. Zie het Gbss. van 
IHtcahgb, yerho Aeearaiio, In de latere prosa heet het: fFy sulkn meester 
BohbecoHo, den broeder van Nestoroni, bidden , dat hy maekt een beztoei" 
ringe, terstond zai den dief bekend zijn. Men had ook zekere menestrels^ 
welke men Nackaryns noemde, om dat zy op de naccaria, fr. nacaire, 
speelden. (G. J. De Langb Yah Wthgabrbeu^ Geschiedenis der heeren van der 
Gintde, l, bl. tS75.) — S815 ^ en kan ons niet ontvallen. 



2ft4 HBINAERT 

5325 Met logentael liebiieii inebangee , 
Al soudic deBe werelt doorganged , 
Ende daerom laften tieren mijn , 
Ie sal weten waer dat si sijn. i% 
Met eenre geyeinsderroiiwiget dagen ^^^'^i^^"] 

5330 Sprac Reinaert : «fioort^ al mine magen , 
Ie sal u noemen die juwele ; 
Doch mooohdi seggen dat ie vele 
Gehies ende eeren hebbe yerlorte. 
Teen witt een vingerlijn y&oem ic Toren: 

5335 Van finen gonde was dien rine ^ 

Ende binn^ , dat tegen den Vinger gine, 
[Daer] stonden letteren geamelgiert, 
Van sabel ende yan asoer yisiert, 
Ende [in] dat drie hebreeuscfae namen : 

5340 Ie en condse gespelden noch versamen, 
Want ie die tale niet en verstont ; 
Maer^ een wijé man maeete mi des cont: 
Het was meister Abrioen yan Trier: 
Hier isser yeel\, die sijn manier 

5345 Wel kennen: Hi yerstaet alie dingen 
Tusscben Arkeloos ende I>rongelingen , 
Ende Eenam ende Floorsbergen ; 
In alle die wildernisse , nergen , 
En is geen dier, so stère, so coen, 

5350 Ten is yan meester Abrioen 
Bedwongen , als bijt aensiet , 
Ende moet al doen dat hi gebiet. 

¥• tS839 Met eenre geveinsder, enz. Navolging van ¥• 2Ï8Ö* — 62A4 
Fingerlijny vingerring. — ö387 Geamelgieri, geëmailleexd. — 5S48 
Abrioen van TMer.'^ed.etomy naer het schynt, een verdiflhte naem. 
Abrio9n. of Abrieoen is in het oudCransch een kwa^jMlver^ en. abrioonner 
bedriegen. . — 52^46 Arkelooe en^ Drongehngen, beide my onbekende 
plaetsen. Deprosa stelt Harlebeke en Drongen y twee. bekende plaetsen, 
de eeiie by Gortryk, de ander by Gent gdegen. — Ö847 jFenoU», by 
Audenaerde. Floorsbergen, wellieht P^hersegemf ook by Audenaerde* 



TWEEDE BOEK, 206 

NocMlia en looit hi niet aen God« ; 

Maidr hét is^idie beste joiiè^ 
6355 Die men inder werelt Tint: 

Cnide ende gesteente hi wel kint, 

Haer virtttten, ende wat si sijn. 

Ie liet hem sien dit vingerlijn : 

Hi seide mi, dat[ter in stond] drie namen, 
5360 [Die] eerst utén pairadisé quamen, 

Eqde datse Seth sinen tadèr brochte , 

Doe hi den önt^Esmigen olie soehte. 

So wie [die] namen over hem draecht , 

Hi blijft ahijt ongeplaecht 
6365 Vander temptatieh , ende van den quaden. 

Donre ^ bliteoi , maeh hem niet scadën , 

Twery;, noch alfe gedr^h. 

Meerre dueöht leiter aeïi noch: 

Hi en m,^h niet verderven van eoude, 
6370 Al lage hi naect in enen wonde , 

Al moeder na)ect op een velt, 

Drie wintersche nacht aen een getélt, 

Al vroost ende waidet uten noorden : 

So groote cracht hebben dié woorden, 
5376 In orconde mester Abrioen. 

Een steen van wonderliken doen v 

Stont buten aent vingerlijn; 

Hi en mocht niet verbetert sijn , 

Ende was gedeelt van verwen drie: 
5380 Als root cristal was deen partie, 

Ende dat blincte so claer. 

Of hi barnende vuer waer. 

AIso was hi altoos gedaen. 

Y' M^'Jüaaft, gelooft. — ëiS62 Rbiiteke: Do he den oUe der barm- 
herHeheü eóehie. Yblgens de hoogdüitsche prosa was de ring aue Edaok 
her^ehrathU — ö867 Mfs^edroch, bedriegelyken schyn, door de el^ 
Ven of 9lvèn Toortgebraeht. Zie daer orer Gmns's Deutsche Mythologie^ 
bl. 261, 512. — 5S75 Naer de getuigenis van meester Abrioen. 



206 REINAERT 

So waer een woude bi nachte gSLea ^ 
5385 Ende des hi met hem droech den steen , 

Hl en behoefde lichls engeen 

Van keersen ; want hi sach 

So ivel , oft ware scoon dach. 

Met sulke gelijc was dander, twaer , 
5390 So fijn ende so claer , 

Als oft waer gebruneert. 

So wat misquame den ogen deert, 

Of aen den lichame enich ges wei , 

Dat conde dat uutboeten wel, 
5395 Als ment bestreec daer mede. 

In allen hooftsweer ende swaerhede, 

Of in den lichaems ongesonde , 

Die van yersumentheit comen conde ^ 

Van vergiffenisse ende venijn, 
5400 Of enige siecte , die mach sijn , 

Lanc evel , gicht ende tisike, 

Fistel , kancker ende artike , 

Ende aUe siecte, sonder die doot, 

Op dat men een luttel fonteinen goot 
5405 Daer men den witten steen in stac ,- 

Ende dat dranc, al ongemac 

Wort hi quijt, cant hi geswelgen, . 

Met groten rechte mach ie mi belgen 

Dat .ie dus yulic heb yerloren. 
5410 Die derde ver we moochdi horen : 

Die was groen als een glas ; 

Maer somich dropd daer in was, 

V» 5884 Een, iemand. — 8889 Dander twaer, d'andere steen , voor- 
ivaer. — 5892 Misquame, misselykheid , kwade toeval. — 5894 ÜW- 
boeien, uithelpen, genezen. — 5895 AU ment, H. S. nie dan ment (mit 
dat ment?) — 5401 Lanc wel, de steek in de zyde, volgens de aen- 
teekening achter Masblmit's Spiegel historiael, UI, bl. 18; doch volgens 
KuJABif , verbo Evel, de Miserere» — Tieike, phtiaie. — 5402 Ariike, 
lat. Arthrüis. — 5404 Fonteinen, fonteinwater. — 8409 FuUe, vol- 
lyk , geheel. 



TWEEDE BOEK. 207 

Gemen^ recht als purpur vaer. 

Die meester seide mi , yoor waer, 
5415 So wie dat droege suiken steen , 

Van sinen Tianden en souden geen 

So sterc wesen , of so coen , 

Die hem macht hadde te misdoen , 

Ende hi soude aller w^e, 
5420 So waer hi yochte , hebben sege , 

Waert bi nachte of bi dage , 

Des hi den steen nuchteren aensage ; 

Ende daer toe soude hi lieigetal 

Sijn metten luden, over al; 
5425 Al hadden si hem gehaet te voren , 

Si souden vergeten alle toren. 

Ende droech hi den steen, dat si en sagen, 

[So] en soude hi niet versagen 

Door geen bedroch, door geen gewelt , 
5430 Tegen hondert gewapende [int velt] : 

[Hi] soude vrolic van herten keren 

Ende behouden sijn lijf ende eren; 

Maer hi most sijn een edel man , 

Daer geen dorperheit waer an', 
5435 Of alle dese cracht en holp hem niet. 

Lieve vrient , nu besiet , 

Hebdi ie, in waren woort, 

Van steen meerre cracht gehoort? 

Ende om dat hi was so goet 
5440 So docht ie , dat mi niet en stoet 

Te hebben so dueren scat , 

V» g41S F'aeTy kleur. Zie Bilubbdtk, Nieuwe Fenoheidenhedeny IV, 
bl. 92. — 8«6 Si emden, H. S. hi simde. — 8480, UU H. S : 
Tegen hondert gewapend te voet 
So soude hi blide ende wel gemoet 
Ende vrolic yan herten keren. 

Een dergelyke ring wordt vermeld in Fkrie en Bkmeh^leur\* 1K60 tot 
1W4. 



208, RPNAERT 

Ende haddea dan coninc om d#t 

Minea lie^f^ here ^ gesint) 

Als Yoor den edelaten die men TiDt , 
5445 Ende wanttet al ^en hem leit ^ 

kl onse eer ende onse salicbeit, 

Op dat sijn lijf voor allen yreaen 

Te bet altoos hewaert soude wesen. 
Een spiegel ende een kam, . ^ ^Tyvtl'lm] 
5450 Die ie ter selver stede nam , 

Daer ie yant dat yingerlijn, , 

(Dies wil ie openbaer sijn. 

Dat was in mijns vaders scat^ ) 

Nie en creecb.ic meer dan dat, 
5455 Ende die woude immer hebb^i mijn wijf, 

So wel waren si haer gerijf, 

Dat icse daer niet en mocht laten ; 

Die had ie ter eren ende tbaren baten 

Der coningbin gesent, mijnre vrouMfen; / 
5460 Want si mi vrienscap ejxde trouwe 

Ende grote hviescheit heeft bewijst. 

Die kamen mocht niet sijn yolprijst : 

Hi was gemaect van een been, 

Ende dat was su ver; ende reen, 
5465 [Van een dier] geheten Panüiera, 

Tusschen dat groot India, 

Ende dat eerdsche paradise , 

Voer dese beest , ende ooc haer api^e. 

Van verwen is hi also scoon, 
5470 Dat men onder shemels throon 

Geen verwe en vint so diere, 

Panthera en heefs een maniere. > 

Daer toe ruuct hi èilso soet. 

Dat sijn lucht can geven boet 

V 5-468 F^oer, leefde, bestond. Iri dé prosa: imdet. — 8472 Of 
Panthera heeft er ie^ Tan. Proi^: hi en he$fidQ^ yimt gfk^Htmiss^ af^ — . 
5474 Boet, hulp, genezing. . , . 



TWEEDE BOEK. 209 

5476 Van eniger groter quale. 

£«JQ scoonheit, ende dat hi ruuct m wale 

Dat doet dat menich dier hem yolcht na. 

Een scouderbeen heeft Panthera , 

Seer dun, breet, ende dat so yast, 
5480 Dat hem deren en mach geen last; 

Ende als men hem dat^ levende , wint uut , 

So bl^ft hem altoos die virtuut 

Van der sueter lucht ende roke; 

Ten mach niet rotten , noch crigen broke 
5485 Nimmermeer, tot geenen dagen. 

Water, Tuur, steec , noch slagen , 

En mach hem niet scaden licht , 

So/hert , so vast ist, ende so dicht. 

Die suete lucht, die daer uut sciet, 
6490 En soude die menigen loven niet : 

Het heeft alsulke cracht, 

Dat etens noch drinkens en acht 

Die sijn sade daer bi mach wesen: 

Die is alles evels genesen , 
5496 Gesont van herten , vri , ende vro. 

Dit been is gepolijst also 

Claer, oft ware van silver fijn , 

Daer toe wit, alst mocht sijn 

Van ivorien of bocraen. 
5500 Die tanden die daer aen staen 

Y' 5477 f^olgt na. Zoo ook in myn H. S. van Maerlant's Naiurenblqme: 
Alle beesten Tolgen hem naer 
Die sijn laad horen vorwaer, 
Om sine dor soete lucht. 

Yergelyk BonuAn^s Fundgruben , I, bl. 18, 23. — 5-478 Scouder been, 
prosa schoonen been. — 5483 Roke, reuk. — 5484 'T en kan niet rotten^ 
noch verslyten. — 5498 Wie zyne verzading daer by mag vinden. — 
6499 Bocraen, zeker fyn linnen. Zie Dücangb op Boquerannus, en wegens 
den Brugschen handel in die stof de lammentatie van Ziger van Male , in 
Bsaügovbt's Beschryving van den Brugschen koophandel, bl. 218. De ge- 
leerde oudheidkenner C. J. Db Laitghb Yan Wtn gabbdbit , wien de stof 

27 



210 REINAERT 

SiJQ nauwe , te maten , ende smal , 
So slecht of si waren van glasen aL 
Ende tusschen die tand ist relt so breet 
Datter menich beeld in steet, 
5505 Van finen goude , wel gesmeden , 

Half knokels lanc ^ ende daer beneden. 
En sach nie sijns gelljcs , in reden. 



Die velde sijn gescakiert 
5510 Van sabel, Tan kelen geamelgiert, 

Vfi^n synoper ende van asuer, 

Ende is die historie ende aventuer 

Hoe Venus , Juno , ende Pallas 

Een appel, die i^n gouden was, 
5515 Onder hem drien hadden gemeen, 

Ende eic wouden hebben alleen. 

Alle wijl si daer om keven. 

Ten lesten sijn sijs op een bleven , 

Dat si a^n Paris gingen , 
5520 Ende hem den gouden appel bringen , 

Dat hine gave openbaer. 

Die van hem drien die scoonste waer. 

Paris , die scoon was, ende een herde goet, 

[Was uter stad gegangen , ende stoet] 
5525 Buten Troyen , op die heide. 

Juno geloofde ende seide 

[Hfem] die meeste rijcheit te geven dan , 

onbekend was , schryft verkeerdelyk bolkraen ( Geschiedenis der heeren 
van der Goude, I, bl. 688.). 

V 5502 Slecht y glad. — 5506 Knokels, kneukeU, in het H. S. duve- 
kels, wat een schryfifeil is. Ik volg de prosa. — 5507 En sach, het en 
zag. In reden, met reden gezegd; gelyk in trouwen, — 5510, 6511 
Oeëmailleerd, zwart en rood, groen en blaeuw. Wegens deze benamin- 
gen der kleuren kan men nazien Bilderdtk's Nieuwe p^ersch,, II, bl. 68 
en volgende. — 5518 Op een bleven. Op iemand blyven is aen iemand de 
uitspraek overlaten, hem tot arbiter kiezen. — 552S H. S. Paris die scoon 
was ende harde. Ik volg de prosa , waerin men herder, oulings herde, 
leest. — 5527 Geven, H. S. hebben. 



TWEEDE BOEK. 211 

Die doe ter werelt had enich man , 
Op dat hi faaer den appel wijsde toe. 

5530 Paiias gelooMe hem ooc doe , 

Woude hi haer den appel toewisen 
Si souden hooch in machte doen risen , 
Dat hi alle sine yianden soude 
Onder hem dwingen , soe hi woude. 

5535 Yenus sprac: « Watsegdi van scat, 
Of van gewelt? berecht mi dat : 
l8 Priamus niet dijn rader P 
Ende Hector dijn broeder, die al gader 
Tlant heeft bedwongen , voor ende na? 

5540 En is niet dijn moeder Hecuba? 

En is Troyen niet dijn, die grote stat? 
Ie sal di geven die meeste scat , 
Den edelsten, ende den. besten daer bi , 
Die in alle die wereit si , 

5545 Wiistu mi voor die scoonste prisen , 
Ende den gouden appel mi toe wisen: 
Du selst hebben dat scoonste wijf, 
Die ie ontfinc op eerden lijf, 
Ende immermeer gecrigen sal; 

5550 So bistu rijp boyen al , 

So climstu allen heren boven : 
Dats een scat, die niemen can Tolloven ; 
Want rein vrouwen, scoon ende goet. 
Die connen sterken mannes moet , 

5555 Ende verdriven allen hertenleit. 
Si doen plegen scamelheit ; 
Si doen duecht ende wijsheit Ieren. » 
Paris hoorde haer presenteren : 

V* 8586 Berecht mij leg my dat uit, berichi my dat. — 5586 Sea- 
melheit, eerbaerlieid. Ia de prosa: Si doen soamelheii plegen, si doen 
scamelheit volbrenghen. Zie ook wegens dit woord de aenmerking yan 
SiTOBicBBn op den Pf^apen-Martyn, in de Nieuwe werken der Maetschappy 
van Legden, III, bl. 180. — 5557 Leren, H. S. heren, prosa leren. 



212 REINAERT 

Sijn hert wart in groter vroude: 
5560 .Hi bad, dat si hem noemen woude 
Die scone Trouwe, wie si waer. 
Yenus sprac: « Ie seg di waer : 
Des conincs wijf van Grieken Helene! 
Scoonre vrou en leeft nu gene , 
5565 Edel, sedich, rijc ende wijs. » 
Doe gaf haer den appel Parijs, 
Ende.seide, dat si die scoonste waer. 
Hoe hi Helenen creech daer naer, 
Ende namse den coninc Menelaus , 
5570 Bi hulpen der godinne Yenus, 
Ende brachtse te Troyen binnen. 
Dat grote sclaes der hertenminnen , 
Dat si twee te samen dreven , 



5575 Stont daer met beelden opgegreven , 

Ende letteren daer op gescreyen, 

Daer men bi mocht boecstayen gereet 

Yan elc dine dat ondersceet. 

Nu hort van den spiegel goet : ^"l'tTiott!) 

5580 Dat glas, dat daer in stoet. 

Dat was scoon ende onmsi^ten claer. 

Dat men daer in sach , yer ende naer , 

Al dat op een mijl na gesciede ,. 

Wast aen beesten of aen lieden, 
5585 Yan dingen die men. weten wilde. 

Ende wie ooc voor den spiegel bilde 

Sijn aengesicht , ende hi daer in sage. 

Had hi sproete , smette , of vlage 

Op sijn ogepeerle, of twitte , 
5590 Yluus, of cobe, of ander smitte. 

Dat genas hi claerlic al ; 

So groot virtuut , so groot geval 

V» 8878 JBoecstaven gereet, gereedelyk leien. — 8879 Den, H. S. dai. 
— 8888 riage, vlek. — 8890 HutM, vlies. — Cobe^ kobben, wrat. 



TWEEDE BOEK. 213 

Hadde dat spiegelglas in hem* 

Ist wonder, dat ie miamoedich; bem 
5595 Te verliesen so groten vont? 
. Dat hout, daer dat glas in stont, 

Was lieht ende Tast , ende heet oetqn : 

Het soude ewelike sijn 

Eert rotte , ende wormstake ; 
5600 Ende. om dese selve sake 

Dede die eoninc Salomoen 

Sinen. tempel binnen doen 

Met desen hout al om gecleden, 

Om sijnre groter reinicheden. 
5605 Men prijstet beter dan. enich gout : 

Het is gelijc Helenus hout, 

Daer wilen die conine Crompaert 

Af had gemaeet dat houten paert, 

V' 8807 Cetijn, in het H. S. eetijn, in de prosa cetijn, en in Rimiu 
êeihifn» In myn handschrift yan MABRiiUfi's Rymbybel, bL 26, by de be- 
schryying yan het tabernakel, lees ik: 

An die nordside dar iegen recht 
Stont ene tafle yan honte cetin , 
Dair ie oec wel seker aye bin 
Dat lichtste oud eist dat men yint , 
Ende yerrot niet en twint. 

— 8600 Sake, oonaek. — 8606 Heknus, in de prosa Hebenus (ebben- 
hont?) — ^QOd Houten poert. Hetgeen hier yan koning Crompaerts houten 
paerd gezegd wordt, schynt de dichter gehaeld te hebben uit den roman 
Tan Gleomades , of Ie cheval de fust, berymd door Adbnbz , menestrel yan 
Hendrik Hl , hertog yan Braband. Men wil^ dat deze roman niet yoor het 
jaer 1280 zou geschreyen zyn, dewyl Gnido yan Dampierre er ab graef 
Tan Ylaenderen wordt in yermeld , en die yorst zoodanigen titel eerst met 
den dood zynèr moeder Margareta^ in 1280, zou hebben kunnen dragen 
(F. WoLf , Uber die neueeten Leistunyen der Franatoeen für die Herausgabe 
ihrer Naiional-Heldengedichte , Wien, 1833, bL 84) ; doch reeds lang te 
Toren noemde Gnido zich Qnnes Flandria; onder andere, in een diplo- 
ma yan het jaer 1288, in Warnkobnig's Histoire de la jFlandre, I, p. 
888. Wyders kan men oyer Adbniz (dien de abbë Ds la Ruk in zyne 
JEeeaiê histeriques sur les bardes, II, p. 86 ^ met Adah Ie bossu schynt te 
Terwarren), en oyer zynen roman, naricht yerkrygen in Pavun Paus 



214 BEINAERT 

Om lieflen des Maradigas 
5610 Dochter,, die so scone was, 

Op dat hise waende winnen. 

Dat peert was so gemaect van binnen , 

So wie daer op sat, ende hijs begeerde , 

Hi voer henen sijnre veerde , 
5615 Hondert milen^ binnen eenre uren: 

Dat quam tot scerper aventuren 

Cleomades , sinen sone ; 

Want hi en woidie nie geloven, die gone, 

Dattet houten peert had sulken macht : 
5620 Hi sat daer op ende besacht ; 

Want hi was moedich ende koen^ 

Ende geerde hoge dade te doen , 

Om der werelt prijs te ontfaen. 

Crompaert draide om enen wervel saen , 
5625 Die in des [paerts] borst te voren stont; 

Doe hief tpeert [hem] op, uut vrien gront, 

Ende voer ter vein8ter uut van der sale. 

Eer men een paternoster soude lesen wale, 

Hi sach hi was tien milen verre. 
5630 Cleomades was droeve ende erre , 

Hi en waende nimmermeer keren. 

Die historiën daer af ons leren 

Wat groter anxt dat hi leet , 

Énde hoe verre dat hi reet , 
: 5635 Op dat Helenus houten paert , 

Eer hi vernemen conde den aert, 

Hoe ment wederkeren dede , 

Hoe ment daelde, ende op voer mede ; 

^Doch doe hijt wist so was hi vro. 

LeUre d 3f, de Monmerqué , geplaetst vóór Li romaiM de Betie aus gram 
pies, Paris, 1882, p. xliv en Tolg^ende. 

V* 5809 Maradigas , in de oude prosa : Morcadigas. — 561 1 Op dat, 
om dat. T- 5617 Cleomades , H. S. Cleomedis, prosa: Ckamedes. — 
5618 Die gone, deze. — 5625 Prosa: Die voor in des paerts borste sUmi. 
— 5689 Hi sach, H. S. hi èeide. 



TWEEDE BOEK. 215 

5640 Ende dit quam meeste deel so 
Bi des edels houts cracht , 
Daer sulke kunst was in gewracht. 
Ende al des gelijcs so was 
Dat hout , daer op stont tspiegel glas , 

5645 Ende was ooc anderhalven Toet 

Breder, dan daer dat glas in stoet, 
Buten om gaende al ront, 
Daer menich historie vreemd in stont, 
Dat mi te seggen waer te veel, 

5650 Van goud, van sabel , ende van keel, 
Asuer, silver ende synoper. 
Dese ses verwen waren proper 
Daer in gewrocht, daert behoorde, 
Ende onder elc historie die woorde 

5655 Gegreven ende geameigiert, 

Wat elc bedude. So wel visiert 
En was nie spiegel, na minen waen. 
Int eerst stouter gemaect aen 
Van enen peerde, slerc ende vet, 

5660 Dat seer met nide was besmet 
Op enen hert, die liep int wout 
So licht, so snel, dat meniehfout 
Den peerde opwies den toren , 
Om dat het altoos liep voren , 

5665 Ende [bijt] niet conde versnellen. 

Hem dochte het soude hem nedervellen. 
Al sout hem daer om raden wee. 
Ie wil u seggen noch voort inee: 

¥• 5656 Visiert j prosa verchiert. — 8657 H. S. Ende ten wasnye spiegel 
na mynenwaen. — 5659 F^an enen peerde» Deze fabel schynt getrokken 
lüt den franschen Ysap^, ea is te yinden in Robirt's Fables inéditeê des 
jrzr% XIIP et Xir^ »%eehs, ï , p. 270. Zy etaet , hyna kmrlyk; en lüet 
de zelfde rymwoorden , in Gu«rbtt'8 Bydragen, fabel XX, bl, 127. Zie 
ook E». BsDuNB, TVaerachtighé fabukn d^ dieren, bL 141. — 8668 
F^ef9mtten, H. S. verswellen. Ik Tolg de prosa. — 8667 Raden tpm, wee 
te wege brengen. Zie CuQfmrt'^Bydragen, bl. 296. 



216 REINAERT 

Het ginc [bi enen berde] ende sprac hemaen: 
5670 c< Hadstu enen hert gevaen 

Die ie di wel soude wisen , 

Di sonde daer grote bate af risen. 

Sijn hoornen , sijn vleesch ende vel 

Dat soutstu vercopen wel. » 
5675 Die berde sprac: « Nu segt mi dan, 

Hoe selen wi daer comen an? » 

Dat peert sprac : cc Sit op, ie sal di dragen; 

Ende laet daer ons om varen jagen. ' 

Die berde sat op , ende [si] sijn vertien. 
5680 Dat hert voor hem ginc vlien , 

Want bi was licht ende snel , 

Ende ontliep den peerde wel. 

Si jaechden so lanc tpeert was mat, 

Ende sprac toten man , die op hem sat : 
5685 cc Ie wil mi rusten nu; sit of : 

Ie bin so moede : gef mi oorlof. » 

Die berde sprac : cc Ie heb di gevaen : 

Du en conste mi niet ontgaen ; 

Ie heb tuegel ende sporen , 
5690 Ie dwing di , alstuut [hebt] gesworen : 

Nimmer en moetstuus hebben danc. » 

Siet , heer, boet peert hem selyen dwanc , 

Ende vinc in sijns selfs net. 

Hoe mach een sijn gevangen bet 
5695 Dan die om sinen feilen nijt 

Hem selven so vaet, dat men hem rijt? 

Sulc pijnt seer om [een anders] scade, 

Ende loont hem selver al met quade. 

V' 8669 fferde, herder. — 5673 By GiiomBTr: Beide sijn hoemeends 
sijn veL — 8678 GticNETr : PTi selen daer amme varen jaghen, — 8679 
f^erfienj yertrokken, weggereden. — 8682 Den peerde , H. S. daipeerd. 
Ik Tolg de fabel by €ti6RKTT. — 8688 Sit of, by GiiGNBrr beet of. — 8688 
Ontgaen, H. S. ontfaen. — 8690 Ik bedwing u, gelyk gy u dtaer toe 
verbonden hebt. — 8696 f^aet, Tangt, vat. 



TWEEDE BOEK. 217 

Het 8tont dacr [in noch hoe] teenre stont i'^y.'w» i 
5706 Een esel waren ende een hont 

Onthouden met enen riken man ^ 

Die den hont seer lief gewan, 

[Als men den menigen siet plegen :] 

Wanneer hi speelde daer tegen , 
5705 Die hont spranc op, en quiete sinen staert, 

Ende lecte sijn heer omtrent sinen baert. 

Dit sach die esd, Boudewijn; 

Diet seer deerde int herte sijn , 

Ende sprac : « Hoe macht wesen? 
5710 Wat ist dat mijn heer aen desen 

Yulen oatijf heeft versien , 

Die ie nimmer orber en sie plien , 

Dat hi hem lect ende op hem sprinct? 

Maer mi , die men ten orber dwinot , 
5715 Die sacken te dragen , te lopen , te driven ! 

Si en souden niet met h&ai viven 

Den arbeit doen in enen jare , 

Die ie in eenre weke Tolvare ; 

Nochtan sit hi bi minen here 
,^ 5720 Ter tafel, ende crijcht al sijn begere 

Van been te duven , van vette teljuren ; 

Ende mi en mach anders niet gebueren 

Dan distel , netel , ende scerpe kaerden , 

Ende des nachts te liggen op der aerden , 
5725 Sonder stro, ende sonder lettier. 

Dit es mi seer cranc bestier: 

Ie en wils niet langer dogen! 

Ie wil mijns heren wil pogen 

Te verwerven , ende wesen sijn vrient , 
5730 Ende dienen hem , als die hont hem dient. » 

Mettien so quam sijn heer, sijn weert. 

Die esel hief op sinen steert; 

y 67 11 Csli^/', in de oudere en nieuwere prosa Cbnt«. — 57 IS Die 
ie nimmer iet oarbaers sie plegen, — 5714 Orber, prosa arbeyt. 



218 REINAERT 

Op sinen here dat hi spranc; 

Hi bleerde , hi green , hi sanc ; 
5735 Met sinen vorsten voeten voren 

Vedelde hi sijns heren oren , 

Dat hi hem maecte grote buien. 

Hi scoot gereets metter muien, 

Ende wilden cussen aen sinen mont, 
5740 Also hi had sien doen .den hont. 

Doe riep sijn heer, met ernste groot : 

c( Help ! help I desen esel slaet mi doot ! » 

Doe quamen die enapen toe gescoten , 

Met sterken stocken ende met groten , 
5745 Ende sloegenne so utermaten, 

Dat hi sijn lijf daer waende laten. 

Doe liep [hi] weder op sinen. stal , 

Ende at distels , [in sijn] ongeval , 

Netel , kaerden ende gras , 
5750 Ende bleef een esel , als hi was. 

Die een ander sijn welvaren vergan , 

(Dat hem niet en oost nochtan) 

Ende al waer hi in den staet 

Des geens geluc, dien hi haet, 
5755 Het soude hem recht so wale vuegen 

Als met lepelen teten der suegen: 

Daerom is die beste raet, 

Dat men den esel den esel laet , 

Distel eten , ende dragen den sac. 

y 5733 H. S. Mii sijnen steert dat hi spranck; doch ik volg Rbinekb. 
— 5734 Bleerde y blaerde als een koe. — Green, greinde, grijnsde, 
grinnikte. — 5736 Fiedelde, strykte. — 5738 Hy schoot in eens Tooroit 
met zyn' muil. — 5750 Als hi was. Men vcrgelykc deze fabel met die 
,van de oudfransche Ysopets, in Robekt's Fahles inédites des XII*^, XIII* 
et XIV* siècleSy I, p. 234 a 239; als mede eene andere in Glignstt's By^ 
dragen, bl. 108, waer men slechts het \* 6789 • letterlyk terugvindt. De 
zelve staet ook nog in £d. De Dbene's PFaerachtighe fabulen der dieren, 
bl. 127. — 5754 Des geens geluc, van het geluk des zoodanigen. — 
5756 Als het lepeleten aen de zog (het. verken). 



TWEEDE BOEK. 219 

3760 Hi en can hem Tuegen in geen gemac: 
Al deed.men hem ooc duecht ende ere , 
Hi pleecht altijt sijn oude lere. 
Waer esels crigen heerscappien 
Daer siet ment ^den wel gedien ; 

5765 Want si op [liietwes en sien] of en roeken , 
Dan haers sel& bate soeLen ; 
Nochtan^risen si alle dage 
In machte , dits dat ie meest clage ! 

Ende bet voort stont : dat mijn rader ^j^^^JiJ"] 

5770 Ende Tibert gingen te gader, 

Ende hadden gesworen , bi hare trou , 
Dat si om weelden noch om rou 
Niet van malcander en souden sceiden , 
Ende wat si cregen onder hun beiden 

5775 Dat soudense deelen ten haWen , ongetelt. 
Doe sagen si comen, over tfelt, 
Jagers gereden , met vele honden : 
Si liepen int velt al dat si conden, 
Als die haers lijfs hadd^oi vaer. 

5780 Tibert [seide] : Reinaert, segt mi waer^ 
Hoe selen wi best mogen vlien? 
Die jagers hebben ons versien. 
Weet gi enigen goeden raet?» 
Mijn vader, die groot toeverlaet 

5785 Aen hem vermoede (op sijn gelof , 
Dat hi hem niet en ginc of 
Door geenen noot ,) sprac : « Tibert , neve , 
Een sac vol raets ie ons wel geve : 
Dit weet ie wel , hebben wijs te doen. 

5790 Bliven wi bi een , als helden coen 

Wi en dorren jagers noch honden duchten. » 
Tibert die begon hem te versuchten, 

. V' B769 Bei voori, verder. De Tolgende fabel leest men in de Poésüs 
de Marie de Frtmce, II, p. 887, en in Ed. Db Dsbne, bl. 79. — l$778 Ten 
halven. Navolging van Y* 2108 , enz. 



220 REINAERT 

Ende «prac: ccReinaert) wat baetP 
Ie en weet niet dan enen raet, 

5795 Daer moet ie op nemen goom. » 
Doe elom hi op enen boom 
Boren opt orerste, onder die bladen: 
Daer en mocht hem niemen «caden, \ 
Ende liet minen yader alleen staen, 

5800 In groten anxt 8ijn$ Iqfc bevaen ; 
Want die jagers ende die honden 
Setten hem na ar wat 81 conden: 
Men blie$ den horen, men riep: «lacht 
Ende doe die cater Tibert dit sach 

5805 Hielt hi fiijn apot met hem , ende aprac : 
cc Wat^ Reinaert, ondoet nu uwen 3ac , 
Daer al die raet in ia ^ heU tijt. 
Gi die 90 wija geheten aijt , 
Bescut u selven, of u naect toren. » 

5810 Dit most nu mijn rader horen , 

Van daer hi hem meest toe rerliet , 
Ende dienne dus jammerlio verriet ; 
So dat hi vol na bleef doot. 
Hi liep, ende met vresen groot, 

5815 So seer, dat hem dat sweet uut brac, 

Ende sijn mael van achteren leet groot ongemac, 
Om dat hi te lichter soude wesen : 
Nochtan en mochtet niet baten in desen; 
Want die honden waren hem te snel, 

5820 Ende souden hem hebben gebeten int vel; 
Maer die arenture wilde dat j 
Dat hi daer ront een gat, 
Een out hol in die eerden staen ; 

y S808 SJëch, da! -^ 8806 Onioef, open. In de prosa: onibim. — 
6811 F'an daer, van hem daer. — 5818 F'ol na, zeer na. — 8816 
Versta : hy ontlastte zich Tan achter* In de prosa: ffnde liet êijn mah gli- 
den. ~ 88»1 H. ^. Mw da^ kern die aveniuer dat. ~ 88SS Dai, U. &. 
goste dat {Qonste ósii?). 



TWEEDE BOEK. 221 

Daer croop hi io , ende is ontken 
5825 Den honden ^ ende die jagers mede. 

Dus hiett Tibert sijn sekerhede, 

Die hi heiti loofde , die lose droch ! 

Och , hoe veet yint men der noch, 

Die luttel achten wat si loven , 
5830 Op dat si haers wiUen comen boren! 

Ende of io Tibert noch hier om haette., 

Waert onreden , of onmate ? 

Maer neen , ie heb te lief mijn sieL 

Plochtan sage ie, dat hem misviel 
5835 Aen lijf, aen goet , of aen eren, 

Io ducht het en soude mi niet deren , 

Op dat een ander deed dan ie, ter tijt ; 

Nochtan en wil ie haet noch nijt 

Tot hem dragen : ie wilt om God vergeven. 
5840 Maer noch en ist niet uut gewreven 

In mijn herte ajso claer , 

Daer en staet in menich haer 

Van ongunste , alst mi comt te voren. 

Doch dat doet dat vleesch [in toren] , 
5845 Dat dicke op die reden vecht, 

Ende doet u>il gaen Toor roem. 

Daer stont van den wolf ooc mede , ^n^'^'^aiM 

Die s\jn$ dancs nie goet en dede , 

Hoe hi eem op een heide wilt 
5850 Vont een doot peert gevilt ; 

Maer dat vleesch was al opgeten. 

Doe ginc hi biten grote beten 

Aen die beenre , die h^ in swalch , 

Drie vier tevens in sinen balch ; 
5855 Want hi hadde honger groot. 

So gierich was hi dat hem scoot 

Een been dwars in sijn keel , 

V< IS&S7 Dfvehj bedrieger; anders dn^ener. -^ 8817 Mids het iemand 
anders dan ie dede. — '5887 Een, H. S. in. 



222 REINAERT 

Daer hi om leet smerten veel. 

Hi socht al om meesters yroet , 
5860 Ende geloofde hem groot goet , 

[Op] dat hem beterde sijn misyaL 

Ten lesten, doe hi overal 

Sochte , ende geen baet en yernam , 

Aen enen craen dat hi doe quam , 
586^ Die enen langen hals had, ende beo : 

Dien bat hi dat hi sijn gebree 

Beterde , hi sout hem wel lonen , 

Ende het soude hem ewelic versconen. 

Die craen hoorde hoe scoon hi boot , 
5870 Ende [stac] sinen hals in sijn stroot, 

Ende tooch hem tbeen uut sinen bec. 

Die wolf yerscoot metten tree : 

« Wopen (riep hi),: du doets mi wee ! 

Ie vergeeft di ; en doets niet mee ! 
5875 Ie en wouts niet van een ander liden. » 

cc Isegrim, nu ganc di verbliden 

(Sprac die craen), gisijt genesen! 

Nu geeft mi, dat mijn sal wesen. )> 

Die wolf sprac : cc Nu hobrt desen gec ! 
5880 Ie benselver aent gebree, 

. Ende hi wil van mi goet hebben toe! 

Hi en denct der duecht niet, die ie hem doe; 

Want hi stac sijn hooft in minen mont , 

Ende ie liet hem uut treck^i gesont, 
5885 Hi heeft mi daer toe seer gedaen: 

Soude daer iemen af baet ontfaen? 

V' 8888 F'eeL De prosa doet gelooven dat hier nog deze twee regeb 
Tolgden: 

Ende mocht oncruut lichtelic yerderven , 
Hi hadde daeryan moeten sterven. 

— 6865 Bec, E. S. vet. — 8872 Tree. Ik volg de prosa; doch in het 
H. S. leest men : Die wolf vergifte mytten streek (?). — 5876 Ganc di, 
gaet u. 



BI. 22 2. 




ZióA dsj^e^ I^ (^i^se/:i/TicA,a. &an^. 




Mat eticn anctt t>«ti- iftO^c^u^ 

& eter^ ïfi (bat iy^nt %^\^n^t ^ 
(Die tnuu^^ói^tfocfiooaïiib^^t 



%4 



TWEEDE BOEK. 223 

So waret mi, met allen recht. 

Du8 lonen scalke haren knecht, 

Ende den genen , die hem duecht bewisen. 
5890 Waer men den scalc laet risen 

So gaet te niét recht ende eer. 

Het is.menich die enen anderen, seer 
. Wil doen, ende sijn.'gebrec verswaren; 

Maer soude hi hem selven claren 
5895 Te gronde , hi souds meer aen hem yinden 

[Dan an den genen, dien hi woude seinden]. 

Daer om seit men, ende tis waer: 

Wie scelden wil, sal wesen claer. 
Al dit, ende veel meer nochtan, 
5900 Dat ie [aiet] genoemen en can 

Was in den spiegel wel gewrocht. 

Die meester [was] veel gesocht 

Diene maecte , ende van consten vroet. 

Ende om dat mi veel te goet 
5905 Te houden waren siilken juwelen, 

Had ie se den coninc, tot sinen delen , 

Ende mijnre liever vrouwen ter eren gesent. 

Waer sijn nu die sulke present 

Op trouwen haren here geven? 
5910 Dien rouwe , die mijn twee kinder dreven 

Om den spiegel, dat was te vele! 

Want sier hem die, met groten spele, 
. In plagen te spiegelen , ende voor te springen , 

Ende sagen hoe haer steertgens hingen , 
5915 Ende hoe hem haer.muulken stont. 

Och armen , mi was oncont 

V* 8887 Recht. Vergelyk hier mede de fabels uit de twee Ysopets, by 
RoBERT, Fables inédUes des XII% XIII'^ e# JT/F^ stècks, I, p. 195 et 196, 
midsgaders Clighett's By dragen ^ bl. 51 en volgende, waer men V* 5883, 
<5Ö84 nagenoeg letterlyk terugvindt. — 5888 Dusy H. S. Eens. -^ 
£^99 Meer,ÏL. S. Menich. — 59U Prosa: Endebesaghen hem^ hoe dat 
haer bereitsel hem stont. 



224 REINAERT 

Dat Cuwaert was so na den doot , 
Doe ie hem op trouwen groot 
Die sceq)e gaf, met die juwden : 

5920 Ie en wistét niemen bet te berelcn, 
Al haddet gewesen op dat lijf mijn , 
Dan hem ende den ram Bellijn. 
Het waren die trouste yrienden twee , 
Die ie waende te crigen immermee. 

6925 Wopen orer den moordenaer 1 
Ie sal daer noch af weten twaer, 
Al soudie die werelt daer om door dolen ; 
Want moordaet en bleef nie verholen. 
Het mach licht, dat hi hier bi ons staet 

5930 Onder den hoop, dier af weet hoet gaet , 
Waer Cuwaert bleef, al en seit hijs niet; 
Want menich scalc , die loosheit pliet , 
Wandelt die metten goeden , 
Daer hem niemen en canVoor hoeden. 

5935 Si connen berde wel haren aert bedecken. 
Dat mi meest doet yerwecken 
Dats dat mi die coninc, onse heer. 
Oploopt dus fellic, ende dus seer, 
Ende seit : mijn yader ende ie mede 

5940 Hem , noch den sinen , nie goet en deden ! 

Dit heeft mi vreemt van enen coninc; ^^J^v-^s^O 

Maer hem comt so menich dinc 

Te voren, daer hi sijn [goom] op leet, 

Dat hi dat een metten anderen vergeet: 

5945 Ende licht is dit aldus gesciet. 
Lieve heer, en gedenct u niet, 
Hoe u vader den coninc 
Leefde, ende gi [waert] een jongelinc 
Van tween jaren , niet veel min , 

V K918 Do^, H. S. }m. — 5921 Al haddet, E. S. ie had. — MS6 
P^erwékken, opwekt tot Uachte. Ia de prosa: Mer dai mi tneest «er- 
duncki. 



TWEEDE BOEK. 225 

5950 Dat mijn vader quam hier in ^ 
Van der scolen tot Mompelier, 

Daer hi studeerde der jaren vier, 

In recepten van medecinen; 

Ende alle die teeken van iirinen 
5955 Kende hi so wel als sijn hant , 

Ende alle die crude die men vant, 

Treckende viscose ende laxitive : 

Die kende hi bet dan sulke vive , 

Die grote meesters nu willen wesen. 
5960 Hi was van consten so uutgelesen , 

Dat hi siden ende bont mocht dragen. 

Hi vont den coninc in groten plagen 

Van suucte, doe hi te hove quam, 

Dat hi swaer ter herten vernam; 
5965 Want hien minde boven allen heren. 

Die coninc en mocht sijns niet ontberen. 

So wanneer hi was int hof, 

Alle. die ander hadden dan orlof; 

Hi en geloofde niemen voor hem. 
5970 c( Reinaert (sprac hi doe) ie hem 

Die siecten crijch, so langer so quader. » 

« Lieve heer coninc (sprac mijn vader) , 

Hier is een glas : maect u urine ; 

Ie sal u dan seggen sekerlic u pine , 
5975 Also saen als ie se aensie met ogen , 

Ende hoe men u sal helpen mogen. » 

y* 6951 Van der scolen ie Monipeïlwr, reeds in de twaalfde eeuw be- 
roemd. De lessen in de medecynen begonnen aldaar tan jare 1 180, yolgens 
RoBEKT DE Hesseun, DicUonnaife universel de la France, IV, p. 555. «— 
^57 viscose f H. S. vis coppen, prosa viscose. — 596S Suucte ^ ziakte. 
Vergelyk Reinarhi^s, lib. II, V* 81 : Contigit arreptum forti languore leo^ 
nem, ete. midsgaders de fabel yan Marie de Frarce, in hare Poésies, 
Il , p. 250. Het hier behandelde feit maekt het onderwerp uit van eene 
hranohe der fransche Renarts, getiteld Cest la branche de Renart si 
oame il fu mires, by Mi^ow, H, p. S05.— 5968 Orlof, H. S. lof, prosa 
oerlof. 

29 



226 REINAERT 

Mijn heer dede dat hi hem riet, 
Want hi en geleefde doe niet 
Daer hi meerre geloof op droech , 

5980 Ai wast dat hi «int omsloech 

Aen minen heer, die hier staet , 
Bi quaden gilen , bi quaden raet» 
(Het heeft mi wonder alremeest 
Dat 80 verkeerde sinen geest, 

5985 Maer hét was seker tegens sinen doot ; 
Hi wart Tan sinnen seer wonderlic groot , 
Dat hi so raesde ende dutte.) 
« Heer coninc, sprac hi, u is nütle, 
Suldi immermeer genesen 

5990 (Ende dat moet entelic wesen), 
Eens wolfs lever van seven jaren. 
Hier en moet gi niet me sparen: 
Die suldi eten, dF gi sijt doot; 
Want u urine tuget al bloot. 

5995 Haest daer mede voor alle dino. 
Die wolf stont daer aen den rine , 
Ende hoorde toe , ende sweech al stille j 
Maer die coninc sinen onwille 
Hem claechde , ende sprac : cc Her Isegrijn , 

6000 Nu hoordi wel hoet hier moet sijn: 
U lever moet mi genesen! » 
Doe sprac hi: c< Heer, ten mach niet weseü; 
Want ie weet wel , dat is waer. 
Dat ie noch niet out en ben vijf jaer; 



y 5978 Geleefde, leefde. In het H. S. geloofde. — 5983 GUm, be- 
drog, H. S. geelen. Versta : Al was 't dat hy (myn vyand), die hier staet, 
deze yriendschap sedert heeft doen omslaen, by bedrog, enï. • — 5990 
Entelic, eindelyk. — 6992 Sparen, wachten. De heer Ypit in het 
tweede deel zyner Geschiedenis der Nederlondsche tael, bl. 879 en 874 
leidt het woord af yan sparren, sperren, d. i. versperren, yerhindereil. 
Voor my, ik houw het voor een freqaentatiyum van spehen {^pad&m, ver- 
tragen) en dns spa-eren; hier van spade, ie spade, enz. 



TWEEDE BOEK. 227 

6005 Ie hebt mijore moeder horen seggen. » 

Mijn Yader sprac : <e Heer, wat mach u leggen 
Aen sijn woordea? doeten spouwen; . 
Gi doetet wel met sijnre ouwen; 
Ie sal wel aen die lever $ien 

6010 Of hi waer seit, » Ende mettien 
Most die wolf ter kueken gaen : 
Die lever wart hem uut gedaen» 
Die coninc atse , ende hi genas 
Van allen suucten, die in hem was: 

6015 Des danckede hi minen vader, 
Ende sijn gesin hiet hi algader 
Dat menne voort meester Meinaert hiete, 
Ende , op sijn lijf, dat niemen en liete. » 
Hi bleef voort bi den coninc , 

6020 Ende was gelooft van allen dinc* 
Altoos most hi hem naeste gaen, 
Ende op s\jn hooft was gestaen 
Een scoon fiolen rosencrans , 
Die hem de conino met eren gans 

6025 Gaf, ende deedse hem met eren dragen. 
Nu is dit al te samen om geslagen , 
Ende men vergeet al ouder doget ; 
Die gierige scalken worden verhoget , 
Ende die wijsheit set men achter; 

6030 Des hebben die heren groot lachter , 
Ende dalen so lanc so meer ; 
Want als een dorper gier wert heer, 
Ende boven sinen bueren crijcht macht, 
So en weet hi selve niet wie hi slacht; 

\* 6007 Spouwen, prosa spouden, splyten, openen. -— 6008 Ouwen, 
oude, onderdom. — 6017 Meester Reinaert, Reinere: doctor. — 6018 
Op sijn lijf, op Iffstraf. — 6025 Dragen. In Reineke krygt de vos èn 
guldens sp^n un ên rót berét. Orer het dragen van eenen roozenkrans by 
feesten en andere plechtigheden kan men nazien Leorahd b*Aii8st, F'ie 
priioè» ê^ Fran^aié, II, p. i!fc2-flS6. Reinaert kreeg een krans van vio- 
len 9 met rooien ondermengd. -^ 60^ Om, H. S. oter. 



?23 REINAERT 

6035 Hi en kent niet waen hi comen si, 

Ende om niemens liden en droeft hi; 

Hi en hoort ooc niemens bede , 

Daer en volcht die gifte mede. 

Al sijn seggen dat is : « Brengt hieri » 
6040 Och hoe menich dorper gier 

Sijn nu te hove bi den heren , 

Die seer smeken ende smeren : 

Maer mochten si haers heren leven 

Behouden met een oor te geven , 
6045 Si lietene sterven eer sijt gaven. 

Si slachten den wolf, die node laven 

Den coninc met sijnre lever woude. 

Noch had ie liever^ eer dat soude 

Die coninc sterven, ende sijn goede wijf, 
6050 Dat hondert wolve verloren tlijf , 

Ende het ware ooc mijnre scade; 

Want, wat comt van quaden sade, 

Sijns dancs doet hi selden duecht. 

Heer coninc, dit sciede in uwerjuecht, 
6055 Dat uwen vader dit was gedaen; 

Daer bi ist licht u ontgaen. 

Ende ooc so hebbic selve mede Reineke,ni, 

^ j 13 , V«. 5408.] 

bedaen eer ende hoveschede , 

Die doe wel behagede u , 
6060 Al dancti mi so luttel nu. 

Maer u en gedencs , so ie waen ; 

Daer bi ist noot dat ics vermaen. 

Niet dat iet doe om enich verwijt; 

Want ie ben sculdich tot alre tijt 
6065 Voor u te doen wes ie vermach. 

Ie quam gaende op enen dach 

V' 6088 Ten zy de begiftiging de bede volgt. — Ö039 Seggen, H. S. 
menich (meening?) — 6042 Smeren, prosa flatteren. — 60Ö1 Prosa : 
Het waer oec ten minsten scade. — 60ö5 Dit was gedaen. Volgens Rw- 
ifiKE stont dit geval ook al op den spiegel afgebeeld. — 6006 Ie quam 



TWEEDE BOEK. «S 

Metten wolf her Isegrijn: 

Wi hadden geyaen te samen een swijn , . 

Dat beten wi doot , voor tiude garren. 
6070 Heer, doe quamdi van verren 

V\\t eenre hagen ons int gemoet: 

Gi groette ons met scoonre groet, 

Ende spvaect: c< Sijt welcome, gi twee! 

Die honger doet mi also wee, 
6075 Ende minen wive , die hier comt achter : 

Woudi ons deilen , ons soude te sacfater 

Te moede wesen van uwen gewinne? » 

Her Isegrim sprac bi den kinne 

Ja, so dat menne nauwe verstout; 
6080 Maer ie riep met luder mout : 

« Ja wi , here , al waert wel veel meer. 
. Wie wildi dattet deilt nu, heer? » 

« Dat seldi , heer wolf, (spraect gi doe); » 

Des was Isegrim doe wel vroe , 
6085 Ende deildet als hi was gewoon : 

Die een helft nam hi tot sijn verdoen 

Te voren uut , ende tvierendéel 

[Gaf hi u , ten was niet veel,] 

Ende dat ander deel mijnre vrouwen. 
6090 Doe ginc hi biten ende knouwen , 

Ende haeste hem , dat bijt op at. 

Dat oor metten naesgat 

Ende half die longen gaf hi mi: 

Ende al dat ander behielt hi. 
6095 Aldus toonde hi sijn edelheit! 

gaende^ enz. Te vergelyken met REntARDiJS, lib. IV, fabula II, Y' 183 et 
599;' als zynde dit geyal daeruit overgenomen. Zie ook Robbrt, Fableê 
inéditesy I, p. 32, en £d. De Deene, PFaerachtighe fabulen, bl. 53. 

V' 6069 P^oor tlude garren, om zyn luid schreeuwen (te beletten). 
Crarren, gerren, girren, is gemere volgens Kriaen. Yergelyk Rbine&b, 
V' 5415. — 5978 Sprac bi den kinne, sprak op zulke wyze dat zyn kin<- 
nebakken alleen in beweging kwam, en niet zyn stem; in de prosa; 
Sjprack sHUekenê. — 6092 Naeegai, neusgat. 



23ft REINAERT 

Eer men eens credo hadde geseit 
So had gi u deel op , ab gi selt weten ; 
Noehtan haddi gerne meer gegeten , 
Want gi en waert noch niet $at. 

6100 Doe bad gi laegrim noch om wat; 
Maer hi en gaf u niet een koot. 
Doe hiefdi op uwen rechten poot , 
Ende sloechten so tusschen sijn oren , 
Dat hem dat yel mochte scoren , 

6105 Van der nasen totten ogen. 
Doe en conde hi niet gedogen 
Die smerte; hi huulde, ende bloide sere, 
Ende liep wech met snelren kere , 
Ende liet sijn deel daer liggen neder. 

6110 [Gi riept hem na: c( Haest u hier weder J 
Ende brengt ons meer, hoe gijt raemt; 
Ende siet dat gi u bet meer scaemt , 
Als gi deilt, op een ander tijt. d 
Doe seide io : « Here , gebiet gijt 

6115 Ie ga met hem : ie weet wdi wat. » 

Gi seidt: [« Gaet mede, j>] Io liep na dat 
Met hem ; hi carmde seer ende stan , 
Ende croonde hoe qualic hi daer was an; 
Maer hi en dorst niet lude dagen. 

6120 So lange liep wi te samen jagen, 
Dat wi een vet calf Tingen. 
Ende doe gijt ons saget bringen 
Lachte gi , ende het behagede u wel, 
« Reinaert, spraect gi, gi sijt snel 

6125 Ter jacht , als gijt u wilt onderwinden ; 
Ie sie, gi cont wel wat viaden; 
Gi sijt goet uut gesent ter noot» 

V< 6097 Gi, H. S. hi. Ik iwlg Ruubu en de proaa, wyl V* 6109 i 
loont, dat de wolf syn deel n«e# opgegeten had. •*-* 610S Rechten, H. S. 
fBehêeren. -*- SUS En wees een weinig minder sobaemteloof. -^ 6118 
Croonde, kreunde , klaegde. ^ 6119 £iMfe, H. S. wol. 



TWEEDE BOEK. 231 

Dit calf is vet ende groot. 

Hier moget gi selver deilre af sijn. » 
6130 c< Ie doet gerne, seide ic^ lieve here mijn! 

Die een helft is u te toren, 

Die ander móet uwen wive toebehoren; 

Pensen^ lever, darmen ende longen 

Die selen hebben u jongen ; 
6136 Dat hooft sal hebben Isegrijn, 

Ende die voeten die sijn mijn« 

Doe gi dit hoorde waerdi vro : 

« Reinaert [spraect gi] wie leerde u also 

Huesschelic deilen , doet mi verstaeli? » 
6140 cc Heer, dat heeft dese paep gedaen , 

Die metter roder crunen sit hier , 

Om dat hi hem maecte so fier 

Heden, doe [hi] deilde dat swijn« » 

Dus wast gelopen Isegr^n , 
6145 Dat hi creech scade ende scande mede. 

Met sijnre onhuesscher gierichede. 

Oog [ist soo] dat men den wolf noóh vint 

Die sonder [sparen] eet ende verdunt 

Den geen , daer hi over mach. 
6150 Hem naect menigen droeven dach 

Die die wolven saden moet; 

Want si en sparen vleesoh noch bloet: 

Al dat si vinden nemen si mede. 

Wee der landen ende der stede 
6155 Daer die wolven hebben die overhant ! 

Si en sparen vrient noch viant, 

So wat ü crigen dat hem genuecht. 
Dat, ende menigerhande duecht, 

Here, heb ie voor u gedaen, 

y* 6140 Pa^, H# 8)1 cfuwp, prosa poep. — 6U1 MeU^r roder cru- 
n$n. Navolging van Y* 985, 1468, 1820, 1826, hoewel de dichter niet 
had moeten vergeten, dat de v^ulf dechts tusichen neus en.4>ogeneen 
luab gekregen had, blykend V 610S. 



1S2 REINAERT 

6160 Die ie u wel soude doen verstaen , 

En yiel die reden niet te lanc , 

Des gi mi segt seer luttel danc , 

Na den woorden, die ie Tan u hoor. 
Mi dunct , saechdi al dinc wel door, 
6165 Dat gi wel [wat] met mi mocht liden. 

Ben ie die esel, die men sal riden? 

Of dat lamkijn , dat men eten moet? 

Waer mijn ayenture goet , 

Ie sou uit ander scotel eten. 
6170 Ie plach goet ende quaet te weten 

Bet dan sulc ander, ende was ooc mede 

Wel gelooft Tan dat ie dede. 

Ie conste Toor vrouwen ende voor heren 

Een saec insetten ende ordineren , 
6175 Daer macht aen lach, ende bet voorsien. 

Wat van den dingen mocht gescien , 

Dan sulc deden , daert nu aen staet. 

Men plach genen wisen nauwen raet 

Te sluten, ie en was daer bi. 
6180 Al heeft dat ongeval nu mi 

Aldus onder tnet gevaen , 

Dat blat dat mocht noch ommeslaen , 

Ende dat rat van aventueren 

Mocht mi noch ooc gebueren, 
6185 Dat mijn recht, ende ooc mijn woort, 

Gelijc enen anderen souden gaen voort. 

Ie en eisch geen verdrach : 

Ist dat ment mi betugen mach 

Na den rechte, in enigen broken, 
6190 Ie wil dat aen mi si gewroken. 

V' 6168 Dat gy my wel een kleinigheid mocht toegeven. — 6166 
Ben te die esel, enz. In de prosa: Ben io ymmer die esel, diemen ryden 
sal, om dat lam dat men eten moet? — 6160 H. S. Ie soude ander enodel 
eten. — 6177 H* S. Dair sulc tien daert nu aen stoet. — 618-4 Prosa: 
Mocht mi noch so hoeghe vueren, — 6189 Broken ^ rechtsTer)>rekijBgen.^ 



TWEEDE BOEK. 23S 

Ende seit mi iemen iet op, dat hi 
Toe mach briDgen , die setlet bi , 
Na der gewoonte van den hove ! 
Heer coninc , bi uwen oorlove 

6195 Bid ie, dat u dit genoegel » 

« Reinaert , gi spreect al ten gevoegé : ^"Jj" v*»"/] 

Uwer talen yolgic al. 

Mi en ist ooc niet tot ongeval , 

Conden wi weten wie Cuwaerts leven nam , 

6200 Anders dan dat ons Bellijn die ram 
Sijn hooft in die scerpe broeht, 
Ie liet u quijl van desen gerocht, 
Ende ie en sou niet meer op u croonen. » 
c( Lieve heer, God moets u loonen ! 

6205 Seker, gi moget ooc wel also : 
Sijn doot maect mi so onvro , 
Dat mi dat herte dunct versieden. 
Och, doe si beide van mi sciedden, 
Cuwaert ende mijn vrient Bellijn, 

6210 Hoe swaer wart dat herte mijn ! 
Mi docht dat ie beswijmde al. 
Ie meen , het was tegen dit ongeval 
Dat mi, leider, was so naer. » 

Alle (die meeste hoop , die was daer ,) 

6215 Die Reinaerts tael hebben gehoort 

Van juwelen, ende [sagen] hoe hi voort 
Daer op stercte sijn gelaet , 
Meenden dat was sonder baraet , 
Ende dat hi niet dan waer en sprac. 

6220 Si claechden seer sijn ongemac, 
Sine scade, ende sinen rouwe. 
Die coninc selve ende sine vrouwe 
Ontfermden sijnre, [met] jonc ende oude, 
Ende seiden dat hi troosten soude, 

V' 6202 Liet, H. S. loet. — Gerockt, gerucht, begin der klage. Zie 
de aenteekeniDg op Y' 806. — 6207 Venieden, vergaen^ consumeren, 
— 6S17 Stercte, H. S. storte, prosa stercte. ^q 



234 REINAERT 

6225 Ende pijnde hem te soeken die juwele; 
Want hi hadse geprijst so yele , 
Datter hem seer den sin op stoet. 
Ende om dat hi hem maecte Troet , 
Dat hise hem beiden hadde gesant, 

6230 Al quam hem niet in die hant, 

Nochtan hadden sise gerne genomen , 
Hadden si geweten waer aen comen. 

Reinaert , die wel die meninge verstont , 
Ende die weinich goets had in sinen gront, 

6235 Sprac: « God danke u, heer ende. vrouwe, 
Dat gi mi troost in minen rouwe. 
Ie en sal rusten ^ nacht noch dach, 
Noch niemen , die ics bidden mach , 
Ie sai lopen ende jagen , 

6240 Smeken , bidden ende vragen 
De werelt door die vier hoeken , 
Al soudic ewelic soeken , 
Tot dat ie weet waer si sijn. 
Ende ie bid u ^ lieve here mijn , 

6245 Of si waren ooc tot suiker stede , 
Dat mijn cracht, [noch] mijn bede 
Niet helpen en mocht , dat gi mi dan 
Wilt helpen ; want het gaet u an: 
Het goet is u ; ende u toebehoort 

6250 Te rechten voor roof ende moort ; 
Die leider daer om is gesciet. » 
a Reinaert , des en laet ie niet. 
Wanneer gi weet waer si sijn , 
Ende gi b^eert die huipe mijn , 

6255 Die sal u altoos sijn bereit. » 

« Och heer, dats al te wel geseit , 
Condic noch , ie souts u lonen! » 

Nu dunct Reinaert sijn sake seer sconen: 
Hi heeft den coninc tot sinen wil , 

6260 Die hem viant was , openbaer ende stil. 



TWEEDE BOEK. 236 

Hi denct : cc Modbit hier dus gaen uut 
Datter toe was goede gruut , 
Na dient gescapen stout te voren ! » 
Hi heeft hem allen so veel in doren 

6265 Luegen geslagen , ende doen Terstaen , 
Dat hi wel Tri waent henen gaen , 
Sonder van iemen beroepen te sijn. 
So had hi ooc ; maer Isegrijn 
Was tornich ende mismoedich seer: 

6270 Hi sprac : cc Heer coninc , edel heer, 
Sidi dus kints, dat gi gelooft 
Den losen scalc, die u verdooft 
Met geveinsder logentael gescal? 
Dat heeft mi wonder al. 

6275 Ie soud hem trou geloven spade: 
Hi is van moort ende van verrade 
Doortogen , ende houtet al voor spel : 
Dat sal ie hem bewisen wel , 
Eer dat hi noch sceit van mi l 

6280 Mi is lief, dat hi hier is so bi: 

Sijn liegen en sal hem hier niet vromen , 
Dat hi van mi iet can comen. 

Siet , heer, dese lose catijf ^^ll^^siJI] 

Verriet eens al te seer mijn wijf: 

6285 Hi deedse eens diep waden int slijc 
Bi twater onder enen hogen dijc , 
Ende maecte haer wijs , dat si den staert 
Int water stake , daer soude , ter vaert , 
Also veel visch aen biten , gi sult weten , 

6290 Si en soudse niet met haer vieren eten. 

\* 626S , 6264 Zoo dat er nog goede gruit (mout, hop, bierdroessem) 
bykwam , schoon het te voren zoo slecht geschapen stond. Wat grutte 
was, leert ons RjlEPSaet, Analyse, II, p. 4S5, en Kluit, Historie der HoU 
landsche staatsregering , IV, bl. 4S2. — 6282 Zoo dat hy my nog zou 
kunnen ontkomen , ontloopen. — 6288 Ter vaert ^ spoedig. — 6290£'/en. 
In den Reinardus is het de wolf, wien Reinaert visschen leert vangen, 
en hier op ziet ook ¥• 1509 hierboven. Vergelyk de uitgave vaaMoifs^ 
bl. 84: Hio impinge tuam, carissitne patrue ^ caudam, enz. 



236 REINAERT 

Si waende waers, (die arme dwase!) 

Ende [ginc] ten buuc toe in die Mase , 

Eer ai totten water qitam , 

Daer si doe totten steert in swam , 
6295 So si alrediepste conde. 

Dit was in enen winter stonde , . 

Dat se dus bedrooeh Reineert ; 

Want si hielt so lang den steert 

Int water, dat si daer in bevroos. 
6300 So wat si tooch , si en mocht niet loos 

Uten ise ; doe hi dat sach , 

Liep hi daer toe al dat hi mach , 

Ende spranc [haer] achter op tlijf : 

Och, daer vercrachte hi mijn wijf! 
6305 Si en conde geweren niet haren toren , 

So herde stont si int ijs bevroren. 

Dit en can hi niet missaken , 

Want ie vant hem opter braken , 

Also ie liep om mijn bejach, 
6310 Ende opten dijc mijn wech lach. 

Ie sach hem beneden op haer staen 

Crijtsen, lijtsen, steken, slaen, 

Als men pleecht tot sulken spele. 

Och, daer leed ie hert seer vele! 
6315 Doe riep ie: « Reinaert, wat doedi? » 

Doe hi so na boorde mi , 

Spranc hi op , ende ginc sijnre straten. 

Ie ginc tot haer met droeven gelaten, 

Ende moest int slijc seer diep waden , 
6320 Ende in dat coude water baden , 

Eer ie dat ijs ontwee gedoste, 

V 6891 Zy dacht dat het waer was. — 6807 Bfüsaken, loochenen. 
Zie Kit. — 680B Op ter braken, op de misdaed, op het feit. Braeckê h 
breuk , gebrek. Rbinikb stelt : Op der schynbaren ddt. — 6812 Crijtsen, 
kratsen, kretsen. Lijtsen, in de prosa luisen, d. i. loteren. — 63J1 
Gedoste, stiet, verwant met het engebch toss, het yslandsche ihys, en het 



TWEEDE BOEK. 237 

Ende haren steert daer uut loste ; 

Nochtan liet sijs daer een groot stic; 

Ende daer toe waren si ende ie 
6325 AVel na doot bleven ; want si galp 

So lude Tan smert, eer ie se halp, 

Dattie dorpers dat vernamen, 

End^ op ons gelopen quamen 

Met pieken, haken, ende stoeken, 
6330 Ende die wive met haren spinroeken. 

Daer riepen si : c( Slaet alle toe ! » 

Ie en creech nie meerre anxt dan doe, 

Ende dat selve segt ooc mijn vrouwe; 

Want wi ontquamen al daer nauwe. 
6335 Wi liepen , dat tsweet uut brae. 

Daer was een dorper, die na ons stac. 

Met enen piec, die wel was lanc: 

Die deed ons alte groten dwane; 

Want hi was sterc , ende licht te voet. 
6340 Ten ware dat ons die nacht bestoet , 

Wi waren daer seker beide bleven. 

Die lelike quenen , met sterken steven.. 

Hadden ons so gerne gesmeten! 

Si seiden wi hadden haer scaep gegeten , 
6345 Ende boden ons menigen ramp. 

Daer gingen wi door menigen camp , 

Bewassen met brame ende biesen : 

Daer mosten ons die dorpers verliesen, 

Ende dorsten bi nacht ons niet volgen : 
6350 Si keerden weder seer verbolgen, 

Om dat wi also ontgfngen. 

Siet , heer, dit sijn lelike dingen , 

oudduitsche duzxe; doch door my nooit elders aeng;etroffen. De prosa: 
sheeh. 

Y' 632Ö Zigalp^ zy gilde; van gelpen , of gi^n, vraer over zie op 
Yah Hselu, Y- 6272. — 6333 Segt, H. S. Soude-, doch zie Reinxkb Y' 
S6êl. -- 6334 Daer, H. S. door. ~ 6842 Quenen, H. S. quamen, prosa 
quenen. Steven, staven. 



238 REINAERT 

Dits moort, cracht ende verraet, 
Dat u scerpelic te rechten staet. » 
6355 Reinaert sprac : c< Heer, ware dit waer, t»«^*«»iv. 

r\ • • 2,Vi6706.] 

Dat gmc mijiire eren al te naer : 

God yerbiets mi ^, dat ment so Tonde! 

Tis waer, ie wijsde haer teenre stonde 

Hoe si visschen soude vaen, ., <j- 
6360 Ende eenen goeden wech over gaen, 

[Door] twater, sonder te treden int slijc; 

Maer si liep so gierichlijc, 

Doe si die visschen hoorde nomen, 

Si waende niet te tide te comen ; 
6365 Si en hielt wech noch wise , 

So .dat si beyroos in den ise : 

Dat dede, dat si te lange sat. 

Si had yisschen genoech gehat , 

Hadde si met reden willen liden, 
6370 Diet al wil hebben , het valt bi tiden 

Dat hi van allen missen moet. 

Al te gierich en was nie goet; 

Want niemen en can den gierigen versaden. 

Doe icse sach so seer beladen, 
6375 Doe waende ie haer te.helpen uter noot: 

Ie hief, ie loedse, ende ie croot, 

Om dal icse waende uut te boren; 

Maer dat was arbeit verloren, 

Want si was mi al te swaer» 
6380 Doe quam Isegrim aldaer, 

Ende sach hoe dat ie croot, ende stac, 

Dat hi doe in dorperheden trac. 

Als die quade te doen plegen. 

Aldus so was die saec gelegen. 
6385 Hi segt anders niet dan logen; 

Maer ie meen , hem scemerde sijn ogen , 

V- 6376 Loedse, E. S. ludae. ~ 6885 H. S. Ende heer ten was au- 
ders niet dan logen. 



TWEEDE BOEK. , ^39 

Also hi ons sach van boven int dal 

[Ende hi sere van anxten gal] 

Daer hi opten dijc sat. 
6390 Hi vloecte mi seer, ende swoer bi dat 

Sijn magen, ie sout becopen. 

Doe icken hoorde ginc ie lopen, 

Ende lieten scelden ende dreigen. 

Doe ginc hi heffen ende wegen , 
6395 Ende halp sijn veijf uien diepen. 

Of die dorpers lude riepen 

Ende jaeehden , dat was hem goet ; 

Want si verwermden haer bloet. 

Si waren anders van coude vervroren. 
6400 Ende wat ie na ofte voren 

Heb geseit, dats al waer. 

Ie en name aen goude claer 

Niet dusent mere van goude , 

Ende ie u eens liegen soude ! 
6405 Soudic u liegen , lieve heer ? 

Dat soude mi misvoegen seer. 

Dat en sal, oft God wil, nimmer wesen, 

(Ie genees so ie mach genesen , ) 

Ende ie sal immer seggen waer. 
6410 Ie hebt geplogen al mijn jaer, 

Sint dat ie eerst wijsheit began. 

Ende twivelde u ooe ergens an , 

Van allen dat ie hier heb geseit , 

Dattet iet [anders] ware dan al waerheit , 
6415 Geeft mi achte dagen spacie: 

Ie sal u doen sulke informacie , 

Y' 6391 Sijn magen. Hier schynt iets te ontbreken : Hy %waer hy dai 
(leven?) van syn magen. In Reinekb staet: He vlakede my d&rto de pcjh- 
fehyey en in de prosa: Hi vloecte my sere, ende swoer duere, hy alle sine 
maghen. — 6894 Hi, H. S. ie. — 6408 Hetzy dan dat ik losgerake of 
niet. Zie V» 140-4, waerran dit eene navolging is. — 6413 Ergene an, 
H. S. anders dan. Ik volg de prosa. 



240 REINAERT 

Met goeden gcloveliken orconde , 

Dat gijs mi, al u leyens stonde , 

Wel selt geloven, ende u baroen. 
6420 Wat heb ie metten wolve te doen , 

Of ander, sijnre geliker cativen? 

Vraecht selver sinen wiven. 

Dat ie eer seide, oft so gevel? 

Si salt selve iiden , dat weet ie wel, » 
6425 Doe sprac vrou Eerswijn : 

c< Waen, Reinaert, fel quaet cockijn! 

Niemen en can hem hoeden voor dil 

Du const dijn loosheit so brengen bi^ 

Ende dijn baraet so wel versconen , 
6430 Dattet di noch qualic sal lonen 

Int ende , al ist dat lange merret. 

Hoe hadstu mi eens besperret 

Ten putte, daer twee emmers hingen. 

Die met eenre poleyen gingen 
6435 Op ende neder, als men woude. 

Du saetst in groter ongehoude 

Beneden opt water, in den enen. 

Ie quam tot u ; ie hoorde u stenen , 

Ic vraechdi , hoe du [daer] quaemst geseten? 
6440 Du seitste : « Ic heb so veel geten 

Visschen , al hier in den borne , 

Dat mi spliten mach die korne. » 

« Hoe come ic daer? wijst mi dat! » 

V» 6419 U baroen, H. S. te baroen. — 6420 Te doen. In de oude 
prosa volgen bier nog eenige regels meer, welke in bet gedicht niet 
voorkomen , docb die ook niet blyken vroeger berymd te zyn geweest. 
— 6426 TVaen, samentrekking van wattany wat dan. Zie ¥• 24i$. — Coc- 
kynj fr. coquin. — 6481 Merret, mert^ mart, daert. — 6482 Besper- 
ret, verhinderd. — 6488 Ten putte. Dit geval, docb anders verteld, (als 
met Isengrim gebeurd) vindt men in den franseben Renart, l , p. 240 
et II, p. 176. — 6484 Poleyen, palei-zeel, katrol, fr. poulie. — 6486 
Ongehoude, ongemak^ ongunstige toestand. — 6442 iTome^ romp; sa- 
mengetrokken van karonie, fr. charogne. 



BI.241. 





ZUhdUF.AXa^aelyack.a. GantL. 



, W (eie/i'it iiio^i^ fftriitclt iii ^at^ t^«i^ 
5) öe (i9V0ttc(hi \^t ^utfnt^e^Xi enen 



TWEEDE BOEK. 241 

Doe seidstu: « Moeie , sprinc in dat vat, 
6445 Dat daer hanget^ gi comt hier saen. )> 

Ende ie deedt. Doe most io neder gaen ; 

Maer du quames [op]. Doe was ie gram^ 

Ende yraechde ^ hoe dattet daer toe quam? 

(( Het is der yrerelt loop (spraecstu weder) : 
6450 Dat een gaet op , ende tander neder. 

Doe sproncstu uut, ende ginges henen, 

Ende ie bleef daer allenen 

[In] honger ende coude, enen halven dach. 

Daer ontfinc ie menigen slach, 
6455 Eer dat ie ruuuide van daen» » 

c( Moei, het dede u onsacht , ie waen? 

Gi hads mi liever, dan ie , die slage ; 

Want gi mochtse bet verdragen. 

Onser een moestse emmer ontfaenP 
6460 Ie leerde u, wildijt verstaen, 

Dats ^ dat gi op een ander tijt , 

Te bet op u hoede sijt, 

Ende niemen en gelooft te lecht, 

[Want gi weet, het spreecwoort secht:] 
6465 Elc suect hem selven^ om sijn bate. 

Het ware een dwaes , die dat vergate ! » 

c< Hoort, lieve heer, sprae Hersinde, 

Hoe wel seilt hi met allen winde ! 

Hoe scoon meet bijt voor den ogen! )> 
6470 cc Aldus heeft hi mi die bedrogen , 

Sprae Isegrim, ende gebracht in scaden. 

Hi [heeft] mi ooc eens verraden 

Toter apinnen, sijnre moeien, 

Daer ie was in groten vernoien , 
6475 Ënde mijn oor wel na liet. 

Weet, voorwaer, boet is gesciet.,.. 

Wil hi tware seggen , ie laet hem die tale ; 

Want , ie soudese emmer so wale 

V 6456 U^ H. S. mi. — 6467 Hoort ^ H. S. Foorl. 

81 



242 REINAERT 

Seggen, hi ea sal mi berispen. 

6480 cc Ja ie , Isegrim ^ sonder ligpen 
Sal ie seggen ^ ende ooe ai elaer : 
Ie bidde u allen , hoort daer naer. 
Hi quam aen mi in een wout , *^L*Tfw79^i 

Ende claechde sinen honger menidifout; 

6485 Want ie saeh hem nie so sat 
Hi en had gerne meer gehad. 
Mi wondert waer hi die spise laet. 
Noch sie ie wel aen sijn geiaet 
Dat hi yan honger begint te grimmen. 

6490 Hi ate liever van den wemmen , 
Dan hi dronke een ame wijns. 
Doe iet hoorde , so jamerde mi sijns. 
Ie seide : cc Ie soec mijn bejach. » 
Daer gingen wi te samen dien dach, 

6495 Maer wi en vonden niet teten; 
Doe begonde hi seer te creten , 
Ende seide, hi en mocht niet verder gaen. 
Doe sach ie daer een hol staen 
Onder enen hage van dicken bramen , 

6500 Daer hoordic wat in scramen. 
Doe seidic hem : cc Gaet daer in 
Ende suect of gi daer vint u gewin. 
Ten mach niet sijn gi en vint daer wat. » 
Doe seide hi: cc Neve, in dat gat 

6505 En quamic niet om hondert pont, 

y* 6485 Saty H. S. mat, prosa sat. — • 6486 Of hy zoa nog meer 
gewild hebben. — 6490 H. S. Hi at liever dan hi sage spinnen. Ik ver- 
ander naer aenleiding der oude prosa , waerin men leest : Hi ate liever 
eenen slach wammen (yischwammen) dan hy een ame wijns dronke, Rn- 
haxet zinspeelt op hetgene hierboven gelezen is, Y' S08 en volgende* 
Eigenlyk is wam of wem buik, in het gothisch wamba, en in het anglo- 
saksich wamh; en vandaer wambuis, — 6494 Dienj H. S. enen, — 6495 
H. S. Dat wi niet en vonden teten, — 6496 Creten jYL, S. trecken* — 
6500 Scramen f schrammen, schrabben. — 650S Het kan niet anders 
of gy vind daer wat. 



TWEEDE BOEK. 243 

Ie en wist eerst hoet daer binnen stont : 

Het dunet mi daer so gruwelic wesen ! 

Maer, io sal hier onder desen 

[Boom] uwer verbeideü ; gaet in, voren , 
6510 Ende keert cort weder, ende laet mi horen 

Hoet daer in gescapen staet. 

Gi kunt so menigen nauwen raet, 

Ende u bet onthelpen, dan ie. » 

Siet heer, dus wijsde hi mi int stric , 
6515 Mi arm wicht , clein ende cranc , 

Ende hi , die stère is, groot ende lanc. 

Bleef liggen rusten in sijn yrede: 

Besiet wat trouwe ie hem dede ! 
Den anxt, die ie daer bestoet, 
6520 En leedic noch om geen gpet, 

Ie en wist dattet mi so yergaen soude. 

Ie ginc daer binnen , als die boude : 

Daer vant ie enen breden ganc, 

Crom , doncker ende lanc , 
6525 Eer ie binnen dat hol quam , 

Daer ie grote claerheit yernam 

(Die lucht daer in quam yan besiden). 

Daer lach een groot aep, met twee widen 

Ogen , die blincten als een vier. 
6530 Ie en sach nie so vreesliken dier. 

Met groter muul , met langen tanden , 

Ende scerpe nagelen aen voet ende handen , 

Met enen langen siert aent set : 

Ie waende het waer een Mamet, 
6535 Een bakumijn [of] een meerkat. 

Vs 6519 Bestoet , onderstond. — 6529 P^ier, H. S. glas mtde vier. — 
65S0 Vreesliken y H. S. vroliken, — 6533 Set, achterste, -van zitten; in 
het middeleeuwsch-Iatyn cedae. Zie Reinaedüs, III, Y" 2270. — 6534 
Mamet f een duirelsnaem; doch eigenlyk Mahomet. — 6535 Bakumijn. 
De naem Tan zulk een schrikdier of kwade geest is my onbekend, en 
Tind ik in 6uhh*s Deutsche Mythologie ook nie(| vermeld. In de prosa leest 
men : Ie waende da^ een marmoeyse, een baubijn of een meereat geweest 



244 REINAERT 

Ie en saeh nie leliker dier dan dat. 

Ende bi haer lagen , doe te ^ooge <, 

Haer drie kinder, lelike jonge ^ 

Die haer moeder wel geleken. 
6540 Doe si mi sagen comen gestreken , 

S wegen si , ende sagen mi lelio aen. 

Ie had wel gewilt te sijn van daen : 

Ie was Terveert; wat bate TersaectP 

Doe dochtic : ie ben daer in geraect , 
6545 Ie moet daer ute, als ie best madi. 

Si was meerre, daer si lach, 

Dan Isegrim; ende hare kinder 

Waren eer meerre dan minder. 

Maer ie en sach nie sulken proi. 
6550 [Si lagen daer int Tule hoi ,] 

Dat haer urijn had bewraot ; 

Si waren belabb^rt ende beoaet . 

Ten oren toe, Tan haers sdfe drec. 

Het stanc daer Tuler dan hels pee ; 
6555 Wei was idcer na af gestiet. 

kodde. Het meestendeel van de in ons land pog Toortlevende namen van 
zulk soort yindt men opgenoemd in Var H48sei.t's aenteekening op het 
Etymologicum van Riliaen , deel I, bl. 20 ; doch onze vlaemsche Osschaeri, 
Siokkeman en Langewapper zyn er niet by. Ook nog leze ik daeromtrent 
in eene gkenauchelike clute van nu noch , Tolgens myn afschrift : 

Ie wil u belesen ende besweren 
Ende manen, by al dat n mach deren, 
By nachtridders ende by avondtroncken, 
Die achter den hoven de belle clonckcn , 
By cocketoysen , by neckers , by raaren^ 
Ende by den drollen , int weer weghen , 
By catten die danssen pleghen 
Tswoensdaechs, ende by varende vrouwen. 

Y* 6840 H. S. Doe si mi quamen wmm «tvAsii. ^^ 6841 Ik wêM vsr- 
vaerd; waerom zou ik het loochenen? — 6846 Memre, msonder, gvoo* 
ter. — 6849 Proi, pry. — Q^U JBmoraet, bepekeld* -^ ««M JBecMT, 
H. S. bedai. — 6888 Crestictf H. S. getcrid, proia getmoeri^ 



TWEEDE BOEK. 245 

Al had ie van leetÉte getnict 

Tware te segg^/ie móeftt vertien, 

Ende metten hoop die daer lach lien. 
Doe seide ie: <c God , diet wel doen mach^ 
6560 Moeie, die geve u goeden dach , 

Ende uwen kinder, mijn magen! 

Het sijn die sooonste van haren dagen, 

Die ie gesach , voor ofte na bi. 

Deus , hoe wel behagen si mi i 
6565 Hoe lieflic sijn si , ende hoe scone 1 

Elc mocht met eren eens eonicx sone 

Wesen! Wi mogen u loven met recht, 

Dat gi dus meerret ons geslecht. 

Ie had grote bliscap gedreven , 
6570 Had ie geweten van desen neven ; 

Want het is een troostelic toetiden. 

Ie en mochts niet langer liden , 

Doe ie hoorde dat gt waert verlegen , 

Ie en moeste uwes comen plegen : 
6575 Mi ware leei ie en hadt vernomen. » 

c< Reinaert, lieve neve, weest wellecomen! 

Ic'weéts danc dat gi mi vant: 

Gi sijt ooc wijs ende trou becant , 

Ende hebt des gerne voor ogen. 
6580 Gi moet uwen neven ooc wijsheit togen , 

Ende laten doen eer ende tucht. 

Ie heb recht op u geducht , 

Want gi wandert ond^r die goede. » 

¥• 6586 Gemict, TOor|;e^Qmen. — 6587 J^ertien^ opgeven, laten. — 
6888 Lieny toegeven, geduld nemen. Vergel. \* 6168. — 6871 Toeft- 
den, toenemen, verbeteren; als in V» S916. — 6877 Vant, bezoekt, 
doch eigenlyk verplegen , van vanden, In de prosa zegt Reinaert: Lieve 
moeye, doe ick hoofde, teaer ghi gelegen toetert, doe en conde ick niet 
langher ghebeyden, ie en moest vriendelic tot u comen vanden; » en dan 
antwoordt de apin: « Reynaert, neve, sijt wellecome, dat ghy my vandet, » 
— 6879 Des, dit. — 6880 Neven, Reiweke : oomhens. — 6882 Cc- 
ducht, eerbied, reverentia; doch in de prosa: Ich hehhe recht op u gedocht, 
/d. i. gedacht. 



246 REINAERT 

Och, hoe wel was mi te moede , 

6685 Ak ie dese tale hoorde I 

Dit yerdiendic ten eersten woorde , 
Mettien dat iese moeie hiet. 
Al seidic so, si en bestont mi niet ; 
Maer, mijn rechte moeie staet ginder, 

6590 Vrou Rukenau , die scone kinder 
• Pleget te winnen , sedich ende vroet. 
Ie seide : cc Moei , lijf ende goet 
Staet tuwen gebode , wes ie Termach ; 
Gebiet tot mi nacht ende dach; 

6595 Ie sal hem leren dat ie can. » 

Ie hadde gerne geweest yan dan , 
Om dattet na die wiege daer rooc, 
Ende bisonder om Isegrim ooc , 
Die so berde leet van honger. 

6600 Ie seide: cc Moei, u ende [u] jonger 
Moet God altoos behoeden! 
Ie wil thuuswaert gaen spoeden ; 
Mijn wijf sal na mi yerlangen. » 
cc Neve, gi en selt nergent gangen, 

6605 Gi en hebt u eerst gegeten sat : 
Ende liet gijt ooc , ie seg u dat, 
Ie soudt in groter ongunst yerstaen. » 
Doe stont si op, ende dede mi gaen 
In een ander hol , daer bi : 

6610 Daer lach so veel spisen , dat mi 
Wonderde wanen si was comen. 
Herten, hinden (ie en cans niet nomen) 
Patrisen , roeken ende reecalven: 
Met al dese mocht ie mi salven. 

6615 Ende doe ie yan als had genoech, 
Gaf si mi, dat ie met mi droech, 



V' 6588 £0«fofi/mf ntef. Navolging yan Y'U86. — 6599 Herdeleei, 
E.S.kefiehos. — 6608 A', H. S. hi. 



TWEEDE BOEK. 247 

Een stuc ^leesch Tan ener hinde, 

Met minen wiye , met minen kinde 

Teten , als ie thuus quame : 
6620 Dat nam ie in groter scame; 

Maer het moeste emmer wesen. 

Ie dancte haer seer, ende met desen 

Heb ie oorlof aen haer genomen. 

Si hiet mi eorts weder comen: 
6625 Ie seide , dat iet laten soude node ; 

Hier mede beval icse te Gode , 

Ende sciet haestelic yan danen , 

Blidelieker dan iemen soude wanen, 

Om dat mi het seoonste gevel. 
6630 Ie maecte mi te lopen snel 

Ten gate, daer ie ute quam, 

Ende doe ie Isegrim vernam , 

Die laeh onder enen boom , 

Vraechde ie : hoe staet met u, oom? 
6635 « Qualiken (seide hi), lieve neve; 

Tis meer dan wonder dat ie leve ; 

Ie sterve van honger; geeft mi doeh iet! » 

Doe jamerde mi seer sijn verdriet , 

Ende ie behielt hem daer dat leven sijn , 
6640 Die daer laeh in groter pijn. 

Hi wist mi daer veel groten dane , 

Al is die gunst nu dus erane. 
Wel eort had bijt op geslonden. 

Doe seide hi , c< Neve , wat hebdi gevonden 
6645 In dat hol? dat laet mi horen ! 

Mi hongert nu meer dan te voren ; 

Want mijn mont is nu ter spijs gewect. » 

Ie seide: c< Oom, gereet so trect 

Int hol , gi selt genoech daer vinden. 

V* 6629 Gevel ^ geviel. — 6680 Ie maecte mi, ik stelde my. — 6648 
Gereet so trect int hol, in de prosa: Pijndt dan gherade in dat hol. Dit 
fijfU beteekent xoo veel als geefu de moeite, gaet. 



248 REINAERT 

6650 Daer leit niiJD moei met hare kinden : 

Condi wel liegen ^ ende die waerheit sparen, 

So seldi hebben al u begaren; 

Maer segdi tware, u naect verdriet! » 

Heer coninc , en was dit niet 
6655 Genoech gewaerscuut dien tverstonde , 

Dat hi , Tan al dat hi vonde, 

Contrarie daer af soude seggenP 

Maer rude onbesnode beleggen 

En connen geen wijsheit gegronden. 
6660 Daer om haten si subtijl vonden , 

Want sise selye niet en verstaen. 

Nochtan seide hi , sonder waen , 

Dat hi soo seer te liegen dochte , 

Dat ment voor waerheit tellen mochte. 
6665 Hier ginc hi mede in dat hol , 

Dat van vulen stanc was vol : 

Daer vant hi die mermot sitten , 

Die lelie was ende ongescitte, 

Des duvels dochter Moedecac. 
6670 Een dinc met spisel stont daer geclac. 

Doe riep hi : « Wopen ! mi gruwelt sere ! 

Si sien hier oft die duvel were , 

Dese lelike ickers jongen. 

Wanen comen si uter helle gesprongen? 
6675 Men mochter duvels mede vervaren ! 

Gaet, drenct se; qualic moeten se varen: 

Ie en sach nie so lelike wormen. 

V* 6688 Onbesnode, onbesnoeide, plompe. Wat de dichter met het 
volgende -woord' beleggen hebbe willen aendaiden, is my onbekend: mis- 
schien Belgen. De prosa heeft: ruyde onghevallige beesten. — 6663 H. S. 
Ende liegen so seer eert hem onvochte. — 6667 Mermot, marmotte ; in de 
prosa marmoyzate. — 6668 Ongescitte, wanstaltig van schitte, drek. 
— 6670 Spisel, spouwsel, H. S. Spisen. — Geclac, voor geclact, ge- 
klad. Zie Kil. op kloeken. De prosa: Ende den jongen hincvele fmyUck- 
heden an, ofi dassen geweest waren van gheorten spieën (?). — W78 Ic- 
kers, pynigers, duivels, H. S.juckers, prosa nickers. 



TWEEDE BOEK. 249 

Al mijn hair staet mi te stormen 

Vant aen te sien , alst billix es. )) 
6680 c( Heer Isegrim, wat mach ie des? 

Het sijn emmer die kiader mijn , 

Ende ie moet haer Bloeder sijn? 

Wat hebdi daer mede te doen, 

Weder si lelie sijn ofte scoen? 
6685 Si en hebben u niet gebeden* 

Sulc heeft yoor hem geweest heden , 

IHe beter is^ ende wiser dan gi, 

Ende ooc na maech , die seide mi , 

Dat si scoon ende sedidi waren : 
6690 Wat doedi hier met deser maren ? 

Wi en senden u geen bode. » « Wildijt weten, 

Ie wil Tan uwer spisen eten; . 

Het is bet besteet aen mi , 

Dan aen die wichteren. » c< Hier en is (seit si) 
6695 Niet teten. » Hi sprac : « Hets genoech ! » 
' Mittien hi thooft ter spijswarde droech. 

Hi qiiam Toor thol , ende woude daer in gaen ; 

Maer mijn moei die scoot op saen , 

Met haren kinderen, ende liepen hem toe, 
6700 Ende wonden hem seer doe , 

Met haren nagelen , scerp ende lanc, 

Dat hem tbioet uten ogen spranc. 

Ie hoorden criten ende hulen seer; 

Maer hi en yermat hem geenre [weer] ; 
6705 Hi en deed anders niet dan hi vlo 

Uten hole : hi was also 

Seer gecrabbet , ende gebeten , 

Dat sijn vel al was gereten. 

In sijns selfe pels [haddi] menich gat; 

V' 6678 Staet , H. S. stont. — 6684 PFeder, H. S. waer. — 6694 Si, 
H. S. hi. — 6696 Droech^ prosa »hech. — 6698 Mijn moei. Reinaut 
wederspreekt zich zelTen ; want Y* 6S88 zeide hy, dat het zyn moei niet 
was. ~ 6699 Hem, H. S. hair. 

32 



250 REINAERT 

6710 Sijn aensicht was van bloede nat , 

Ende yan sija oor ooe af een 8tie« 

Hi croonde seer. Doe vraechdic, 

Of hi hem liegens onderwant? 

Hi sprac: « Ie seide so iet yant, 
6715 Een lelike leye , een yuul yracht ! » 

cc Neen, oom, gi soudt hebben gesacht: 

Hoe staet met u , wel lieve nichte? 

Dit sijn mijn mage na den rechte , 

Ende mijn scoon neye dese jongeline. » 
6720 c( Ie had liever dat mense hinc 

(Sprac hi) dan ie dat hadde gedaen. » 

cc Ja oom , daerom moest gi ontfaen 

Al sulc paiment , alst ginc daer. 

Gi soudt contrarie hebben geseit al claèr. 
6725 Men moet om beters wille bi tiden 

Liegen , ende die waerheit miden. . 

Onse vorders hebbent voor ons gedaen. 

Siet , heer, dus quamt daer aen , 

Dat hi gecreech die rode huve ! 
6730 Nu staet hi als een simpel duve : 

Vraecht hem oft also gevel : 

Hi was daer so na, hi wetet wel. » 

cc Spot. ende scamte ende spitige tale, ^ y^wwi 

Fel Reinaert, die condi wale! 
6735 Gi segt , ie wel na doot was 

Van honger, [dat] gi mi laefde, op dat pas? 

Dats [logen;] want dat been , datgi mi gaeft, 

Daer had gi tvleesch al af gecnaecht, 

Dat daer niet een twint was aen, 
6740 Ende spotte met mi doe saen, 

Dat ie verhongerde daer ie sta. 

Gi spreect mijnre eren al te na ! 

¥• 6716 Gesachf, gezegd. — 6727 Forders, voorouders; in 't H. S. 6e- 
ter, en in de prosa : Onse beter wiser en vroetner die hebbent hier varentaeh 
wel gedaen. — 673S Scamte, schampte f schimp. — 6736 Loefde, H. S. 
loofde. 



TWEEDE BOEK. 251 

Wat hebdi meaicfa spitich woort 

Met logentael op mi broeht Yoort, 
6745 Dat ie stont na de8 coninx le^en , 

Om den.scat^ dien gi hem geven 

Ende wisen soudt in Hulsterlo, 

Ende hebt mijn wijf bedrogen so , 

Dat si blijft gescandeleert ! 
6750 Icware^ewelic onteert 

Wrake ie des niet , nu gi hier sijt. 

Ie heb so lange verdragen den tijt, 

Gi en sijts niet weert : men spreeets mi laehter. 

Gi en moget nu niet trecken achter. \ 

6755 Ie en ean met [u niet] vele eallen ; 

Maer ie tie u hier, voor hem allen, 

Dat gi een verrader ende een moorder sijtj 

Ie salt u doen lien in een erijt 

Op enen daeh, lijf tegen lijf: 
6760 Ende dus eomt ten einde onse idjf. 

Siet hier, ie biede u den hantseoe ! 

Ie wil daer voor sterven , of brengen' toe. 

Die recht heeft, het sal wel bliken. » 
Dit en eonde Reinaert niet geliken : 
6765 Hi doehte : hoe eomie hier aen , 

Dat ie mijn eampspel moet bestaen , 

Tegen desen sterken vraet? 

Nu ben.ie teinden minen raet. 

Op te nemen en dooch niet gelaten. 
6770 Het eomt te scaden of te baten ,. 

V* 6786 Ie tie «, ik betyge , ik beschuldige u. — 6758 Ik zal 't u in 
*t kryt (strydperk) doen belyden ! Wat een kr^t was kan men , onder an- 
dere, leeren by Db Lange Van Wyngaerden, Gesch. der heeren van der 
Geudej I, bl. 601. Het hier yolgende yerhael van den kampstryd tusschen 
Reinaert en Isengrim dient te worden vergeleken met de fransche Bran- 
che o^est la hataille de Renart et d'Isengrin, in Meon's Renartj lï, bl. 145; 
doch de nederlandsche dichter behandelt de zaek anders. — 7768 Raet, 
H. S,praet, -prossi proehn (parolen). — 6769 Ik mag niet laten de hand- 
schoen op te nemen. 



aS^ REINAERT 

Doch hoe ie rare , het moet wesen. 

Ie hebbe veel vordeels in desen; 

Want hem noch doen sijn ckeiiwen voren 

So sere, so hi was beecoren , 
6775 Doe hise door mi moesie ontsooeien : 

Daer in sat icken seer moeien , 

Ende sijn were wort veel te quader. » 
Doe sprac hi : cc Morder ende verrader? 

lemen , die dat op mi wil leggen ^ 
6780 Daer liegen si aen, al diet seggen, 

Ende gi te voren, heer Isegrijn. 

Gi bracht mi daer ie wil sijn: 

Hier omme hebbic al gebeden. 

Siet hier mijn pant, dat al u reden 
6785 Yalsch sijn , ende gi daer toe. » 

Die conioc ontfinc die wedden doe, 

Ende sprac : <c Set gi twee ons weddenborgen , 

Dat gi opten daah van morgen , 

Ten criten cornet als campioen, 
6790 Te doen dat gi sculdich sijt te doen! » 

Doe wart die cater ende die bere 

Borge voor Isegrtm den faere; 

Biteluus , ende die das Grimbaert 

Yerborchden den vos Reinaert. 
6795 « Neve , sprac tot hem die apinne , ^*^"^ii».] 

Sijt wel voorsien , ende wijs van sinne ! 

V* 6777 PTere, yerdediging. — 6778 Morder. In het fragment yan 
Vikw Wyw by Grihh: tnordaet. — 6781 Te voren, eerst, in het H. S. voer 
in. Ik volg het fragment Tan Vaw Wtw by Geimh ; gelyk ik 't wyders ook 
doen zal op andere plaetsen , waer ik den text yan dit laetste verkiesly- 
ker yinde; behoudens dat ik telkens daer by^ïal opgeyen de yepschiHende 
lezing, 't zy in 't U. S., 't zy by Gainn. — 6784 Dat ai ureden, H. S. daer 
alle vrede. — 6786 H. S. Die coninc ontfenct, die wed ginck doe. De yer- 
zekering of verpanding ^ welke men gaf, hiet wedde, en zoo is het thans 
nog gebrnikelyke wedden ook. niets anders dan certare pignore. Zie Ac- 
ksrdijr's verhandeling over het weddehoek, in A. Ds Jager's Taalkundig 
Magazyn, I, bl. 257. — 6789 Campioen, H. S* camperoen. — 6796 P^oor- 
Mien, voorzichtig. 



TWEEDE BOEK. 26$ 

U oom leerde mi een les, 

Dat al te sege salich es 

Dea genen , die camp vechten moet. 
6800 Een groot cierc , een meister vroet , 

Gaft hem , die abt yan Baudelo , 

Ende seide hem ooc also 

(Want hi «ijn clerc te wesen pladb,) 

Dat men niet verwinnen en mach 
6805 Binnen dien dage , in geenen strijt <, 

Hem^ dien men dat ter morgentijt 

Met nuchteren monde overleest. 

Daerom, neve, sijt onbevreest; 

ïc salt over u lesen morgen : 
6810 So en dorfdi voor den wolf niet sorgen , 

Hi en mach u nergent doen wee. 

Tis beier camp dan hals ontwee. » 

« Groten danc , mijn lieve moeie ! 

Mijn sake is recht, daer ie op roeie : 
6815 Dat hopic sal seer helpen mi. » 

Al Reinaerts magen bleven hem bi , 

Des nachts , ende corten hem den tijt. 

Vrou Rukenauwe, die sijn profijt 

Ende sijn voordeel seer begeert, 
6820 Dede hem, tusschen hooft ende steert, 

Sijn hair altemael af sceren , 

Ende daer na al met olie smeren. 

Doe wart hem al dat lijf so glat. 

Men conder nergent aen hebben vat; 
6825 Want hi was vet ende wel gevoet. 

ccNeef , sprac si, siet wat gi doet: 

V* 6798 M te sege^ H. S. seer eeech. Versta: heilzaam ter zege. — 
6801 Baudeh^ eene bekende abtdy, gesticht ia Let land yan Waes ten 
jare 1 lOS , volgens Gazbt, Hiatoire Ecelesiastique des Pays^Bas , p. 886 , 
en sedert Lö85 naer Gent yerplaetst. In Rnnuut heet het: de abbet van 
SluJsMp. — 6806 Dien mm dat, H. S. dienen dan. — 6807 Overlm^^ 
H. S. Overkeft, — 6818 H. S. Ftau Rukemmsoekt hair profijt. 



254 REINAERT 

Gi 8ult u seer te drinken pinen; 

So maecti morgen te meer urinen ; 

Maer houtse, [tot] gi comt int crijt: 
6830 Ende alst u noot is , ende dunet tijt, 

So seict Tol uwen rugen staert , 

Ende slatet den wolf in sineh baert. 

Mochdi hem in sijn ogen raken 

Gi sout sijn licht seer duuster maken , 
6835 Ende dat soude u sere Tromen , 

Ende hem tot groten hinder comen; 

Maer, anders seldi al in een 

U steert houden , tusscen u been, 

Op dat hi u daerbi niet en vat. 
6840 Ende uwe oren hout al plat 

Afterwaert leggen aen u hooft, 

Op dat hi u daer niet bi en tooft: 

So en mach hi u niet deren. 

Pijnt u wiselic te weren ! 
6845 Gi selt eerst wiken voor sijn slagen , 

Ende laten hem na u springen ende jagen; 

Ende emmer loopt tegen den wint, 

Daer gi stof ende sant meest vint: 

Dat doet metten Toeten op sturen : 
6850 Hier mede seldi hem seer huven ; 

Want het sal hem in de ogen waeien , 

Daer sal hem tsien mede verdraeien. 

Ende die wile, dat hi dan wist sijn ogen, 

So seldi om u voordeel pogen, 
6855 Ende biten ende slaen , welc u dunct nenst. 

Ende etnmer doet hem dan een dienst 

In sijn aensicht, met uwer pis, 

V' 6881 Rugen, by Grihm: ruwen. — 6842 Tooft ^ 't zelfde als fooeki 
(trekt), doop de gewoone letterverwisseling van ch in f. In het H. S. 
staet nooêU — . 6848 Meeêt vint, H« S. diepste vijnt. — 6850 Hnven, 
een huif opzetten, foppen. In de prosa: hinder mede doen» — 68BK 
Sienetf Tcrkieslykst. In de prosa : waer u ghesiemte dunhet weeën. 



TWEEDE BOEK. 265 

Dan sal hi niet vreten waer lii is, 

So seer seldi hem daer me verdoren ; 
6860 Maer emmer laet hem u jagen voren , 

Tot dat hi een deel is vermoet. 

Hem sal tragen saen den Toet : 

Al is hi groot hi en heeft geen hert. 

Die claeuwen doen hem grote smert, 
6865 Om dat gise hem villen daedt. 

Siet neve, dit is mijn beste raet. 

Gonst gaet dicwile voor cracht. 

Siet dat gi u wel wacht , 

Ende so wijslic set Ier were, 
6870 Dat gijs ende wi alle hebben ere. 

Misquame u iet , dat ware mi leet. 

Ie sal u leren mijn secreet , 

Dat u oöm mi leerde , Mertijn , 

Op dat gi verwinre moet sijn , 
6875 Also gi sult , ie en twivels niet. » . 

Mettien si die hant voort stiet , 

Die si op sijn hooft leide. 

Ende dese woorden over hem seide : 

Blaerde scaeye sal penis 
6880 Garsby gor sous abe firnis ! 

Neve , nu sidi wel bewaert : 

Voor al misval sijt onvervaert, 

Ende neemt u rust^ dat is mijn raet; 

Want het is op die dageraet. 
6885 Rust een luttel , het dunct mi goet ; 

Gi selt wesen te bet gemoet : 

Y' 6862 Saeny H. S. seer. — 6872 Secreet ^ H. S. êtreech. — 6880 
Fimiê. Deze tooverwoorden , waeraen ik geene betfsekenis hechte , lal- 
den by Grimm: Blaerde acay ende alphenio kaeby gor fons iuhulfrioy en in 
de i^vossi i Alaerde schay alphenio kasbue gor fons dlbulfrio. Oyer derge- 
lyke bezweeringen zie Grhm, Deutsche Mythologie y Anhang, bl. cxxtx, 
en MoRB, Anseiger, 1884, bl. 277. — 6884 Op, naby. — 6886 H.S. 
Gki wart veel te bet gemoet. 



256 REINAERT 

Wi selen u wecken wel te tide. >i I 

c< Moei (sprac hi), nu ben ik blide: I 

Gods loon moelti onlfaen! 
6890 Gi hebt mi so veel goets gedaen, 

Ie en machs u niet Yoldancken. 

Mixdunct, mi en mach niemen cranckeq, 
, Sint gi die heilige woorden over mi laest. » 

Doe ginc hi sluipen metter haest, 
6895 Onder enen boom int groene gras^ 

Al tot die soDne hooch op was. 

Doe quam die otter tot hem gegaen^ 

Ende wecten, dat hi op soude staen; 

Ende gaf hem enen entTOgel jonc. 
6900 ccNeve^ sprac hi^ mennige spronc 

Heb ie gesprongen te nacht , 

Eer ie desen vogel hier bracht , 

Die ie enen vogelaer nam , 

Bi Helrebroec , recht aen den Dam : 
6905 Nu neemt ende eten metter vaert. » 

« Dats goede hantgifte , sprac Reinaert , 

Ontseidic dit, so waric sot. 

Dat gi mij DS gedocht, dat lone u God! 

Ie salt verdienen, mach ie leven. » 
6910 Reinaert at dat hem was gegeven : 

Het smaecte wel , het ginc wel in. 

Vier grote logen , ende ooc niet min , 

Scoonre fonteinen hi daer na dranc. 

Doe ginc hi enen snellen ganc 
6915 Te critewaert, met sinen magen, 

Diene minden, ende sijns plagen. 

Y' 6891 Niet, H. S. nemmermeer. — 6908 , 6904 H. S. Eer ie dê89 
fnyt mijnre craoht eenen vogelaer genam, — 6804 Helre broec, by Ginn 
Hoelre hroee, en in de prosa Hoechenbroeh, Het broek van Hceeke ligt 
tnssclien Damme en Sluis. Zie de Carte ehorographique van L. CAnrAiHB* 
-- 6906 Dais goede, H. S. dese. — 6915 Te critetcaert, naer het kryt, 
het strydperk , H. S. ten rijtenweert. 



TWEEDE BOEK. 257 

Ende als die coninc Ternam , T^^v'Si?'!' 

Dat hi aiso bescoren quam , 
Ende over al sijn vel gesmeert, 
6920 Sprac hi: « Ai lose tos, Reineert, 
Hoe wel condi tot u selven sien ! » 
Hem allen wonderde van dien, 
So niwelic was hi an te scouwen. 
Hi neech den coninc , ende siner vrouwen , 
6925 Metten hoofde , sonder spreken , 
Ende is also int crijt gestreken, 
Daer die wolf al was binnen , 
Metten genen die hem minnen. 
Si spraken menich hooch woort. 
6930 Die crijtwaerders brochten die heiligen voort 
(Dat was die lupert ende die los). 
Die wolf swoer voor, dat die vos 
Een moorder was , ende een verrader, 
Ende daer toe arger ende qiiader : 
6935 Dat soudi op hem maken waer. 
Reinaert die vos swoer daer naer. 
Dat bijt looch, als een vuul katijf : 
Dat soudi waer maken op sijn lijf. 
Doe die eden waren gesworen , 
6940 Spraken die crijtwaerders voren : » 

c( Doet , dat gi sculdich te doene sijt ! » 

V* 8921 Tot u selven sien, n spiegelen in u^vel. — 6928 Niwelic y 
nieuwelyk , zonderling-nieuw, in de prosa spottelic. — 6928 H. S. Mi^ 
ten genen die hy doe mynden. — 69S0 Heiligen, heiligdom^ als boven 
y* 88. Volgens Alkehade, in zyn Kampregt, bl. 226, zwoer men op de 
Evangeliën of op bet Misboek ; docb vergelyk Gkimh's Rechts Alterthümer, 
bl. 896. Voor het overige kunnen ook beide deze schryvers worden 
nagezien, wegens de gebruiken van den kampstryd, benevens Dügange 
Glossar. II, p. 109 en volgende. — Crijtwaerders , krytbewaerders, H. S. 
crijtwachiers. — 6981 Die los, lynx^ in 't H. S. die oss, prosa die los. 
— 6984 H. S. Ende arger mocht hi icesen quader. — 6986 Daer naer, 
H. S. aldaer. — 6987 F^uul hatijf, by Grimh loos katijf, en Jn de prosa 
valsch boef. — 6940 Crijtwaerders, H. S. crijt wachters. 

88 



258 REINAERT 

Doe ruumden si alle dat crijt ; 

Maer tfou Rukenau bleef staende 

Bi Reinaert , ende Termaende 
6945 Dat hi doch te op die woort , 

Die hi yan hare hadde gehoort , 

Voor die dageraet, wel yroe: 

« Neve , sprac si , siet wel toe ! 

Het is u stuc , het gaet u aen. 
6950 Gi const wel spreken ende gaen , 

Doe gi seyen jaer waert out; 

Ooc meen ie., dat gi noch wel sout 

Bi nacht int duuster gaen ., sonder dwalen , 

Daer gi wat goets wist te halen, 
6955 Al en haddi lanterne noch manescijn. 

Gi heet alle wegen wijs te sijn 

Onder die gene , die u kinnen. 

Pijnt nu uwen yiant te yerwinnen ; 

So hebdi ewelic den prijs. » ^ 

6960 « Wel lieve moeie , ie hens wel wijs 

Dat gi mijn beste seer begeert. 

Ie salder aen dencken (sprac Reineert), 

Ende heden suicke ere bejagen , 

Dat gi, ende alle mine magen, 
6965 Eer daeraf selt hebben , ende mijn viande 

Scade, toorne ende grote scande, 

Alle, die dage die si leven. 

Hert, sin ende moet begint mi te verheyen, 

Ie denct hem so te brengen bi , 
6970 Als wi te samen sijn te cri , 

Dat hi en sal niet weten daer, 

Waer hi hem hoeden sal yoorwaer. 

Ie salt hem so na leggen met list ! 

V" 6947 Wel vroe, H. S. vroech doe. — 6958 6y hebt allerwegen 
den naem van slim. — 6960 Moeie, H. S. neve. — Wijs, wis, gewis. 
— 6968 Mi te verheven, H. S. hein ie verheven^ ook goed. — 6970 Te 
cri, aen 't Techten, wanneer men den kry (wapenkreet) aenheft 



TWEEDE BOEK. 259 

Tware scade dat hi al dinc wist. 
6975 Si sprac : a God guas di , nevelioc ! » 

Mettien si utea crite ginc , 

Ende liet die twee kempen alleen , 

Die saen worden hantgemeen. 

Die wolf quam toe met groter nide , ^"al'vï'öii^i 
6980 Ende ondede sine poten wide , 

Ende waende Reinaert daer in yaen ; 

Maer Reinaert ontspranc hem saen ; 

Want hi was lichter dan hi te Toet. 

Die wolf spranc na hem metter spoet 
6985 Grote sprongen , ende ginc hem jagen. 

Haerre tweer vrienden ende magen 

Stonden buten terijt, ende sagen toe. 

Die wolf screet wider dan Reinaert doe ; 

So dat hi hem afterhaelde saen. 
6990 Hi hief op den poot, ende meenden slaen; 

Maer Reinaert, die hem sach soo bi, 

Sloech sinen rugen steert , dien hi 

Vol had geseict, hem int aenscijn. 

Doe waende blint worden Isegrija ; 
6995 Want die seic ginc hem in dogen. 

Doe moest hi rusten , ende pogen 

Dat hi die <^en daer af reinde. 

Reinaert, die sijn quaetste metmde , 

Ginc doe scrayen in dat mol , 
7000 Ende dede hem stuven die ege» 9o yoI , 

(Alsoot opstoof onder den wint), 

Dat Isegrim wart so sere verblint. 



¥• ft975 Nevelino, neef; doch meer eigenlyk neefkind ^ en téker is 
Reinaert geen Niebeling. — 6977 Kempen, kampstryders. Zie Ktliaeii ; 
doch ook myne uitgave Tao Vah Hsiair , H. 806 , te^. 4. — 6978 Die 
êaen, H. S. die te kani. — 6980 Ondêde, opemde. — 6997 Reinde, 
reinigde. — 6998 Reinaert, die hem hei ergste toedacht. — 6999 Ging 
doen scrabben in het zand. Ry Gumk : Ghinc ataen schrobben in gheent 
mul, en in de prosa: Ghinc bwen winds staen acrahben in dat stof. 



260 REINAERT 

Dat hi alle die were begaf; 

Want dat sant sere elaf 
7005 Metter pissen in dogen, so vele, 

Dattet hem ginc al uten spele. 

Het smerte hem so , dat hi traende. 

Hi wreef, hi wischde. Doe quam gaende 

Reinaert, met groten nide, 
7010 Ende sloech hem drie wonden wide. 

Met sinen tanden, in sine die. 

« Wat ist, beet u daer een bie? 

(Sprac hi) her wolf, hoe sidi daer aen? 

Ie sal u noch anders toe gaen. 
7015 Ie heb noch wat niwes bedocht. 

Gi hebt u droefheit lang gesocht 

Ende u scande : nu hebdise vonden. 

Gi hebt so mennich l^n^ verslonden , 

Ende menich onnosel dier verraden , 
7020 Ende mi gebrocht in groten scaden 

Met onrecht, met valschen treken: 

Dat sal ie nu op u gaen wreken ; 

Want ie ben daer toe vercoren. 

ü oude sonden , van hier te voren , 
7025 Selen u nu recht loon in brengen. 

God en wil niet langer gehengen 

U boosheit, u quaet regneren! 

Ie sal u van als absolveren! 

Het is uwer sielen goet , 
7030 Dat gi hier penitentie doet. 

V' 7008 Die were. Geimm: den hoep (voor die hoep^ de hoop; en niet 
hoep, circalus, als deze uitgever meende). — 7004 Sant, H. S. Sani 
ende dat mul. Claf, kleefde. — 7011 In sine die, prosa in êijn hooft. — 
7015, 7016 by Grimm: 

Beit, ie heb wat niwes versiert: 

Ghi hebt u boosheit so langhe gehantiert , 

Eer ghijt hier toe hebt ghebrocht; 

Ghi hebt u droefheit lang ghesocht. 
— 70a4 Sonden, H. S. verdiente. — 7029 Goet, H. S. groet. 



TWEEDE BOEK. 261 

Weest verduldich in u sneven ; 

Gi en moocht doch niet langer leven : 

U lijf dat staet aen mijn genaden. 

Maer, in trouwen , waerdi so beraden 
7035 Dat gi wout soeken aen mi ootmoet , 

Ende vallen verwonnen voor mi te voet, 

Ie woud u sparen , al sidi quaet ; 

Want mijn consciencie mi raet 

Dat ie niemen en dode gerne. » 
7040 Isegrim waende van desen scerne 

Onvroet te werden , het deerde hem seer : 

Hi en conste spreken, min noch meer, 

So toornich was hi van herten : 

Ende ooc began hem seer te smerten 
7045 Die wonde , die hem Reinaert beet ; 

Want daer tbloet ute liep gereet. 

Hi en docht om geenrehande sake 

Dan hoe hi hem best wrake. 

Met groten nide hief hi op den poot, 
7050 Ende gaf Reinaert enen slach groot , 

Op sijn hooft , dat hi ter eerden vel. 

Doe scoot die wolf berde snel 

Ende waende hem terstont te vaen. 

Reinaert was licht, ende scoot op saen , 
7055 Ende liep hem dapperlike toe. 

Een felle strijt began daer doe , 

Die geduerde langen tijt. 

Isegrim had groten .nijt 

Op Reinaert, soot wel sceen. 
7060 Wel tien sprongen spronc hi na een 

Op hem, ende had hem gerne gevat; 

Y' 7082 Moocht doch, H. S. seït.— 7035 Ootmoet, zachtmoedigheid, 
genade. — 7047, 7048 H. S: 

Hi en docht oïn geen saken dair 
Dan hoe hi moeht wreken sijn swair. 
— 7061 Gevat, H. S, gevaen. ; 



262 REINAERT 

Maer die huut was hem so glat^ 

(Mettien dat hi was so wel besmeert,) 

Dat hem al ontquam Reineert. 
7065 Hi en mocht niet gripen aen sijn yel, 

Ende ooc was hi hem al te snel; 

Wanneer hi hem waende te slaen 

Is hi hem tusschen die been ontgaen , 

Onder sinen buuc, ende sloop so door. 
7070 So liep hi dan weder van Toor, 

Ende gaf hem enen aefschen hou ; 

£nde metten stert sijns pissens dou 

Slpech hi hem in sijn ogen dicken , 

Dat Isegrim wel waende yersticken, 
7075 Ende nochtan dat meeste let. 

Doe hi met pissen so was genet , 

Ginc Reinaert int sant staen scraTen, 

Ende dede hem tstof in dogen draven , 

Op sijn voordeel, metten wint. 
7080 Isegrim wert bina blint : 

Hem docht, hi haddet al te quaet; 

Doch sijn cracht ende sijn dael 

Was Reinaert te groote last. 

Menigen onsadbten tast 
7085 Moest hi van hem ontfaen , 

Als hi hem te pas conde bestaen ; 

Want hi was stère ende groot. 

Menigen beet, slach ende sloot 

Gaven si malcander, daer si mochten; 
7090 Seer nauwe si hem ondersodbten , 

Om elc anderen te verderven. 

Ie woude ie noch een werven 

Sulke campe mocht aensien ! 

' V' 7062 Glaty H. S. glat, ie wam. — 7071 Aefschen hm, ayerecht- 
schen slag. — 7072 Dou, daeuw^ Tocht. — 7075 Let, voor leed. — 
7076 Genet, nat gemaekt, H. S. Immet^ prosa aUoe nat wert* — 7078 
Draven, Grimm waien. — 7080 H. S. Isegrim ieet groie pijn. — 7086 
Bestaen, aenranden, H. S. begaen. 



TWEEDE BOEK. »3 

Ie sagen liever^ mocht mi gescien , 
7095 Dan yan riddren in een perc. 

Die een was listich, dander sterc, 

Deen vocht met crachte, dander met rade, 

Elc pijnde hem om des anders scade. 
Die beste van beiden en was niet goet. 
7100 Die wolf toornde, in sinen moet, 

Dat Reinaert so lange ontstont , 

Ende om dat hi so was gewont 

In sijn twee voeten voren : . 

Reinaert had anders den camp verloren; 
7105 Maer die wonden waren noch so open, 

Dat hi daer qualic op mocht lopen. 

Reinaert mocht beter an ende of. 

Die hem pisse, mul ende stof 

Dicht altijt in sijn ogen swanc , 
7110 Ende maecte hem dat sien so cranc. 

Dat hi duchte voor sine ogen. 

Ten lesten docht hi : « Ie wil mi pogen 

Een ende te maken van desen kijf. 

Hoe lange sal dees loos katijf 
7115 Voor mi duren? ie ben so groot; 

Ie souden billix vallen doot, 

Al en dedic daer toe niet el. 

Ie ben grote scande weert wel 

Dat icken so lange spaer! 
7120 Men sal met vingren harentare 

Na mi wisen, ende houden spot. 

Ie heb noch dat quaetste lot; 

Want ie ben so sere gewont, 

Dat ie bloede als een hont ; 
7125 Ende daer toe werpt hi mi so vul 

In mijn ogen stof ende mul, 

¥• 7095 Riddren, H. S. riden, prosa ridderen. — 7098 Des anders, 
H. S. malcanders. — 7102 H. S. En u?airdatsi so was gewant. — 7107 
Jn ende of, H. S. aenieyde of. -^ 7112 Doekt, H. S. sprac. ^ 7121 Hou- 
den, H. S. maken. 



264 REINAERT 

Ende drenct mi so met pissen, 

Dat ie mijns siens int cort sal missen , 

Laet icken langer Toor mi duren. 

7130 Ie wilt al setten ter ayenturen , 

Ende sien , wat mi gevallen mach. » 
Mettien sloech hi enen slach 
Op Reinaerts hooft , al so groot , 
Dat hi ter eerde neder scoot; 

7135 Ende, eer hi wel op conde staen, 

Heeft hi hem in sinen pooten geyaen , 
Ende hielten onder hem leggen stil , 
Als een , dien doden wil. 
Hi ginc hem persen ende duwen. 
^ 7140 Doe begon hem seer te gruwen 

Ende droeven al Reinaerts magen, 
Doe si hem so onder leggen^sagen ; 
Maer Isegrims magen waren vroe. 
Reinaert weerde hem emmer toe 

7145 Met sinen claeuwen, van onder op, 
Ende gaf den wolf menigen clop ; 
Want hi lach op wart metten voeten. 
Die wolf en dorsts niet wel gemoeten 
Daer op , met sinen seren poten ; 

7150 Maer metten tanden is hi gescoten 
Na hem, als diene verbiten woude. 
Doe Reinaert sach, dattet wesen soude, 
Ende hi waende sijn verbeten, 
Heeft hi sijn vorste claeuwen gesmeten 

7155 Boven in Isengrims aengesichte, 

Ende haelde hem af, wel gedichte, 
Tusschen sijn winbraeuwen al die huut. 

V 7158 PFaende, H. S. ummer. — 7157, 7160 H. S: 

Die haut tusschen- die wijnbraewen zeer lichte ^ 
Ende sijn een oge ghinc uut mede , 
Dat hem herde we dede. ' 

Hi huulde , hi jancte van hertenzeer. 
Sijn vriend, diet sagen, haddens deer. 



TWEEDE BOEK. 265 

Sijn een oge ginc mede uut, 

Dat hem dede harde wee ; 
7160 Hi huulde , hi jancte , ende hi scree, 

Ende dreef jamerlijc misbaer. 

Dat bloet liep hem al neder daer. 
Hi veechde sijn ogen wide. 

Reinaert, die dit sach, was blide: 
7165 Hi worstelde so seer ende wranc 

Dat hi op sijn voeten spranc 

Die wile dat hi sijn ogen vaechde. 

Die wolf, die dit niet wel en behaechde , 

Sloech na hem , eer hi ontgine , 
7170 So dat hi hem in sinen arme vinc , 

Ende hielten vast, ooc hoe hi bloede. 

Reinaert die was doe weder te moede , 

Ende sette hem crachtelic ter weer. * 

Daer worstelde hi so lanc , so seer^ 
7175 Dat Isengrime wies sijn toren, 

Beide van after ende van voren , 

So dat hi alle smerte vergat , 

Ende warp Reinaert onder hem plat , 

Daer hem in misviel wel seer; 
7280 Want sijn een hant , die hi ter weer 

Settede scoot metten val 

In Isegrims kele al. 

Doe waendi wel sijn hant verliesen. 

Isegrim sprac : « Nu gaet kiesen 

Y' 7168 Sijn ogen wide. Grimm sijn ogenpü, — 7164 Grimm: Reineert 
wa$ bli, ah hi sach dit. — 7172 Grimm: 

Den wolf was doe bet te moede ^ 
Doe hem was ghespaelt den boom. 

Waerschynlyk zinspeelt dit op het geval met Bruin in den gespalten 
boom, en zou men diensvolgens moeten lezen : Den beer ivuts bet te 
moede, doe hem was ghespaeh den boom. Vervolgens staet er ook nog in 
het fragment van Van Wtn : Rrinaeti waa ootmoet hier om, — 7182 Kek, 
H. S. hinnebacken. 

34 



266 REINAERT 

7185 Lijt u yerwonnen tot deser noot, 
Of ie sla. di seker doot. 
Dijn stofecrayen , dijn pissen , dijn seeren , 
En machdi helpen, noch weren , 
Noch al dijn treken ; du en cana n^t ontgaen. 

7190 Du hebste mi so yele misdaen , 

Scade ende scande , hier te yoren , 
Ende nu hebbic mijn ooch yerloren, 
Ende ben daer toe soo seer gewont. » 
Doe Reinaert hoorde , dattet met hem stont 

7195 Verwonnen te lien , of den doot slach , 
Docht hi dat aen die core lach 
Wel dusent mare , na dattet hem stoet. 
Nu hi dat een of ander moet 
Seggen, ende hi des heeft stade, 

7200 Wart hi des wel cort te rade , 

Ende ginc met soeten woorden hem an : 
« Lieve heer oom , ie wil u man 
Gerne sijn yan al mijn haye, 
Ende gaen yoor u ten heiligen graye , 

7205 Ende weryen u groot aflaet daer, 
Van allen kerken , yerre ende naer, 
Die daer sijn int heilige lant , 
Ende brengense hier in u hant, *^ 

T* 7186 H. S. O/jTic sol di seker shen doot. — 7187 Dijn stofjeraten, 
prosa: dijn stofte scarren, — 7196 An die core, aen den kèas. De prosa: 
Soe dochte hem die koer wel tkien marck waert ivesen. — 7199 Stade, 
tyd, U. S. scade. — 7200 Te rade, H. S. berade. — 7201 Met soete 
woorden enz. Hetgeen nu volgt heeft groote overeenkomst met eene per- 
sische fabel , de vos en de hyena, gedrukt in The flowers of Persian litte- 
rature, London, 1804, in-4% bl. 219. — 7202, 7208 H. S: 

Lieve beer ende oom ie wil u man 

Ewelic sijn nu voort an, 

Ende wesen heer van al mijn bave. 

— 7205 Groot aflaet, H. S. en prosa: choster wijnnige (Uoosterwinning, 
betgeen men daer in aflaten enz. verdienen kon). 



TWEEDE BOEK. 267 

Voör u 6nde uwer oudren «iel. 
7210 Ie wane dea eoninc nie ea geyièl 

Te biedea al 30 seonen gebote 

Gelije den paeus , onsen eertschen Got , 

Willic u ewelic dienen ende eren. 

Ie wil u hulden , sekeren , ende sweren 
7215 U dienstkneeht ewelic te wesen , 

Ende alle mijn mage brengen tot desen , 

Dat si doen selen al desgelijc : 

So sidi boyen allen heren rijc. 

Wie sal hem tegen u stellen dan? 
7220 Ende al dat ie geyangen can , 

Sijt hoenre, sneppen ^ gansen, patrisen, 

Visch of vleesch , of wat spisen 

Dat mi geyallen mach vore , 

Daer seldi eerst af hebben die cor^, 
7225 Ende u kinder, ende u wijf, 

Eer si mi comen in mijn lijf. 

Daer toe sal ie tot alre tijt 
/ Bi u wesen , waer gi sijt , 

Ende so wel tot uwen liye sien , 
7230 Dat u niet en sal misschien. 

Gi sijt sterc, ende ie heet loos : 

Houden wi ons te samen altoos , 

Deen met doen, dander met raden, 

Ons en sal niemen mogen scaden. 
7235 Wi sijn doch so na geboren , 

Dat wi billix scade noch toren 

Deen den andren niet doen eti souden! 

Ie had node strijt gehouden 

Tegen u , had ics mogen ontgaen ; 
7240 Maer gi spraect mi te camp aen ; 

Doe moestic doen dat ie node dede ; 

V 7212 Eertichen Got, prosa eerschen Fader. — 7218 H. S. So seldi 
wesen een heer van desen rijc. — 7219 H. S. FTie set hem dorren steken 
tegen u danl 



268 KEINAERT 

Doch ie heb hüesschelijc daer mede 
Geleden , so ie tegen u yacht , 
Ie en toonde nie al mijn cracht, 

7246 Op u , als of gi mi vreemt waert ; 
Want, dat die neve den oom spaert 
Dats grote reden ende een wel staen. 
Liéye oom , aldus heb ie gedaen. 
Haddic op u gedragen hat 

7250 Gi haddet veel te quaet gehad. 

Mijn hert en mocht u doen geen quaet , 
Ie en heb u ooc niet geschaedt 
Dat u hindert, in desen strijt, 
Dant ongeval , dat nu ter tijt 

7255 Quam , dat uut ginc u een oge, 
Des ie groten rouwe doge , 
Ende sulken jammer in mijn herte , 
Ie woudic selver hadde die smerte , 
Lieve oom, ende gijs te vreden waert. 

7260 Ie sal soeken , al ongespaert , 

Dat iet u scier sal doen genesen , 
Ende $00 salt u groot voordeel wesen : 
Als gi wilt rusten, ende slaeps gebruken, 
So en hebdi maer een oge te luken , 

7265 Daer een ander moet luken twee. 
Ie sal u noch doen voordeel mee ; 
Want mijn wijf ende mijn kinder, 
Ende miji^ mage, meerre ende minder, 
Selen voor u knielen , ende doen u eer, 

7270 Daert die coninc siet onse heer, 
Ende alle die gi daer bi begeert , 
Ende bidden u dat gi uwen neve Reineert 
Bi uwer genaden wilt laten leven. 
Ooc sal ie mi sculdich geven 

V 7248 So ie, Gmmm hoe wel te. — 7258 Hindert, H. S. d^firt. — 
7268 H. S. AU gi wilt slapen off' rusten dan. — 7264 Luken, H. S. luken 
dan. — 7269 H. S, Selen voor u knyelen door u eer. — 7274 G^even, 
bekennen. 



TWEEDE BOEK. 269 

7275 U scalc ende eigen te wesen altoos, 

Ende ie menedieh ende truweloos 

Tegen u geweest hebbe dic- 

Ooe sal ie seggen, so wat stic 

Dat ie yan u heb geseit, 
7280 Anders dan duecht ende redelijcheit, 

Daer heb ie yalschelic an gelogen. 

Hoe soude enigen heer mogen 

Meer eren gescien, dan ie u biedeP 

Men mocht mi geven grote miede , 
7285 Lieve oom , daer iet om dade. 

Nu neemt in danc, ende werts te rade. 

Ie kenne eindelic, dat gi sout 

Mi nu hier doden , of gi wout; 

Maern wat lage u daer an? 
7290 Gi moest u altijt hoeden dan 

Voor mijn mage, yoor mijn geslachte. 

Ende wat lage u an dese yachteP 

Déerom is hi wijs ende yroet 

Die in sinen toornigen moet 
7295 Hem niet en yerhaest, maer wil yoorsien 

Watter hem na af mach gescien. 

Die yoorsichtich is in sinen toren 

Daer is wijshei t in geboren. 

Menich dwaes , yan heten moede , 
7300 Verhaest hem dicwile in onspoede, 

Daer hem af comt scande ende scade. 

Dan rout hem na , so ist te spade. 

Maer, oom , daer toe sidi te wijs : 

U is beter eer ende prijs , 
, v7305 Gemac, yrede, ende yeel yrienden, 

Dan men u om lachter dienden. 

y 7280 Redelijcheit j H. S. reckelicheit. — 7384 Miede, geselienk, 
belooning. — 7886 PTerts, word des. — 7892 rockte, huid. Wat 
zoudt gy aen myn pek hebben? in 't H. S. machte* In de prosa: Wat 
leyt aen dese hoede ie draghen? — 7897 Voarnchtkh , H. S. toel versijni, 
— 7800 Onspoede, H. S. overspoede. — 7802 Na, naderhand. 



270 REINAERT 

Ende ooc ist luttel eren dat , 

Die yerwoonen is ende mat 

Doot te slaen , maer lachter groot. 
7310 Weder ie léve of ben doot, 

Twaren , dats u een cleine cost» » 

cc Ai, dief, hoe gerne waerstu verlost ! 

Dat hooric wel aen dine tale. 

Du en gaefste mi niet een ëierscale. 
7315 Waerstu van hier op dijn voeten vri , 

Al mochstu geloven mi 

Alle die werelt van goude root , 

Ie en liet di niet uut deser noot. 

Ie acht clene alle dijn magen : 
7320 Ie sal die veete wel dragen. 

Al dattu hier hebste gesjsit 

Is niet dan geveinsde loo^eit. 

Wat, waenstu mi aldus verleden? 

Ie ken di langer dan van heden; 
7326 Ie en ben geen vogel met caf te locken. 

Och , hoe soutstu met mi vocken 

Of ie di dus liet ontgaen ! 

Had een ander dit verstaen ', 

Die niet en kende dijn dasen , 
7330 Du soutsten licht verdwasen , 

Als hi hoorde dijn scone luten; 

V" 7815 Dijn voeten pri, H. S. op dijn tri, welk laetste echter ook 
zeer goed is. — 782ö Caf, H. S. caef. In de prosa: lo ben geen vogel, 
die men met have locken mach, ie kenne toel goede gaerste, ik ken kaf uit 
koren. — 7826 Vocken ^ focken, stooteq, doch hier stoeien; weDc 
laetste een dartelend stoeten te kennen geeft (zie Bilderdtk's Begimek 
der iooordvorscking , bl. 27) ; en dus: Ach hoe zoudt gy met mi lachen l en 
niet: Wie solltest du mit mir ahsegelenl als Grdim dacht. — 7829 Dijn 
dasen, uwe treken ; verwant met het engelsch dash, en met het faire 
daser, vermeld by Hscart, Dictionnaire Rouchi-frangais , p. 144. Kiuaih 
heeft dasen, insanire. De prosa ^ bladz. xxxi recto, stelt daserijen. — 
7881 Luten, op de luit spelen^ H. S. loeyen (loden, lodderen), prosa 
flocken. 



TWEEDE BOEK. 271 

Maer du verliest hier al dijn fluten; 

Want ie versta te wel dijn logen. 

Du hebste mi so die bedrogen 
7335 Dat ie mi voor di wel hoedens behoeve. 

Quade , onrein , lose boeve ! 

Du seggest du heves mi gespaert 

In desen camp? sich herwaert ; 

En is mijn een oge niet uut? 
7340 Du hebste mi mijn buut 

Doorwont, meer dan tot XX steden; 

Du en gaves mi nie so veel vreden , 

Dat ie mijn adem mocht verhalen. 

Ie soude al te seer dwalen, 
7345 Dadic di hier enige genade. 

So menich confuus ende scade 

Hebstu mi altoos gedaen ! 

Maer, dat ie mi meest tree aen , 

Du hebste mijn wijf, vrou Eerswinde , 
7350 Die ie gelijc mi selven minde , 

Bedrogen, ende ooc onneert, 

So dat si blijft gescandeliseert: 

Hoe soudic dit vergeten mogen? 

Wanneer mi dat comt voor ogen , 
7355 So verniewet mi al mijn seer ! » 

Doe docht Reinaert enen nauwen keer. 

Die wile dat hi dus tegen hem sprac, 

Sijn ander bant hi onder stac 

Beneden tusschen sine been , 
7360 Ende grepen, recht alst wel sceen, 

Doe vast bi beide sijn boden, 

Y' 7332 Fluten, H. S. floeyen (flikflooien), prosa floeiten. — 7835 
H. S. Dat ie mi wel kuede voor dijn behoeve. — 7388 Sich, zie! — 7339 
£n iêf H. S. op mij is. — 7348 H. S. Nochtan datmy boven al goei staen. 
•^ — 7356 Nu Yondt Reinaert een fyne tour d'adresse. Het woord nauw 
heeft hier de beteekenis yan naeuwkeurig bedacht, gelyk hieronder Y" 7599 
nauwe vonden, — 7361 Hoden^ H. S. hoeyen , prosa culten , testiculi. 



272 REINAERT 

Ende duwede so, dat hi yan noden 

Wel lude moest criten ende hulen. 

Doe tooch Reinaert uut sijnre muien 
7365 Sijn hant , die daer te voren in stac. 

Doe had Isengrim sulc ongemac , 

Met dat Reinaert hem so sere tooch, 

Dat hi bloet vant persen spooch, 

Ende hem ooc mede sijn groye urijn 
7370 Achter ontgleet van grooter pijn. 

Noch deerde hem veel meer dan dit ; 

Want hem so seer sijn ogenpit 

Bloede, dat hi al verdoofde, 

Also hem tbioet liep uten hoofde. 
7375 Hi storte neder in onmacht. 

Reinaert scoot toe met cracht 

An hem , ende heeften gegrepen 

Bi den cuUen , ende ginc hem slepen 

Langs tcrijt, daer sijt al sagen, 
7380 Ende gaf hem veel steken ende slagen , 

Des Isegrims vriende droeften seer. 

Si gingen ten coninc haren heer, 

Al screiende , ende baden hem menichfDude , 

Dat hi den camp opnemen woude. 
7385 cc Het is mi lief: » Die coninc seide. ^^fiiS.] 

Doe gingen die crijtwaerders beide. 

Die los ende die lupaert , 

Ten crite, ende spraken: cc Reinaert, 

Onse heer, die coninc , wil u spreken , 
7390 Ende wil dit oorlog breken, 

Tusschen Isegrim ende u, 

Ende desen camp opnemen nu: 

Hi bidt u dat gijt hem op geef; 

Y« 7868 Criten, H. S. Briesachen. — 7368^ F'ani persen, H. S. «au 
pijnen. — 7882 Haren, H. S. oneen» — 7886 Crijtwaerders, H. S. 
krijtwachters. — 7387 Las, H. S. os. ~ 7898 Op geef, H. S. op neemi 
fier. 



Bl.4172 




ZuA elèTASOysei^fui. «' CóUtóC^. 






TWEEDE BOEK. 273 

Want ware dat uwer een hier bleef, 
7395 Dat ware scade an elke side. 

Gi hebt die eer van den stride : 

Alle die beste bliven u bi. >i 

Reinaert sprae: c< Danc*hebben si! 

Wat mijn here mi gebiet 
7400 Dat en der ie laten niet. 

Ie en geers niet scoonre dan gewonnen. 

Mijn mage comen hier geronnen, 

Ie wils hem vragen. Dunct u goet? » 

Si seiden: « Ja Reinaert, so doet. » 
7405 Tis reden , dat men den vrienden seit 

Grote saken , daer macht aen leit , 

Ende men des volget haren rade. 

Mettien quam vrou Slupelcade , 

Ende haer man, Grimbert die das , 
7410 Endé vrou Rukenau, die blide was , 

Ende haer twee sustren quamen ginder, 

Biteluus , Yuulromp , haer kinder, 

Ende Harenet , die derde , haer dochter, 

Die vledermuus ende twesel ; daer mochter 
7415 Twintich mteer comen, dant had gedaen 

Hadt Reinaert in den camp misgaen. 

Diet wel gaet crijcht eer ende lof, 

Maer diet misgaet daer vliet men of. 

Niemen en is daer gerne bi. 
7420 Die bever, die otter, ende si 

V 7894 Hier bleef, H. S. bleef kier. — 7S96 Stride, H. S. cride. — 
7897 Al de voomaemsten geyen u gewonnen kamp. Voor beste staet by 
Ganoi meeste. — 7402 Mijn moge. De opnoeming yan de zalven vindt 
men ook in den franschen Renart, I, pag. 837. — 7408 Slupelcade, 
H. S. Shppekade. — 7411 Ginder, H. S. daer. — 7412 H. S. BUeU 
muys, Vuylromp ende haer twee kinder daer. — 7418 Harenet, Grimk 
Hettenet. In het H. S. Harenet haer dochter die derde mede. — 7414 Daer 
mochier, H. S. dair ter stede. — 7415 fl. S. Dat* quamer ttoijntich meer, 
ié waen. — 7416 H. S. Dan off" Reynaert in den camp had gestaen. — 
7418 H. S. Mer diet mysvalt dair vliecht men off. 

85 



274 REINAERT 

Panthecroot ende Oordelgole 

Haer twee wiTen , ende Ostrole 

Die maerter, die bunsine ende tfret, 

Die hermei , die ^el , dat genet , 
7425 Die.muushont, ende dat eenkoren, 

Ende al die ie noemde hier te voren , 

Quamen daer, ende veel meer nochtan , 

Om dat hi dep camp verwan; 

Ja 8ulke ^ die grote clage eerst dreven , 
7430 Waren nu sijn naeste neven , 

Ende toonden hem die meeste gonst. 

(Noch is dit der werelt const: 

Die wel vaert crijgt veel magen , 

Die hem sijn weelde helpen dragen; 
7435 Maer wie noot heeft , ofte liden , 

Yint luttel magen tot allen tiden : 

Si scuwen den wech, daer hi gaet.) 

Grote feest ende blide gelaet 

Dreven si ; men trompte ^ men blies scalmeien. 
7440 » Wel lieve neve! (dat si seiden) 

God danc , dattet aldus is vergaen ! 

Wi waren in groten anxt bevaen , 

Doe wi u onder leggen sagen ! » 

Reinaert dancte al sijn magen 
7445 Ende ontfincse met groter vroude. 

Doe vraechdi of hi den coninc woude 

Den camp opgeven, bi haren rade? 

« Ja, gi neve ! sprac vrou Slupecade,. 

Gi moges hem wel loven met eren. » 

V" 7421 Gbuh: TVantecroot ende Eerdegak.— 7423, 74S( H. S. 

Ende die maerter ende die bunsinck , 
Die hermei , die egel , dat genetkijn. 

— 7425 Muushont, H. S. muyshoom. — 7430 FVaren, E.S*€p kern 
waren. — 7434 Sijn, H. S. die. — 7489 Prosa: Si peepen daer mêt 
scalmeien ende bombarden (bommen?) si bliesen dde Uvmpeiten* — 7448 
Slupecade, H. S. Sluppelcaerde. 



TWEEDE BOEK 275 

7450 Doe gingen si uten crite keren ^ 

Metten orijtwaerders toten coninc» 

Reinaert Toor hem allen ginc , 

Uut genomen die menestrele; 

(Men trompter met groten spele ! ) 
7455 Ende Reinaert knielde voor hem neder. 

Die coninc deden opstaen weder, 

Ende sprac: c< Sijt blide, Reinaert; 

Gi hebt uwen dach met eren bewaert. 

Ie late u quijt ende vri , 
7460 Ende dit gescil houdic an mi, 

Tu8schen u tween, dat wil ie leggen, 

Ende mijn goetduncken daer af seggen , 

Bi rade van minen edelen lieden, 

Ende u dan bi mi ontbieden , 
7465 Teerst dat Isegrim is genesen : 

So lange moetet in vrede wesen. » 

c< Heer, sprac Reinaert , gi moget wel ; 

Maer ie vant hier menich op mi fel, 

Doe ie in u hof eerst quam , 
7470 Die nie scade van mi en nam ; 

Maer om dat hemluden docht , 

Dat men best over mi mocht , 

So riepen si mede om mi te scaden , 

Gelijc mijn vianden daden , 
7475 Ende om dat hem docht , dat Isegrijn 

Bet met u was , dan ie mocht sijn. 

Ander waerom en wisten si niet. 

Si en dochten niet , als die wijsheit pliet. 

Wat ende daer af mochte bliken. 
7480 Here, dese ende al die hem geliken, 

V* 7481 Crijtwaerden, H, S. hnjtwaohtm. — 7460 H. S. Ende geeft 
êU op to Ao»# Q«n my. — 7466 In vrede 4oe$eny RBiintu in dage êfan. 
— 7478 Om mi te êcadeny H. S. over mijn scade. — 7474 Gelyo, H. S. 
aiêo. — 7476 Zj dachten niet gelyk hy, die de wysheid Yolgt. B« S. ak 
dié wise pliet. 



276 REINAERT 

Slachten wel een groten hoop honden , 

Die eens op een yelt stonden . 

Teens heren hoTe , diese had onthonden : 

Si wachten , als die gerne souden 
7485 Eten, of men hem wat brochte. 

Doe sagen si comen, al dat hi modite , 

Enen hont gelopen uter koken , 

Daer hi vleesch in had geroken, 

Ende had een been , daer vleesch aen claf , 
7490 Genomen, eer ment hem gaf, 

Endè pijnde hem daer mede wech te comen ; 

Maer die coc haddet vernomen , 

Ende beliepen , eer hi ontquam , 

Met siedende water, dat hi nam , 
7495 Uut enen ketel in een plateel , 

Ende gaf hem daer mede sijn deel 

After op sijn lenden, eer hi danen sciet, 

So dat hijs hem en bedancte niet, 

Want hi hem so dorbroeide dat vel , 
7500 Dat hem sijn hair al ute yel, 

Ende hem die swaerde al door soot; 

Doch ontquam hi uter noot, 

Ende behielt dat hi daer nam. 

Doe hi bi den houden quam, 
7505 Ende si hem tbeen brengen sagen , 

^ Riepen si : « Dese can hem wel bejagen ! 

Hi heeft den coc wel te vriende. 

Die hem van desen been dus diende , 

Daer so veel vleeschs aen claf ! » 
7510 Die hont sprac : « Gi en weter niet af; 

Gi prijst mi voor, daer gi tbeen siet ; 

Y' 7482 Op een veU, H. S. op eenre meesen (meersclié). ^ — 148S Dieee 
had onthouden f die ze hield. — 7487 E enen hont. Sgboppsr noemt hem 
Nichel. — 7499 Dorbroeide, verbrandde, H. S. door scoude^ — 7801 
Soot^ ziedde, H. S. scwa. *- 7808 Theen, H. S. tvkiech. — 7811 Foer^ 
van voren. 



TWEEDE BOEK. 277 

Maer noch en ssechdi mi after niet. 

Siet mi eens after opten steert, 

Ende pr^st mi dan, of ics ben weert. » 
7516 Doe si hem achter besagen wel, 

Hoe dat hem yleesch ende vel 

Was dorsoden , ende al ro , 

Ende sijn hair uut geyallen also 

Gruwelde hem allen so, vor tsouden , 
7520. Dat sijt ter costen niet en wouden. 

Si en geerdai ooe sijos geselscaps niet ; 

Alle die hoop doe van hem sciet , 

Ende lieten hem yaren , so hi mochte. 

Her ooninc, dus hebben noch tgerochte 
7625 Die losegier, als si sijn heren , 

Ende si crigen haer beg^eren, 

So werden si machtich ende ontsien. 

Nu scatten si desen , nu eten si dien , 

Recht als een Terhongert bont. 
7630 Dese dragen tbeen in haren mont: 

Niemen en dar tegen hem kiyen. 

Men prijst hem al dat si bedriren. 

Elc seit hem , dat si gerne horen , 

Op dat hi blijft onbescoren , 
7535 Ende die sulc, om dat si mede lecken 

Van den ase: so helpen sijt decken, 

Ende onsculdigen haer bose dade : 

Aldus sterken sise int quade. 

Och heer, die gene, die des plien, 

V 7S17 Ro, raeuw, H. S. raeu. — 7518 AUo, H. S. eaelu. — 7819 
F^oar Ucauden , voor het zieden, prosa: voor dat siedende water ^ Gkihm: 
ten sehen stonden. — 7520 Ter costen y tot dien prys. Grihm : dat si in 
die coken. — 7521 Geerden, H. S. wouden, — 7524 Tgerochte, de 
aenklacht. Zie boven V* 6202. — 7525 Losegieren, bedriegers , fransch 
Josengiers. — 7528 H. S. Sy slachten desen, si scattense miitien. — 7580 
Tbeen, Gkihm: isuucbeen (gestolen been? Tan sucken, rapere?) In den 
Usxi Tan bet Hollandsche bandschrifi leest men lager V' 7666 snge beem, 
znigbeen. — 7586 Ase, H. S. hase. 



27S REINAERT 

7540 Hoe luttel si after ten stertwaert sien , 

Data, na teinde. AUt God yerdriet, 

Ende die ayenture langer niet 

Haer regnade en wil gedogen , 

So yallen si neder van den hogen , 
7546 In groter scande, ende in scaden: 

So werden openbaer haer daden. 

Niemen haers lidens dan en yerdriet; 

Men yloectse , mach men hem anders doen niet. 

Sulc wert dan besooren ende bescout , 
7550 Dat hi noch goet noch eer en hout : 

Thair valt hem uut aen beiden siden. 

Dat sijn haer yrienden, die hem ontgliden, 

Die haer boosheit hebben yerhuut 

Recht als thair bedect die huut, 
7555 Ende hebbense onsculdicht ende bedect; 

Maer nu met screden elc yan hem trect, 

Als si haer ondaet moeten becopen , 

Recht als die honden gingen lopen 

Van den bont, die was yersoden. 
7560 Also laten si hem in den noden. 
Lieye heer, dit exempel seldi 

Bi uwer genaden onthouden yan mi : 

Ten sal uwer wijsheit niet scaden. 

Wat waendi , hoe menigen scalken quaden 
7565 Vint men noch erger dan een bont, 

Die tsugebeen dragen in haren mont , 

In heren hoyen , ende in steden , 

Die met onrecht die yriheden 

Ende tgemeen recht yercopen 
7570 Ende overgeven , om dat si hopen 

Daer af te hebben haer genot? 

Alle moetse scenden God, 

V' 7HBS f^erhuuiy verhoed , yërscholen , verduikt, H. S. verhumi kdh 
bm mede. — 7554 H. S. £y dage, by naehie, M alk stede. -^ 7SM Mei 
eereden ^ met groote schreden, H. St eoreyen. 



TWEEDE BOEK. 279 

Die des plegen , wie si sijn;! 

Maer mi , noch den geslachte mijn , 
7575 God danc , en sal mens niet Terwiten. 

Daer af wil ie ons allen quiten , 

Ende des oomen in die lucht. 

Ie en hebbe Toor niemen ducht. 

Reinaert die sal Reinaert bliyen : 
7580 Dat en sal hem niemen afwmen , 

Al haddent al sijn viande gesuoren. 

Her coninc , mijn hert heeft u yercoren 

In ganscer minnen , boTen allen heren , 

Ende nie en woudic Tan u keren , 
7585 Al heeft men u anders doen yerstaen. 

Ie heb altoos u best gedaen , 

Ende voort sal ie, waer ie can. » 

« Reinaert, gi sijt mijn hoofs man, ^n'^ewn 

Van mi beleent als edel baroen ; 
7590 Daerom sidijt sculdieh te doen. 

Ooc wil ie , dat gi Troe ende spade 

Cornet tot minen secreten rade. 

Ie set u weder in al u macht! 

Siet dat gi u yoor misdoen wacht. 
7595 Helpt alle saken ten besten keren: 

Dat hof en mach u niet ontberen. 

Als gi u wijsheit set ter doget , 

So en es hier niemen , die u yerhoget 

Van scerpen rade , van nauwen vonden. 
7600 Ie sal denken , lange stonden , 

Om dat exempel, dat gi mi seit. 

Siet , dat gi alle rechtveerdicheit 

Hantiert , ende mi getrouwe sijt. 

Ie wil voortmeer, tot alre tijt, 
7605 Altoos wercken bi uwen rade. 



V 7876 Anen, H. S. tóel off. — 7577 Lucht, licht — 7880 Aftc 
ven, H. S. connen afwriven. — 7888 Hoofs man, H. S. tkman, prosa 
nuin. — 7898 fVAo^e^^ overhoogt, te boven komt. 



280 REINAERT 

Hi en leeft niet^ die u misdade , 

Ie en sout scerpeUe byer hem wreken , 

Op dat gi laet u quade treken. 

Gi selt over al mijn tale houden. 
7610 Ende in mijn lant Tan als gewonden . 

Alse mijn soverein baeliu : 

Dese officie gevic u , 

Gi moochtse wel met eren ontfaen. » 

Al Reinaerts mage , die bi hem staen, ^^^^ww^i 
7615 Dancten den conine hier af seer. 

Die conine sprac : « Ie soude veel meer 

Doen , dor u allen , dan gi waent: 

Ie bid u dat gi hem vermaent, 

Dat hi mi emmer si getrouwe. » 
7620 c( Seker (sprac Rukenau die Trouwe), 

Dat sal wesen , sijt niet in Tare. 

Ende waert ooc , dat hi anders ware, 

So en waer hi niet van ons geslacht ; 

Ie wouden ooc van alre macht 
7625 Helpen yerjagen , ende sijns missaken. » 

Reinaert dancAe , met huesscher spraken , 

Den conine hier af, ende knielde voor hem. 

« Lieve heer, sprac hi , ie en hem 

Der eren niet weert, die gi mi doet. 
7630 Ie selder om denken , ben ie vroet , 

Ende u getrou sijn al mijn leven, 

Ende altoos sulken raet u geven, 

Alsoot betaemt uwer eren. » 

Hier mede deed Reinaert sijn keren 
7635 Met sinen magen , van den conine. 

Hoort boet met Isegrim verginc : 

V* 7610 Gewoudeny gezag hebben. — 7611 Baeliu, H. S. baelyoe». 
In Reinekb kemeleery kanselier. — 7612 U, H. S. u te doen. — 7617 
Dor, om. — 7618 Gi, H. S. ghijf. — 7622 Dat hi, H. S. dattet. — 
7624 H. S. Ie en wouden o&> krencken mitter machi. — 7625 Miseaken, 
verloochenen. 



TWEEDE &)EK. 281 

Bruun , Tibert <e»de Troa fler^inde , 
Haer Idnder, ende haer jgeiAude 
Haddene uien crite , ttiet errea ende clagen , 
7640 Ende hebbene op een leitier gedragen 
Yaü hoi^ daer Ü warm in ladb. 
Sine wonden men biesach , 
Die men daer i^nt \^1 tijftien. ' 
Daer. «^amen tneeftteps ywi eurgien ,, - 
7646 Bieae Teii)OQden ende meden. 
Hi was «o 'Cnuic rku ^eeien , 
Dat bijt geroeleti hadde verloren; 
Jtfaer si wreken hem met tsmat die oren ^ 
So dat hi van der onmacbl: o&tscoot, 
7650 Ende gaf enen cneet so groot , 

Dattet al T«rscoot, dat bi bem stoet ^ 
Ende waende dat hi was verwoet. 
Die meisier» gaven hem dranc , 
Dat hem sijn bert ^ dat seer was ^ranc , 
7655 Stercte , ende hem w«t rusten dede. 
Si troosten sijn Trienden mede , 
Ende saden ^ faeoi en sou niet letten. 

Doe soeide dat bof; el« ginc hem setten 
Thuus te k^en ^ danen hi was comen. 
7660 Reinaert becA; ooc oorlof gencmien 
Aen den ooninc, ewle sinen wive, 
Die hem baden dat bi niet en büve 
Lange, bi en quame weder bi hem. 
Hi sprac: « Here ende vnHi, ie bem 
7665 Tot uwen gebodé altoos bereit. 
Gebrake u iet, dat ware mi )ert, 

y 7688 H. S. Sijn kynder^ syn magBj ende hoer getind. — 7642 Men 
besach, H. S. die men sach. — 7644 Surgien, Grihh cirurgien. In Rki- 
NIKE heeten ze meesters (ean krummesse, — 7648 Die ernny prosa ^oer 
sine oegken, — 7651 , 7652 in 't handschrift : 

Dat al yerscoot , dat by hen was dair, 
Ende waenden dat hi yerwoet was claer. 

36 



282 REINAERT 

Van dat ic modbt volbringen 

Met lijf^ met goet, met allen din^n; 

Eode daer toe al die yrienden mijn , 
7670 Die selen u onderdanich sijn , 

Tot allen tiden , daer gijs begeert. 

Wi hebben u lief; gi sijts wel weert. 

God geye u lanc lijf met eren ! 

Ie wil tot minen wive nu keren ^ 
7675 Ende tot mijn kindren , of gijs gebiet. » 

Aldus hi van den coninc sciet, 

Met scoonre tale , met groter gonste. 
Die noch wel connen Reinaerts conste 

Sijn wel gelooft, ende liefgetal 
7680 Bi den heren over al ; 

Ist geestelic of werelijc staet 

Aen Reinaert shiut men al den raet ; 

Si crupen al in Reinaerts hol ; 

In sijn baen is al die rol. 
7685 Die stem , die hem doe was gegeven , 

Die is hem ie sint gebleven. 

Hi heeft gelaten een groot geslacht, 

Die altoos risen ende wassen in macht. 

Die Reinaerts kunsten niet en pliet, 
7690 Die en dooch nu ter werelt niet 

In genen staet van machten geset ; 

Maer can hi crupen in sijn net , 

Of heeft hi geweest sijn scolier, 

So moet hi wonen wel hier ; 
7695 So weet hi wel wat daer toe hoort; 

So rijst hi , ende men trect hem voort. 

Van Reinaert is een groot saet 

Gebleven , dat nu seer op gaet ; 

V* 7671 Daer gijs, H. S. ives gi. — 7678 H. S. Die Reinaert noch al 
wel cost. — 7684 Ia zyn rolbaea wil elk spelen. H. S. aen sijn baen is 
al die sol. — 7685 Stem, faam, naem. — 7691 In genen staet, H. S. 
in moet off' staet. 



TWEEDE BOEK. 283 

Want men yint nu meer Reinaerde 
7700 (Al en hebben si geen rode baerde)^ 
' Dan men ie dede hier te voren ; 

Gerechticheit blijft al verloren ; 

Trou ende waerheit sijn verdreven, 

Ende daer voor is ons gebleven 
7705 Giericheit, loosheit, haet ende nijt: 

Dese hebbent al in haer berijt. 

Si , ende haer coninghinne , Hoveerde , 

Regneren nu seer opter eerden. 

Ist int paeus of keisers hof, 
7710 Elc pijnt den andren te steken of 

Van sijnre eren ende stemmen , 
' Ende selve int voordeel te clemmen , 

Met simonien , of met gewelt. 

Men kent te hove niet dan geit : 
7715 Tgelt is daer meer gemint dan God , 

Ende men doet meer door sijn gebot; 

Want wie geit brenct is wel ontfaen, 

Ende sijn begeren sal voort gaen. 

Ist aen heren oft aen vrouwen , 
7720 Tgelt doet plegen veel ontrouwen , 

Ende vrouwen scande bejagen , 

Ende menich valsch getuuch dragen. 

Oncuusheit, loosheit, ende leckernie 

Is nu al spel onder die clergie. 
7725 Ist paeus, of keiser van Romen, 

Si sijn al in Reinaerts orde gecomen. 

Elc meent hem selven, in allen saken. 

Ie en weet wat ende daer af sal naken. 

Elc mensch mach daer wel om sorgen. 
7730 God , dient al is onverborgen , 

Y' nW Berijt, beloop, van ryden. — 7707 Hoveerde, H. S. hcveerdy. 
— 7708 Eerden, H. S. eerden vn. — 7709 /**, H. S. al Ui. — 771* 
Kent, Gwm mint..— 7724 Al spel , E. S. ab sptü. — 7725 GBiui:./t« 
Parije , Avioen of Bomen. 



^m &EINAERT 

Mc^tet op dat beste voegen l 

Hier xnede latic bu Qenoegetx^ 

Wat woudic Teel die werelt bereehten 

Van sakea, die mi self aen yeebteci , 
7735 Daer ie cmdai&e toe af crege ? 

So waert beier, dat ie swege : 

Daerom wil ie dat bileot gliden. 

EIc doe wel ia sinen tiden ; 

Dat i& best sip» seUa profijt ; 
7740 Want na desen tijt en cont genei» tijt 

Dat men oorbaer seaflen mMfa : 

Eic moet sijns selfe dacb 

Verwaren , ende sijn borde dragen. 
Reinaerts vriende^ ende sijn magen 
7745 Namen ooc oorlof aea den ecmine, 

Ende gingen met haren neTetinc, 

Meer dan veerlicb UA eenre somme. 

Reinaert was blidehier omme 

Dat hem so kreet was s|n> steerl , 
7750 Ende hem die conine had so weert, 

Dat hi en. vercooS' tot sinen waè». 

Hi daeht: hier in en stect geen scade. 

Ie mach nu metter macht mijns: heren 

Mijn Trienden heipen, n»jn Tianden deren, 
7755 Ende mijns willen Teel bedriven, 

Ende des al onbegrepen btiTe&; 

Op dat ie sclve wil wesen vroet. 

Ie prij& den conine boTen alle* goet. 

Reinaert ende sijn mage te samen ^^^^^91 1 
7760 Gingen sa lange , dat si quanten 

ToA sijn boreh te Mapefrtbuus^; 

V 7787 H. S. Dair om wil ickei mede liden. — 7740 Grtmm: fFani 
na dit leven, en iêi gheen tyt.. — 77<4i DmA,. toqv smfdiy. — 7743 
Borde, kst, KL &• tooorde, prosa horden^ — Verwaren^ "veraekeven* — 
7747 reertich, Grimh mêück. — 7737 Op êair mid«- -* 77tt8i Grib* r 
Noch prijs ie wijskeit bet dan goet. Zoo ook in Rhhk^ 



TWEEDE BOEK. 28Si 

Daer namèQ si CMMrlof , Tooff sijn hoiis , 

Md Uidea moede, met talen aoet. 

Bjeinaert Tiel hem aUen te noel ^ . 
7765 Ende danetese Triendel&eD: aeer, 

Der groter gunst y der groter eer, 

Die si hem deden tn s^nre noot* 

Sinen dienst hi cèkea hoot 

Met Ujf ^ met goede ^ of sijs begeerden. 
7770 Hier mede bfocht: hise te Teerden ^ 

Ende sciel vs» hemu Elc ginc te siifioi. 

Reinaert ghic tot yrou Hermetiiien, 

Die hem blidelie ontfine. 

Hi vertoochde haer aEe dine^ 
7775 Dat hem te hove was gesciet. 

Een woort eet liet hijs after duet. 

Hier af was Hermdiaie Tra, 

Ende haer kinder ooc also^ 

Dat haer Tader dus wais Terhereo. 
7780. In groter hliscap. dat si bleTen, 

Reinaert, srjn w^f , endie sijn kinden 
Wie u Tan Reinaiert meer of minder 

Anders seide, dan gi hebt gehoort. 

Dat sijn al geTeinsde woort ; 
7785 Maer, dat gi hebt gelesea hier boTen 

Van hem, dat moochdi wel geloTen. 

Dies niet gelooft, ist wijf of man, 

En is niet ongeloyich nochtan. 

Doch sijnder Teel lude, hadden sijt gesien, 
7790 Hem soude min twiyelen Tan dien. 

Het sijn Teel dingen gesciet 

Die men gelooft, al en sach men se niet; 

Ooc sijn figuren ende bispele 

Die geyonden , ende geseit Tele , 
7795 Die nie en waren , noch nie en gescieden , 

V' 776S Moede, H. S. aenachijn. — 7770 Te veerden, H. S. oen 
veerden, ter Taert. — 779S Bispele, yoorbeeldcn. Als boven Y* 181. 



286 REINAERT 

Maér om exempel allen lieden 
Te geven , daer si bi souden leren 
Doget te doen, ende quaet te keren. 
Licht mocht also hier af wesen , 

7800 So wiet wel verstaet int lesen. 
Al ist som boert , men vinter in 
Wise lere , ende goeden sin , 
Dat hem' licht sal baten mogen: 
Daer en is niemen goedes in belogen. 

7805 Het is int gemeen gebrocht yoort: 
Elc tree hem aen , dat hem toe hoort. 
Is daer ooc iet in misset P 
Diet beteren can, die maket bet, 
Ie weets hem danc. Wie in sijn maken 

7810 Sijn best doet, en is niet te laken: 
Maer, wie alle dinc wil berichten , 
Wie sonde hem iet willen dichten? 
Doch wie dit gedicht laet , als bijt vint , 
En misdoet tegens mi niet een twint. 

7815 Hier neemt einde Reinaerts historie. 

God geve ons allen die hemelsche glorie ! yf SJ^.J 

y 7796 JOen, H.S. anderen. — 7798 Keren, Gkimm ontberen. —7803 
Sal baten mogen, H. S. wel baten mocht. — 7804 Belogen, H* S. bedochi» 
Niemand, die goeden braef is^ is er in belogen. 



BYLAGEN. 

I. 

na0^l)rtft in ))(t t)oUanlr0^t)f )$anWl)rtft 

Na int gemein Yint men certein;» 

Die Reinaerts se Nu volgen me, 

Al sonder saec. Ie geef die wraec, 

Hoe dattet ga , Den heer hier na , 

5 Dien coninc fijn , Die alle pijn 

Sal rechten dra, Bi sinen ra. 

Dees Reinaerts nu Dien sijn niet ru, 

Als Reinaert is j Maer sijt des wis , 

Het syn alre Wi menschen Ie , 

10 Als ie yersta, Die uten pa 

Gedwaelt sijn snel: God brengse wel, 

Tsi cort of lanc , Int hemels sanc ! 

NOTA. 

Elc merc en soec in sinen sin , 
Dubbelt Tint men sijn naem daer in , 
15 Diet boec screef, int yoorgedicht: 
Soecten wel, gi yinten licht. 

II. 

\>an in €onc\tnüm^ j^imaect ap J^^jginm ïrm lOolf (i). 

Conciensie en wetic waer soëken: 
Si es so bedect in allen hoeken, 
Dat si haer niegerinc (2) en openbaert. 
Selc helst (8) anderen ende gebaert 

(l) Dit stuk en de twee Tolgende fabels zyn getrokken uit een handechrift yan wylen 
den Beer Var HvLnm , geschreTen op papier omtrent het jaer 1400. Zie Mon's An- 
Meiger, 1834, bl. 299 en Tolgende. — (2) Nergens. -^ (3) Omhelst. 



288 BYLAGEN. 

6 Of sine soude in den boesem steken. 
Moeste lii ovtdeeken div yahcfae treken, 
Die sine conciensie binnen heeft, 
So en es dier, dat nu leeft, 
Negeene, dat meer tontsiene ware 

10 Dan die dief^ die mordenare, 
Die so looslic grijnt ende lacht , 
Wies conciensie na moofdaet wacht. 
Hier op hebbic een bispel vonden. 
Isegrim , de wolf, qüam tenen stonden 

lö Daer XX weders (1) tere rote 
Stonden, in dinde van enen kote, 
Daer die berde (2) was af gaen eten , 
Ende hadde hem selven so vergeten, 
Dat hi tkot al open liet. 

20 Ende alse Isegrim inwaert slet , 
Sprac hi aldus , in sijn latijn (3) : 
<( Vrede moet met u allen sijn! >» 
Gelijc alse of bijt meende goet. 
Doe sprac deen weder, daer hi stoet: 

25 God geve hem Cayms godsat, 
Den berde , die onse kot vergat 
Openbaer, doe hi van ons ginc! » 
Isegrim te hemwaert vinc 
Dat woort, en vragede opter stat: 

SO « Of hijs dor sinen wille bat? » 
Die weder seide^ « Neen ie niet; 
Maer al so wel mochte sijn gesciet. 
Dat hier viande waren comen. 
Die ons hadden tlijf genomen , 

S5 Al en hebben wijs niet verdient, 

Alse gi , her Isegrim , die sijt vrient. » 
Elc hier jegen sine meninge sprac. 
Wat die munt seide «nde vertrac , 
Dat en meende therte niet. 

40 Al wast dat bine vrient biet, 
Therte meende jegen die sprake , 
Al soademen hangen an enen stak«. 



(1) Rtnanen, liaaek. — (2) fierder. — (3) XmI. Eaer ^«bnulBelyk by de oneen noor 
Émlf Uk het «Igcnw»!. Zoo «predki snUan St^éym in l'Mimêée te tffamfarfe MkiaifO-* 
Si Ie salue en mm hfin {FaHiaus ei c<mie$,l , p, 61). 



(t) 9chiier. 



BYLAGEN. 289 

Al wast dat Isegrim tier stede 

Metten monde seide vrede, 
48 Hi meendese alle te verworgene. 

Dinde daer af was so te sorgene, 

Ende gaf hem den vare so groot, 
• Dat elc voren ten kote uut scoot. 

Die gene , die daer tlijf ontdroech , 
80 Dochte , hi Kadde te sorgene genoech. 

Daer en was ooc geen, in dat vlien. 

Die weder omme dorste sien 

Omme den andren , wat men hem dede. 

Dit was ene jammerlike vrede. 
88 Wie Isegrim ter kelen quam. 

Te hant hi hem dat leven nam. 

Selc die vloot van vare op den tas (1) ; 

Ende selc ander, die daer was, 

yioo int huus achter den oven , 
60 Ende selc quam int huus gestoven. 

Selc liep averecht ter neder: 

Dus ronnen si voort ende weder. 

Dwijf , daer si sat bi den heerde , 

En sach niemen so verveerde 
68 Als dese waren , daer ie af rime. 
Ach arme , wat sijn nu Isegrime 

Meer, dant noit waren, op enen dach! 

Donnosele en vinden geen verdrach, 

Ende den herden sijn vele doot, 
70 Die leefden , doe men die kote sloot. . 

Lettel leefter nu van dien: 

Waer selen donnosele mogen vlien? 

Si horen die Isegrimen hleeten 

Gelijc lammeren ende geeten, 
78 Daer conciensie, meer noch min ; 

Der onnoselheit en es in. 

Men en toont nu niet dat es in therte, 

Yoor men die proie heeft hi den steerte. 

Dus sie iet nu ter werelt gaen. 
80 Hier [siet men] sceren , ginder blaen 

Donnosele, ende uten vliese steken. 

Hets ionsiene, Got en salt wreken, 



S7 



290 BYLAGEN. 

Meer dan meni gewroken siet. 
Recht gelove , ende anders niet , 
85 Geve ond God, voor onse doot! 
Segt amen, vrant vtri hebbens noot. 

ffl. 

tian iien \)0b tttint mn ien ïlOoit 

Het geviel tenen tiden 

Dat die vos sonde liden 

Bi enen velde, daer hi binnen 

Groot bejach van vetten binnen 
5 Hadde gehad , veilen eer ; 

Daer sach hi, bi enen ommekeer, 

Besiden in een meengat (1), 

Waer Isegrim de v^olf sat, 

Sijn oom , over sinen steert (2) , 
10 Ende sach in, ten velden vreert, 

[Vele] scape ende swine te samen/ 

Ende die berde, diere vraer namen, 

Stonden daer uter maten vele. 

Doe sprac Reinaert, te sinen spele, 
15 Als hi geswegen hadde een stic : 

« Segt mi, oom, es u dit quic (S) 

Bevolen , dat bier binnen geet? » 

«Neent, Reinaert, dats mi leett 

Waret mi bevolen, ie souts te bet 
20 Hebben iet, vtrant hets vet. 

Bi den ontaer vrandelt, bi den outaer leeft. 

Maer daventure , diet al geeft , 

Ende daer hem elc geneert bi, 

Es verbolgen so op mi, 
25 Dat ie en weet mi wies beloven. 

Mijn ongeval is emmer boven , 

Werwaert dat ie mi bekere, 

Ende mijn gelnc es so sere 

Verscnut (4) , ende vorvlnchtich , 
80 Al ware ie noch al so duchtich , 

Als ie was noit eer, 

Ie en achterhalet nemmermeer. 

(l) Gemeene doorgang. — (2) Zie RBinimT» V« Ö23. — (3) Vee. — (4) OfeüBcbawd, 
schuw (schouw) gemaekt. 



BYLAGEN. 291 

I 

Ic ben een ongeyallk^ dier. 

ReuMiejrt, neve, dat mogedi hier 
85 Merken, wildijt verstaen. 

'Siedi geen seaep daer buten staen. 

Allene 9 daer die craie op sit (1)? » 

u Ja ic oom, wat deert n dit? 

Wildi berechten (2) al dat gi siet? » 
40 « Reinaert neve , neen ic niet ; 

lo segt bi minen ohgevalle. 

Satic daer op, si souden alle 

Op mi roepen, die mi sagen ^ 

Husschen (S) , ende met honden jagen , 
45 Ende souden wanen ende sorgen, 

Dat iet al te hant yerworgen 

Soude, ofte al geheel yerslicken. 

Reinaert neye, so moochdi micken (4) 

Hoe mijn geluc hem strecken can. » 
50 «Dits waer, oom, ende nochtan 

Esser ane een ander dUic. 

Doe gi waert een jongelinc 

Hier Tormaels, in uw eersten comen^ 

Haddi in dogeden toegenomen, 
55 Alse gi inder quaetheit doet, 

U ware comen alle goet; 

Maer neen gi niet, dats openbaer: 

Gi hebt u met dieften, tote haer, 

Ende met roTO geneert al. 
60 Wie waendi, oom, dan, dat ,u sal 

Dogeden ofte goets betrouwen? 

Niemen, oom; want die n scouwen (5), ^ 

Wanen al hebben yerloren: 

Ende des en dorfdi nijt noch toren 
65 Dragen op u ongeyal: 

Het doet u quaet geruchte al, 

Daer gi lano in hebt geweest* 

Oom, en weetti niet wat men leest 

In sheren Salomoens gedichte: 
70 Tgoet gerucht prijst, beter gichte 

(l) Daer die craei op eii. De kraei, anders geiegd Sint-Hartens vogel, was heil en 
onheil ToorspeUend. Zie boven in RxramT Y« 1047, en vergelyk Guhh's, Deutsche Mytho- 
logie, bladxyde 657. — (2) Berichten, te recht wyxen^ de beteekenis uitleggen. — 
3) Uitjouwen. — (4) Herken. — (5) Zien. 



292 BYLAGEN. 

Of lijclieit groot; ende bi desen 
Est goet in goeden geruchte wesen, 
Ende in goeden name; ende noohtan 
Es menich onbekennich man 
75 In eertrike, dat ie duchte, 

Die rijcheit core Toor goet gerdchte. 



Dan entn tubaevlut (i) jenlr^ van tam Dos n^ina^rlr^ 

Een liebaert seide tenen stonden 

Dat hy met eyele (2) ware gebonden, 

So dat hi wandelen niet en mochte. 

Doe ginc hi liggen in sine hagedoehte, 
5 Daer hi onlanc was allene. 

Daer qaamen diere, grote ende clcne, 

Die den liebaerde gingen clagen. 

Daer quamer, linnen YII dagen 

Meer dan LX bi getale, 
10 Ende, onder grote onder smale (8), 

Hasen, wolyen ende beren 

(Daer hem die liede af yenreren), 

Reen, herten, ende hinden. 

Men mocht daer van allen yinden, 
15 Eyere, lupaerde ende simmincle (4), 

Die qaamen nut menegen wincle (5) 

Daer gegaen, met groten sere 

Den liebaert clagen, haren here; 

Maer noit en keerder een leyende weder: 
20 Hi yerbeetse ende warpse neder, 

Ende at yan eiken sijn geyoech. 

Al liggende had hi spi$e genoech. 

Daer qnamen alrehande dieren, 

Beide soete ende ongiere (6), 
25 Sonder aUene die yos Reinaert (7) ; 

Maer nu es hi [op*] die yaert. 

(1) Leeuw. Hen Tergelyke deze fabel met clie yan den kranken leenw in Gmnni's iltftn- 
hart fucha, h\, 432, en met die yan Ia FoRTAnm, livre YI, 14, en yan de andere fabel- 
•chryyers opgenoemd by RosstT, Fdbles inédites, II, p. 36. — (2) Ziekte. — (3) Kleine. 
— (4) Apen (simmen). — (ö) Hoek. — (6) Wrccdc. — (7) Zie RimittT V« 60. 



BYLAGEN. 2tö 

Reinoert hoedde hem herde we); 
Want hi kende den Jiebaèii fel: 
Hi peinsde Tele nauwer treken, 
30 Ochte hi den liebaert wilde spreken , 
Die met eyele was beraen, 
Alse hi den dieren doet yerstaen. 

35 « Gaet, claechtene, het es goet. 

Quaemsture niet, een erel moet 
,Ware di van hem gereet! 

Segt [hem*] u es sijn evel leet. » 
Dns gihc Reinaert met cranken wille. 
40 Onderwilen stont hi stille; 

Hi leet bi menegen sconen houte (1); 

Hi ginc al vederende sine bonte, 

Als ene die luttel hueren (2) nam, 

So lange tot hi ten liebaerde quam. 
4S Doe bleef Reinaert buten der dore 

(Die veel qiiaets can ter core); 

Hi maecte sijn lenen ane die herre (3), 

Ende hielt hem Tan den liebaert yerre. 

Tierst dat hi den liebaert sach, 
50 So ontboot hi hem goeden dach, 

Ende seide: u Here, bi sente Martijn, ' 

Uwe sieoheit heeft mi leet gesijn (4). 

Ie hebbe gelopen teser wilen 

Meer dan groten YII milen, 
55 [Om] dat ie u wilde comen sien. » 

« Reinaert, goet moet u gescien 

(Sprac doe weder die liebaert)! 

Gomt al luttel innewaert. 

Met evele ben ie sere bedroeft ; 
60 Gomt te mi, ende hout mi thooft: 

Ie hope ie salre bi genesen. » 

Reinaert 'sprac: « Dan inaoh niet weifen, 

Here, dat soude ie node doen : 

Ie hebbe nu te hant een hóen 
65 Gevaen, in enen nauwen pat, > 

Ende ben so utermaten satf 

(1) Bosch. — • (2) Haergeld: spreekwoord, zinspelende op dienstboden, die in eten en 
drinken yergoeding zoeken voor geringen huerloon. — < (3) Hy leunde tegen de harre 
van de deur. — (4) Geweest. 



294 BYLAGEN. 

Qaaniio vote u, het soade u daieü. 

Rust Uf dftt gi wel moet Taren, 

Ende houdt u sonder yele callen. 
70 Quamic voor a gi mocht Terralleii. 

Ende waert dat a van mi misquamey 

Wi soudens beide hebben blame; 

So sondie itioeten ramen dlant. 

Gi selt genesen al te hant. 
75 Houdt u als een yroet ma^; 

Want ie gene fisike (1) en can. 

Maer u siecheit es mi leet : 

(Sprao Reinaert, die Tan buten steet): 

Mijn gedachte ende mijn minnen 
80 Leggic aen hanen ende aen binnen , 

Daer ie mijn lijf omme wage; 

Maer ie hebbe nu in desen dage 

Vernomen 9 dat mi al mijn lede 

Beren , ende mijn herte mede. » 
8S « Lieve Reinaert, wat es dat? » 

« Here, hier gect (2) een groot pat 

Die dese dieren hebben getreden 

(Also moet mi God beTreden!) 

Die souder twiyel ende waen 
90 Al tenen gader inwaert gaen ; 

Maer luttel esser weder comen. 

Dies wanhaecht mi Tan hem somen, 

Daer so starke diere sijn bloTen. 
' Dub heeft mi God den sin gegCTcn 

95 Dat ie u naerre (8) niet en ginc. » 
Die hem Terstoede op dese dino, 

Ende sinen sin daer an woude keren, 

Hi souder exempel goede bi leren. 

Die hem castijt (4), hi es yroet , 
100 Bi saken die een ander doet; 

Ende die castijt hem sonder pine; 

Dat es dagelijcs in scine. 

Dies niet en doet dat hi misraeot. 

Hier af hebbic dit dicht gemaect. 
lOS Reinaert wijst wel, ^Ter toI, 

Dat die liebaert in sijn hol 

(l) (leneeskunst. — - (2) Gaet. -^ (3) Meer nader. — (4) Onderricbt, spie^^elt. 



BYLAGEN. 295 

Verbetexi badde dandre dieren: 

Hi sacht ooc wel an sijn manieren, 

Ende ane die pat , die inwaert ginc. 
110 Hi lipedde hem jegen dese dinc. 

'Men siet gevallen al den dach 

Dingen, dat hem dlc man mach 

Wel casfien, diet gevroedde» 

En hoorde hoe hém Reinatirt hoedde? 
115 Die hem den wech hadden gemaect, 

Die waren scamelic ontraect. 

Om dat hi sach dit misgaen, 

Bleef Reinaert bnten die dore staen, 

Daer hi hem castide sachte, 
120 Die noch bi Reinaerts vite wrachte, 

Hi mochtet leren, waer hi vroet. 

Wanneer dat hier ene misdoet 

Daer mochten hen si hondert hi 

Castien wel, gevroeddens si. 

V. 



1. SpeokeN) in een hemdschrift der XI V^ eeuw, mt de Biblio- 
theek vcm den Heer Van Hulthem : 

Als twee Reinaerde worden ghecoren 
Te scependomme, ende hebben gesworen 
Trecht te houden van ere stede , 
Ende dan ghevalt enen onvrede 
Tnsschen harer beider maghen , 
Ende elc den sinen wil overdraghen. 
Die dan mocjite horen die akette (1) 
Die si daer voert bringhen bi wette, 
Ende diere den sin toe wonde keren , 
Mochter Reinaerdie ane leren. 

Al es een man wel metten heren 

Hi sal hem hoeden voor Reinaerts keren ; 

(1) Kn«/iv«ïtfto. 



296 BYLAGEN. 

Want hets meer Reinaer^e twnren 

Dan men noit sach oppenbaren; 

Daer bi, gfai edele lantsheren, 

En laet gkeen recht voer u verkeren , 

Alse men claghe Tore u doet; 

Yerstaet selye en sijts Troet. 

Die valt, die meest heeft misdaen 

Dat si claghen eerst bestaen, 

Ende haren vrienden maken eont 

[Anders] dan der waerheit gront. 

Die ghierege sijn worden spilde » 
Die vrecke die sijn worden milde, 
Die ghevers die sijn worden ghier. 
Die heileghe kerke es persemier (1), 
Voorcoop ende Symonie, 
Thoet (2) der heren Reinardie. 

2. Ghemeene duytsche Spreekwoorden^ Adagia oftProverbia 

ghenoemt. Seer ghenuechlick om te hsen, ende ook pro^ 
fytdyk om te weten alUn den gheenen die der wyslick 
willen leren spreken ende sch/ryven. Cctmpen by Peter 
Waaiiersen, 1550, 12» (3). 

Tis te laete, seide die vos, doe was hy mit den stert int ijs ver- 
vroren. 

Niet om mynentwille , seide die wolf, mer die schapen sijn noch- 
tans goet in die weyde. 

Daer en is niet goets mede, seide die wolf. 

3. JoANm Sartorii Adagiorum chilicfdes tree. AntverpiiB^ ex 

officina Joamnis Loei, 1561, 12® : 

GHaiAS ranu: 

De wolf ende de ghier sijn vergadert. 

Quadrat in pariter imprcbos, qui muiuiê infer êe fallacii», 9%, aut rapaciiate 
amtendunt Noairate» autem lupem decertaie vulgo diount cwn wUiure. 

(1) Woekerend.— (2) De hoede. — (3) Zie Viim\ AnMiger, 11834, bl. 196. 



BYLAGEN. ^97 

Vossen met vossen Tangen. 

Hoc estj cum astufo Oêtutiiê agere, Hoiatiüs: Ifunquam te fallant animi $ub 
wtXpo latenteê, 

Ick ben an den ram ghecoppelt. 
Een oudt wolf is wel geniclit gewoon. 
Een Terholen schat, wat is dat? 
Tis quaet oude vossen te vanden. 

GlUJAS SICülfBA: 

Wy snllen daer op slacn als die boeren op den wolf. 
Daer de coe Bartel beet (Ubi cervi abjicinnt cornua.) 
De wolf ]^pt noch na tscbaep soe bem de siel uutgaet. 
Tsijn roode vossen [goudgeldstukken]. 

GHIUAS TBRTIA : 

Wat is ten boof dat meeste quaèt? 
De pluymstrikende vos met synen raet. 

4. T Mergh van de Nederlcmdsche Spreekwoorden^ wacmn 
H. L. Spiegels By^spractkx almanach. Amsterda/ni, voor 
D. P. Pers, 32^ (Waerschynlyk gedrukt in 1606, als 
zynde de zondagletter voor dit jaer er in aengewezen op 
de volgende wyze : Dit ü *tjaer 1606 Ay 1607 G, enz.) 

De wolf eet wel getelde scbapen. 

Lam, lam, is des wolfs vesper klok. (Zie boven bL 161.) 

Den sla^nden wolf loopt geen schaap in den mont. 

Die by de wolven is, die moeter me huylen. 

T'is qnaat vossen met vossen vanghen. 



298 BYLAGEN. 

Men roept geen ezel dan om zakken te dragen. (V* 57 15) 

Als d'ezel te wel is , soo gaet hy opt 't ijs dansen, en breeckt 
een been. 

De wolf Terandert zijn bayr, maer niet zijn aart. 

Hoe ouwer tos , hoe scbalker, maer niet beter. 

Honger drijft den wolf nit 't bosch. 

Om kleyne saak bijt de wolf bet schaap. 

Rossen baart was noyt goeder aart. 

Vossen moet men met vossen vanghen. 

5. J. De Brure's Nieuwe wijn in oude leer^zacken, bewy- 
xende in spreekwoorden 't vernuft der menschen^ ende 
H geluck van onze Nederlandsche taele. Middelburgh , 
by Z. Roman, 1636, 18o: 

Wanneer de vos de passie preeckt 

T'is tijd , dat ghy uw gans versteeckt (1). 

De vos moet dickwÜs, zonder eten, 
Den honger met den slaep vergheten. 

Een onde vos, en wel ervaren. 

En comt geen tweemael in het garen. 

Beter in de ryser-zanck. 

Als in d'yzer-clanck , 

Beter, daer de cniyden groeyen 

Als in d'yzer boeyen. (Zie V» 8469.) 

Terwijl de herders twisten 't saem 

De wolf het schaep haelt uyt den braem. 

(l) In België zegt men gewoonlyk : 

AU de ¥08 de passie preekt 
Boeren, wacht uw ganzen ! 



BYLAGEN. 299 

Twee wolyen eten wel een lam 

Daer nyt nochtans noyt twist en qaam. 

Geen vos men oyt zoo snood en vont 
Of snooder noch men vinden kond'. 

De vos die vaert dan alderbest 

Als hy vervloeckt wert, als de pest. 

Qnade hoed 

De wolven voedt. 

Terwijl de wolf wat beters wacht 
Zoo wordt hy oud, en zonder kracht. 

Men zal te hoof gheen ezels daghen 
Dan als er zacken zijn te draghen. 

Om dat de vos te vele wisi 

Heeft hy wel eens zijn steert ghemist. 

De hongher drijft den wolf ny t 't bosch , 
En uyt zijn hol den snooden vos. 

De wolf is aen den wolf ghewent, 
Want d'eene wolf den andren kent. 

T moet zijn een winter koud en wreed 
Als d'eene wolf den andren eet. 

Men paeyt gheen onde lien met loghen; 
Een onde vos wordt niet bedroghen. 

De wolf, die hoenders eet en bijt, 
Die is gbeworden heremijt* 

De vos , eens in den strick verhanghen , 
En wordt noyt wederom ghevanghen. 

Hy gaet niet in zijn zaken los, 
Het is ghewis een snoode vos. 



300 BYLAGEN. 

Die met wolven Teel Terkeert 
Heeft het huylen haest gheleert. 

De wolf Terliest zijn tanden wel; 
Maer niet zijn aerd, dan met zijn yel. 

De wolf naer Roomen gaende , om prijs, 
Liet Tan zijn hair, niet van zijn wijs. 

Men moet 't serpent met anders hand 
Uyt d'haghe trekken met verstand. 

Tis quaet den leenw te scheren. 

De wolf en zal geen zielen eten. 

De wolf en eet den winter niet. 

Verdeelde hanen eet de tos. 

De mensch is d*andren mensch een wolf. 

Allenghskens eet de wolf het schaep. 

Elck gaet nn by den tos te school. 

Hy heeft den wolf by d'ooren Tast. 

6. C. Tüinman's Oorsprong en uitlegging vcm dagelj/ks ge^ 
bruikte Ned&rduitsche Spreekwoorden. Middelburg^ 1720 
en 1727, twee deelen in-4<» : 

Met eenen Tossensteert geesselen [meer streelen dan slaen]. 

De TOS en kraen hebben malkanderen te gast. 

T'is niet om mynentwil , zei de wolf, maer om mijn schamele 
moer. 

Achter in 't Teen, zei de tos , zijn de beste weiden , niet Toor 
my , maer TOor de ganzen. 



BYLAGEN. 801 

Haenbroer sprac tot zijn hennen : 
Elk moet tiéh. zelven kennen. 

Góéden dag^ a allen , zei de tos ; doe qoam hy in 't ganzenkot. 

TÏB een Ysegrim. 
Hy ziet er uit , of liy van Grimbergen was. 
Hebt gy met TOssen te doen, let op uw hoenderkot. 
Hy draeit zich de strop om den hals. (V* 1203.) 
Hy slaet er op als op den beer. 
Hy is in den beerenhijt geweest (1). 
De wolf neemt zyn kans waer, als de hond slaept. 
Daer steken Teel ezels in eenen tos aUeen. 
Hoe erg de apen zyn , zy kunnen de TOssen niet bedriegen. 
Aep, wat heb je schoone jongen! (V* 6965.) 
De TOS wil een kluizenaer worden. 
De woorden zyn goed , zei de wolf, maer ik kom in 't dorp niet. 

Het past hem als den hond de worst. (V* 104.) 

(1) Beerenbüi, looTeel ab beerenmael (ontbyt): Hy heeft slagen opgedaen. Vergelyk 
V«28w 



302 BYLAGEN. 

VI. 

ROMAN DE RENART. 

(Êdition de fttoir , tome II , pag. 1—61.) 

6i tmvxe IXtnavt contra 0run li €)ur6 ïtn miiU 

PiRBoz qui sou engin et s'art 
9680 Mist en vers fere de Renart 

Et d^Tsengrin son cliier conpere, 

Lessa Ie miez de sa matere: 

Quant il entr'oblia les plez 

Et Ie jugement qui fa fez 

En la Cort Noble Ie Lion , 

De la grant fornication 

Qne Renart fist qui toz max ooye, 

Enyers Dame Hersent la Lore. 
Ce dist Testoire es premiers vérs 
9660 Que jk estoit passez yvers 

Et Faube-espine florisoxt, 

Et que la rosé espanisoit 

Et prés fd de FAcension , 

Que sire Noble Ie Lyon 

Toutes les bestes fist yenir 

En son pales por Cort tenir. 

Onques n'i ot beste tant ose 

Qui se tardast por nule chose 

Qu'ele n'i viengne bastivement, 
96?0 Fors Dans Renart tant solement, 

Le mal laron, Ie sodoiant 

Que tuit li autre vont buiant, 

En encusant devant le Roi 

Par son engin , par son desroi. 

£t Ysengrin qui pas neF aime, 

Deyant toz les autres se claime 

Et dist au Roi: biax tres doz sire^ 

Car me fait droit de Favoutire 

Que Renart fist a m'espousëe 
1680 Dame Hersent qu'ot enserrée 

A Malpertuis son fort repere 

Quant il a force a li TOst faire. 



BYLAGEN. 303 



A force K fist-il li roos» 
Dolenz en sui et corofons > 
Et conpissa toz mes LoviaXf 
Icist gieux ne fd mie biaf • 
Renart prist jor de Fescondire 
Qu'il n'aToit pas fait TaTOatire. 
Quant li Saint furent apporté, 
Ne .sai qni li ot enorté, 

1690 n se retraist mout tost aiiere» 
Si se feri en sa taisnière. 

Quant TEmperere oi Ie Leu, 
Si li respondi' comme preu: 
Ysengrin lessiez ce ester, 
Vos n'i porriez liens conquester 
A ramentoToir vostre lionte: 
Mnsart sont.li Roi et li Conté, 
Et cil qui tiennent les granz Gors 

9700 Deyiennent cous, hui est li jors. 
Onques de si petit domage 
Ne Tirge fere si grant rage ; 
Tele est cele ovre a escient 
Que li pariers n'i vaut noient. 
Dist Bruns li Ors, biau tres doz sire, 
Jk porriez assez miex dire. 
Ysengrin n'est ne morz ne pris. 
Se Renart a vers lui mespris, 
Que bien n'en puisse avoir Tanjance, 

9710 Ysengrin a bien tel puissance, 
Se Renart prés de lui manoit 
Et por la pès ne remanoit 
Qui noTclement est jurée, 
Que ja Ter» lui éust durée; 
Hais TOS estes Prince de terre, 
Si metez pais en ceste guerre, 
Metez pais entre vos barons, 
Cui TOS barez nos Ie barrons, 
Et maintendron de Tostre part. 

9720 S'Isengrins se plaint de Renart, 
Faites Ie jugement séoir, 
C'est Ie miez que puisse Téoir: 
Se Tuns doit a Fautre, si rende. 
Et dou meffét tos pait Famende. 



804 BYLAGEN. 

Mandez Renart a Malpertnn, 
Jel' amenrë se je Ie trois, 
Puis Faprendron k oortoier 
Se TOS m'i Tolez enToier. 
Sire Bruns, dit Bmianz li TorSj^ ' 

97S0 Mal-dahez ait sans Tostre oon 
Qui ja conseillera Ie Roi 
Qu'il praingne .amende da desroi. 
De la hoDle et del avoatere 
Que Renart fist è sa comnere. 
Renart a fait tante moleste. 
Et conchiëe tante beste , 
Que ja nas ne li doit aidier. 
Conment Ysengrin doit plaidier 
De chose qai si est aperte 

9740 Et cognèae et descorerte» 

De moi sai-je qae qae nas die, 
Se cil qui tot Ie mont conchie , 
Renart icil manyès lechierres, 
Cil roas pnanz, cil ons trichieiTes , 
East ma fame en sa baillie, 
Contre son gré Téost saisie. 
Ja Malpertais nel' garantist, 
Ne forteresce qa'il féist , 
Qae je ne Fëasse e&Goillië 

9750 Et puis en an conpeis jetë* 

Hersent, dont tos Tint en oorragé, 
Certes ce fa moolt grant folage 
Quant Dant Renart cil fox gar9ons 
Yos entra onqaes es arcons. 
Sire Bruiant, dist li Tesson, 
Cist max, se nos ne l'abesson, 
Porra encore assez monter , 
Qa'a teus porra Ie mal conter 
Et bien espander et essaucier 

9760 Qai nel' porra pas abessier. 
Et pais qa*il n'i ot fc^oe fete, 
Ne buis brisié ne triTe frete, 
Se Renart Ie fist par amors, 
N'i afiert ire ne clamors; 
Pie9a qae il l'aToit amëe 
Ja cele ne s'en fiast clamée, 



BYLAGEN. 306 

Se fait réiiBt; mès par mon chief 

Ysengrin Ta trop prig en grief 

Voiant Ie Roi et son bemage. 
9770 Gart YseDgrin k son domage, 

Se li vessiax est empiriez 

Et par Renart mal atiriet 

Le vaillant d'utie nois de oodre. 

Prés sui que je li face soldre. 

Puis que Renart sera venos 

Le jugement en ert tenuz, 

Mès c'est del miex que je i sent, 

Le blasme soit Dame Hersent. 

Hai ! quel clamor et quel plet 
9780 Vos a hoi Tostres mari fet 

A tantes bestes regarder! 

Certes on vos dëast larder, 

S'il TOS apele bele suer, 

Se jamès li portez bon cuer, 

Il ne TOS crient ne ne resoigne. 

Hersent rougist, si ot vergoigne. 

Que tot le poil li Ta suant: 

Lors repondi en soupirant, 

Sire Grimbert, je n'en pais mès, 
9790 J'amasse micx assez la pès 

Entre mon seignor et Renart, 

Voir qni en mol n'ot onques part 

En tel maniere n'en tel goise , 

Si que j'en feroie au jaise 

Oa de firoide eTe ou de fer ebaat. 

Mès mon esoondire qne Taat, 

Lasse, cbaitiTe, malostrue, 

Quant je ja n'en seré crëue? 

Par toz les Sainz que Ten aeare 
9800 Et se Dame-Diex me seceure , 

Onques Renart de moi ne fist 

Que de sa mere ne féist. 

Por Dant Renart ne di-ge mie 

Ne por amender sa partie, 

Q'autretant m'est que de lui face, 

Qui que Taint ne qüi que le bbeè, , 

Con il m'est d'un cbahlon asnin, 

Mès je le di por Ysengrin 

89 



306 BYLAGEN. 

Qui de moi est si irès jalox 

9810 Que tot jors «'en caide estre cox. 
Foi que je doi Pincart mon fil, 
Ouen Ie premier jor d'avril 
Que pasques fa, si con on dist, 
Ot dix anz qu'Isengrin me prist: 
Nos noces furent si plenieres 
Que nos fossez et nos 'lovieres 
Furent de bestes issi plaines, 
Yoire certes que k grant paines 
Péussent tant voie trover. 

9820 Ou nne oie péust cover. 
iA deving-ge loiale espose, 
Ne m'en tenez pas & mentose, 
N'a soignant ne a beste fole , 
Or rerendrë k ma parole. 
Qui me Telt croire si me croie, 
Et si Toil bien que chascun m'oie: 
One, foi que doi Sainte Marie, 
Ne fis de mon cors puterie 
Ne meffet ne malvez afere 

98S0 C'une none ne poist fere* 

Quant Hersent ot sa reson dite 
Et ele se fu escondite, 
Thimers li Asnes qui l'oï, 
Dedenz son cuer moult s'esjoï, 
Qar or cuide tot k estros 
Que Ysengrin ne fust pas cos; 
Hai! fist-il, gentil barnesse, 
Car fust or si loiax m'asnesse, 
Et Chien et Leu et autres bestes, 

9840 Et totes fames con tos estes! 
Qant TOS en aTcz tant jure 
Tout m'en aTCz aséuré. 
Jamès ne tos en mesquerrai 
Tel sairement tos en ferai : 
Qar si me jEace Diex pardon. 
Et il me doint troTcr chardon 
Qui soit tendres en la pasture. 
Que TOS n'éustes onques cure 
De Renart ne de son deduit , 

98S0 Ne de s'amor, si con je cuit. 



BYLAGEN. 307 



Mes li siecles est si maTès, 
Si mesdisant et si pugnès, 
Qu'il tesmoingne ce qa*il ne Toit 
Et blasme ce que loer doit. 
Hid! Renart li forsenes, 
De male hore fassiez-T09 nez 
Et engendrez et concéuz, 
Qant vos jè ne serez erëux! 
Or ert la norele espandue 

9860 Que Hersent ayiez croissue, 
Ele en velt ei fere joïse 
Conques par li ne fu requise. 
Hersent l'oï , mais ne dist rien , 
De respondre se.garda bien, 
Ain9ois se taist, si ne dist plus. 
Vos savez bien tuit corre sus 
Celui qui ne se puet rescorre, , 
Tuit li autre li corent seure. 
Grimbert li Taissons se leva, 

9870 Se il puet Renart aidera, 

Queses cousins germains estoit: 
Devant Ie Roi venuz est droit, 
Son cbapel oste, si s'escout, 
Seignor, fait-il, taissiez-vos tout. 

Ha! gentil sire debonere, 
Car metez. pès en eest afere, 
Et s'aiez de Renast merci, 
Fessiez Ie moi amener ei. 
Et 9a venir a sauveté 

9880 De quanqu'Isengrin Ta reté: 
Tele amendise li fera 
Con vostres Cort esgardera; 
Et se il Fa fait en despit, 
Le hardement et Ie despit, 
Que il n'est pas venu k Cort 
Amendera ains qu'il s'en tort. 
li Connins est sailliz avant, 
Et dit au Roi, par Saint Ama^t, 
Messire Thimers dit raison, 

9890 L'amende desor nos prendron. 
Se sire Renart le Gorpil 
En estoit cbacié en essil 



308 BYLAGEN. 

Por Ysengrin ne por Hersent, 
Ge n'iert pas Irien, mkn eseient. 
Faites Renart k Cort mander 
Et s'Ysengrin li set qae demander 
Je cuit que bien s'escusera 
De qanqae li demandera, 
Se il a è Hersent mesfait 
9900 Ne en paioie ne en £iit ; 
Se Renart par force è li jat 
Je ne ooit pas qn'il s'en parjurt, 
Car monlt par est prodons Renart. 
Entre moi et frere Bemart 
L'Arceprestre qae yéez oi 
Le pleTirona -vostre merci , 
Si TOS plaist, si en ferons pais. 
Or parlerez oar je me tais» 
Sire , ce respont la Gomille , 
9910 Onques ne vos ait Saint Gile, 
S'il vos piest et vos conmandeC; 
Se ja Renart i esl mandez 
Hai ne demain, se il n'i vient, 
Après demain se il s'en tient, 
Fetes le a force amener^ 
Et pais tel liyroison doner 
Dont il en après se recort. 
Ge dist Noblesy vos avez tort 
Qant Renart volez forsjagier: 
99S0 Tel oz poez-vos Inen rangier 

S'aucan de vos me mene orgneil , 
Ge méismes li pent a Foeil. 
Renart ne hé-ge mie taat 
Por riens qa'en li voist sas metant; 
Qae je le voille encore honir 
S'il se vek a mcH obi^ir. 
Ysengrin , prenez cel joise 
Qae vostre &me vtm devise. 
Se vos lasoher ae Feu volez, 
99S0 JeF eapvendraim Ha! «ire, estec, 
Se Hersent porsait le joSse, 
Et ele «oit arse et efprise, 
Tex le saara qoi or neF s^, 
Lies en sera qoi or me het; 



BYLAGEN. 809 



Lors dirontril tot a estrox^ 
Vez ei Ie cox et Ie jalox: 
Miex me Taottii, selonc Ie plet 
Soffrir la hoate qu'el m'a iet 
Tant qae je m'en puisse yengi^r:, 

9940 Mès ainz c'on doie vendengier 
Cait-je Renart moToir td genre 
Ja nel' garra ne clef ne serre, 
Ne mar ne foseë deffensable* 
Or dist Dant Nobles, aa déable 
Por Ie ener bleu, sire Ysengriiiy 
Prendra jè yostre gerre fin. 
Cuidiez i tos rien gaaingnier, 
Renart mater ne engingnier? 
Foi que je doi Saint Lienart, 

9950 Je connois tant les arz Renart, 
Plas tost TOS pnetril fere anoi, 
Honte et damage que tos Ini. 
D'antre part est la pès jnrëe 
Dont la terre est assorée ; 
Qai Fenfraindra, s'il est tenuz, 
Moalt mal 11 sera aTeniiz. 

Qant Ysengrin oi Ie Roi 
Qni de la pès prenoit conroi, 
Monlt fa dolenz^ n'en sot que fere, 

9960 Ne s'en set mès a qad chief trere: 
A la terre entre deas escfaames 
S'asiet sa qeae entre ses james. 
Or est Renart bien aTenn, 
Se Diex li ëost porrëa 
Q'en tel pcnnt aToit pns li Rois 
L'acorde maugré as irois 
Que ja prëist la gerre fin 
Entre Renard et Ysengrin, 
Se ne fiist Chantecler et Pinte 

9970 Qai a la Cort Tenoit soi qinte 

DoTant Ie Roi Jie Renart plaindre. 
Or est li lens gnés k estaindjre, 
Qar sire Ghanteoleer li Cos 
Et Pinte qni. pont les oés gros, 
Et noire et Uanebe et la rossete 
Amenoient nne eharrete 



310 BYLAGEN. 

Qui endose ert d'ane cortiae. 
Dedenz giswt une geline 
Que Ten amenoit en litiere 
9080 Fete autresi con une biere. 
Renart Tayoit si ma menéè 
Et as denz si desordenée 
Que la cuisse li avoit frete. 
L'ame del oors li avoit trete. 
Qant li Rois ot jugié assez , 
Qui de plaidier estoit lassez, 
Et les Gelines maintenant 
Et Ghantecler paumes batant, 
Pinte s'escrie premeraine 
9990 Et les autres a une alaine: 

Por Dieu, font-eles, gentix bestes 
Et chiens et leus si con tos estes, 
Qar conseilliez ceste chaitive, 
Moult hé Feure que je fui vive. 
Mort, qar me pren, si me delivre, 
Qar Renart ne me lesse vivre: 
Cine freres oi ja je mon pere , 
Toz les menja Renart li lerre; 
Ce fu grant perte et grant dolors. 

10000 De ma mere oi quatre serors 

Que yirges poules, que meschines, 
Moult i avoit beles gelines: 
Gonbert de Fresne les paissoit, 
Qui de pondre les enpressoit; 
Le las! mar les i engressa, 
C'onques Renart ne Ten lessa 
De totes quatre qu'une soule, 
Totes passerent par sa goule. 
Et TOS qui ei gbez embiere, 

10010 Ma douce suer, m'amie chiere, 
Con TOS estiez tendre et grasse! 
Que fera or Tostre suer lasse 
Qui a grant dolor tos regarde? 
Renart, la male flambe t'arde? 
Tantes foiz nos aTez folées 
Et chaciées et tribulëes, 
Et descirées nos pëlices , 
Et enbatues jusq'as llces: 



BYLAGEN. 311 



Et hier maia derant ma porte 

lOOSO Me jeta-il ma seror morte. 
Pais s'enfoi parmi un yal; 
Gonbert n'ot pas isnel cheyali 
Ne ne tot a pië ataindre* 
Je me voloie de lui plaindre, 
Mès je ne trois qui droit m'en face , 
Qar il ne oriënt nule menaoe 
N'autre coroz yaiilant deus soles. 
Pinte la lasse a ces paroles 
Chéi pasmée el pavement, 

lOOSO Et les autres tot ensement. 
Por rjclever les quatre dames 
Se leyerent de lor eschames 
Et Chiens et Leus et autres bestes, 
L'eye lor gietent sor les testes. 

Qant revienent de pasmoison, 
Si conme en escrit Ie troTon, 
La OU li Rois virent séoir 
Se laisent a ses piest chaoir; 
Et Ghantecler si s'agenoille , 

10040 De ses lermes les piez li moillo. 
Et qant li Rois vit Ghantecleer, 
Pitié li prist du bachelor, 
Un soupir a fait de parfont, 
Ne s'en tenist por Tor du mont* 
Par mautalent drece la teste, 
One n'i ot si hardie beste, 
Ors ne sangler qui péor n'ait 
Qant lor sire sospire et brait: 
Tel péor ot Coarz li Lieyres 

lOOSO Que il en ot deus jors les fieyres* 
Tote la Cort fremist ensemble, 
Li plus hardiz de péor tremble, 
Conques n'orcnt coroz greignor, 
Qant brair^ oïrent lor seignor. 
Par [mautalent fo coue dresce, 
Si s*en debat par tel destresce 
Que tote en sone la meison. 
Et puis fa tele sa raison. 
Dame Pinte, dist TEmperere, 

10060 Foi que je doi Fame mon pere 



31i BYLAGEN. 

Por qai je ne fis aamöstie hui , 
Moolt me poise de Tostre anui, 
Mais je Ie cuit bien amender; 
Que je ferë Renart mander 
Si que a yoï eulz Ie Terfok 
Et a ¥08 oreiQes orroiz 
€on grant venjance en sera prise, 
Qar j'en Toil fere grant justise 
Du grant ontraige et del desroi. 

10070 Qant Ysengrin oï Ie Roi , 

Isnelement en piez se dresce : 
Sire , fet-U , e'est grant proesce , 
Moult en seroiz par tot loez 
Se vos Pinte vengier povez 
Et sa seror dame Copée 
Que Renart a si esclopée* 
Ge nel' di mie par haine , 
Ain9ois Ie di por la meschine 
Qu'ü a morte, que je ne face 

10080 Por chose que je Renart haoe. 
Fait TEmperere, biax amis, 
Moult grant duel m'a-il el cuer mis; 
Ce n'est or pas Ie premerain: 
A vos et a toz les forain 
Me plain-je si con fere sueil. 
Del avoltire et del orgueil 
Et de la honte qn'il m*a fete, 
Et de la pès qu*il a enfrete. 
Mès or parlons d'autre parole, 

10090 Sire Bruns, prenez une estoie. 
Et vos, sire Bruiant li Tors, 
Gommandez Fame de eest eors; 
IA sus enmi cele costure 
Me fetes une sëpouture 
Entre ee plain et ce jardin, 
Si parleron d*autre Martin. 
Sire , fait Brun , vostre plaisir. 
Atant va Testole saisir, 
Et non mie tant solement, 

10100 Mès li Rois el eommencement 
Et tuit li autre dou concile 
Ont oommeneiëe la vigile. 



BYLAGEN. 813 

Sire TarcUs U LiBi«9098 

€hanta por cele tvoi» le^om» 

Et Roonisix ehwta li ^er», 

Et il et Brichemers li Cer», 

Et Bran li Or» dist Toroiaoa 
. Que Diesc gart r«me de próoa* 
Quant la ve^e fo ebantëe 
10110 Et ce Tint & la matiBée^ 

Le cors porter^oüt eatarrer; 

Mès aincois le firent serrer 

En un rnonk bel yessel de pion, 

Ains plus. riehes ne vit nua hon, 

Puis Fenfoirent sqx uu arhre 

Et par deaoft inibtrent un inarinre, 

S'i ont escrit le non la dame 

Et sa vie et oonmandé s'aine , 

Ne sai a ci^el o« a greffe , 
lOlSO II ne serrirent pas de beSe, 

Ains ont eaerU une espitnce 

Desoz od arbïQ en une place; 

Ci gist Copée «»er Pintain, 

Tot eiiMai Fatorna hui main 

Renart qui Qbasoun jor empire, 

En fist as de»i^ si grant martire , 

Que lors véiat Pintain plorer, 

Renart maudire et deviwrer. 

Et Chanteder les pie* cstend^e, 
lOUO Moult grant pitié Ten péust prendre. 
Qant li deb iu nn poi leasies 

Et il fu del tot abessm, 

Emperere> iont li baron 9 

Qar nos Tengie% de oei gloton 

Qui tantes guika noa a fete» 

Et tantes pèa noa a enfretes» 

Moult Tokmtiera, dist l'Emperere> 

Qar m'i akz, Bron viax dox frere, 

Vos n'aurei ja de lui regart, 
10140 Dites Renart de moie part 

Q'atendu Fai trob jors entlens. 

Sire, dist Br^Ln, moult Tolenti^a., 

Aiant' se met en Fambléure 

Parmi lè val d'nne eostnre , 

40 



314 BYLAGEN. 

Que il ne siet ne ne repose* 
Lors avint è Gort une chose 
Endementiers que Brun s'en ret, 
Renart empira moult son plet, 
Qar mesire Coart li* Lieyres , 

lOlBO Qui de pëór trembloit les fievres, 
Deus jors les ayoit ja ënes , 
Merci Dieu or les a perdues 
Sor la tombe Dame Gopée : 
Car qant ele fu enterrëe, 
One ne se volt d'iloc partir, 
Ain9ois dormi sor Ie itnartir. 
Et qant Ysengrin oï dire 
Que ele estoit vraie martire, 
Dist qu'il ayoit mal en Toreille: 

10160 Rooniax qui bien Ie conseille, 
Sor la tombe gesir Ie fist, 
Lors fu gariz si con il dist ; 
Mès se ne fust bone créance 
Dont nus ne doit ayoir dotance, 
Et Rooniax qui Ie tesmoingne, 
La Gort cuidast ce fust mencoingne. 

Qant a la Gort yiht la noyele, 
A tiex i ot qu*ele fu bele, 
Mès a Grinbert fut-ele lede 

10170 Qui por Renart parole et plaide 
Entre lui et Tybers Ie Ghat. 
S'or ne set Renart de barat, 
Mar est bailliz, s'il est tenuz, 
Qar Brun li (hs est ja yeiiUK 
A Malpertuis Ie bois entier 
Parmi Fadrece d'un sentier: 
Por ce que grant estoit son oors . 
Remanoir Fcstut par defors, 
S'estoit deyant la barbaqane. 

10180 Renart qui tot Ie mont engane, 
Por reposer s'est tret ariere 
Enmi Ie fonz ile sa tesniere; 
Garnie ayoit mouït bien sa fosse 
D'une geline grasse et grosse^ 
Et s'ayoit mengië a matin 
Deux beles cuJBses d*im poucin: 



BYLAGEN. 315 



Or se repose et si se aise. 
Atant es-ves Bron a la haise , 
Renart, fait-il, parlez a moi, 

10190 Je sui Bnm mesagier Ie Roi, 
Issiez 9a fors en ceste lande, 
Si TOS dirë que il vos mande. 
Renart set bien ce est li Drs , 
Reconnéu Favoit au cors: 
Lors se conmence k porpenser 
Conment son cors porra tenser; 
En grant paine est d'estndier 
Conment Ie pnisse conchier. 
Bron , fet Renart , biax doz amis 

10200 En moült grant paine tos a mis 
Qni 9a TOS o fet avaler t 
Ge m'en devoie Ik aler 
M ès qn'éusse mengië ancois 
D*an merreillens mengier franfois 9 
Qar, sire Brons, tos ne saTex, 
L'en dit k Gort, 01 FaTez, 
A riohehome qant il i TienC, 
Gariz est qui ses manches tient , 
Premiers Tient li bueis ans ailléi, 

10210 Après reTient li aatres mès 
Qant li sires les paet aToir; 
Mès poTres bons qoi n'a aToir^ 
Si est de la merde au déable, • 
Ne siet a feu, ne siet k table, 
An9ois menjut sor son giron. 
Li chien li Tiengnent enTiron 
Qui Ie pain li tolent des mains» 
Une foiz boiTent, c'est del inains» 
Ne jè c'une foiz ne beTront, 

10320 Ne jè que un seul mès n'auront» 
Les os lor gietent li gar9on, 
Qni plus sont sec que Tif cbarbon. 
Ghascun tient son pain en son poins, 
Qar tuit son feru en uns coins. 
Et li seneohal et li quea 
De tel chose ontlor seignor peu 
Dont li larron ont grant plenté ;. 
Qar fussent^il ars et Twté, 



316 BYLAGEN. 

Sa char lor emblent et les pains 

10S80 Qa'il enTOÏent a lor pntains. 
Por tel afare con go di, 
Biau sire , avoie dès mardi 
Mon lart et mes pm aones 
Dont je me sid desjéonez, 
Et s'ai bien meiigié deus denrëes 
De novel miei en £rosohes rees* 
Nomini Pastre GhristaM fit^ 
Dist li Orsy par ie cors Saint Gil , 
Cel miei 9 Renart, dont tos abonAef 

10S40 Ja est-ce la chose da moade 

Qae Ie miex ains et plus desin^ , 
Qar m'i menex, biaa tres doz 4are9 
Por Ie cuer biea la moie cope. 
Et Renart li a fet la lope 
Por ce que si tost Ie de^oit , 
Et li ciiaitis ne s'apargoit, 
Et il li trempe la oorroiob 
Bron, fet Rtenart, se je savoie 
Que je troTasse en tos fiwrae 

10280 Et amisties et aUance, 

Foi que je doi mon fix Royel, 
De eest bon mi^ frès ét novA 
Vos empliré enmi ie tentre, 
Qar au dedtns «i oon Ten «ntre 
El bois Lanfiroi Ie fwraslier 
Qui mouk est orgueiUeus et fier, 
Qar se je ivte o tos aloie , 
Et de Tostre «fise me penoie> 
Tost m'en fertei ttSBid part. 

10S60 Qu'aveiHros dit, sire R^art? 
Me mes<»^éex-Tes dont de rian? 
Oïl. De qnoi? Ie Ie «ai bien , 
De traiiM>B) de felonnto* 
Renart) or «sMse déMie 
Quant de lel «bese me liMdilM. 
Non fai| ore en soiettot qitites, ' 
Ne TOS enpoti Msl tsnel nomge, 
Vos atea dreiit, qar par IVnnage 
Que & Dut Nobie Ie lion 

10S70 One n'oi tcvs "wa entMscien 



BYLAGEN. 317 



D'estres tnHres ne lariohierres ^ 
Ne envefv vod eètre» beisieiveKl, 
Ge n'eii qoier autfe ftureté» 
Ge m'en ia«t A iros^e boiitrf« 

Qanque Bihm ^elt ftenart otroie. 
Atant se metle&t è la Toie, 
Oaques n^i ot resfid lèkiti 
De si a tant ipi'U sont tenu 
£1 bois Lanfroi li forestier : 

10280 La s'aresterent li de8tri«r« 

Lanfroi Ie bois soloit V6iidr>e, 

Un chesne ot comttiénGié a feiidire; 

Deus ooins de ekiesne tot etitiem 

I aToit mi li fbrestiers* 

L'un des cqitis si avoit Duit pendito^ 

Et Fautre aprè» por Ie mieoit léndl^e. 

Bnm, fait Remard, biaK Ao% ainis, 

Vez ore ei que t'ai proftiii»; 

lei dedenz est la ehastoite , 

10S90 Or del me&gier, puid if&üB boit^t 
Or as bien trotté ton avel. 
Et Bmn i mist Iers aon miksel - 
El chesne et les deus piee dttani, 
Et Renart Ie vet sos levattt 
Et adrecier en contremo&t , 
En sas se tret, si Ie semont. 
Cuivers, fet*il, ovre k bonche, 
A poi qne la lange n'i toocbe ; 
Filz a pntaiü) ötre la gole: 

10800 Einssi Ie cofiehie et af<^e. 
Mandite soit sa vie tote, 
Jnsqu'a nn «tt n%n trefiftdt ^iOy 
Car n'i avoit ne miei ne fée* 
EndementieM» que Bfun bée, 
Renart a les eoins enpoigüiê^ 
Et a grant paine desooigniett^ 
Et qant li coins fiftrent ostë$ 
La teste Brun et li odsté 
Forent dedem Ie ohesne encilo*» 
10810 Ore est li las eki tnal tepiA, 
Estraiiii Ie enir et liete baat, 
A poi ^èü «aerft 116 li fettt: 



318 BYLAGEN- 

Moult Tayoit mis en male presse. 
Renart qui jk n'en ait confcMe , 
Qui onc ne fist bien ne aumosne* 
De loing esta, si Ie ramposnet 
Brun, üedt-il, jel' savoie Inen 
Que queriez art et engien. 
Ja de cel miei Be gosteroie ; 

lOSSO Mès je sai bien que je feroie 
S'one autre foiz l'avoie a fere: 
* Moult estes ore deputere 

Qant de cel miei ne me proiez. 
Hai! coume conduiries 
S'estoie en une enfermetë. 
Et con seroie a sauyeté! 
Vos me leriez poires moles* 
Atant es-vos a ces paroles 
Sire Lanfroi Ie forestier, 

10880 Et Renart se mist au frapier. 

Qant Ie yilain yit Brun l'Ors pendro 
Au chesne que U deyoit fendre, 
A la yile s'en yet Ie cors. 
Harou! harou! fet cil, k TOrs! 
ik Ie porrons as poins tenir. 
Qui lors yéist yilain yenir 
Et fremier par Ie boscage , 
Qui portent tinel, et qui hache, 
Qui flael, qui baston d'espine, 

10840 Grant pëor ot Brun de s'eschine. 
I>eyant lui yient Hurteyilain 
Et Joudome trouse-putain. 
Et Baudoin porte cuirie 
Qui ..•• sa fame par derriere», 
Girout Barbete qui Facole, 
Et un des fiuz sire Nicole f 
Et Trosse-anesse Ie puant 
Qui por la moche ya üoiant. 
Et Corberaut de la ruelle, 

10880 Le bon yoidéor d'escuelle, 
Et|Tig6rins Brise-Fouace , 
Et li fil Tieger de la place 

Qant rOrs ot des yilains la rage. 
Premist et pense en son eorage 



BYLAGEN. 319 



Que miex li vient Ie musel perdre 
Que Laufroi Ie péust aerdre, 
Qui derant Tint i une hache. 
Taste et retaste et tire et sache, 
Estent les piaus, rompent les vaines: 

10S60 Tant a sachié que a grant paines 
Fent li cuirs et Ia teste qasse, 
Mès del sane i lessa grant masse, 
La piau des piez et de la teste : 
One nus ne yit si lede beste. 
Le sans li ooule del musel , 
Entor son Tis n'a tant de pel 
Dont Ten péust fere une borse. 
Einssi s'en va le filz a FOrse , 
Parmi le bois s'en vet fuiant, 

10S70 Et li yilain le yont huiant; 
Goubert le filz sire GiUain, 
Et Hardouin oope-yilain, 
Et Faimber et le filz Galon, 
Dant Helyes le niez Faucon 

> Et Outrant li cous de la Glee 

Qui sa fame ayoit est^anglée; 
Tigiers li Forniers de la yile 
Qui ot un enfant de Poufile, 
Et as premiers Brise-Faucbile 

10880 Et RoceHns li filz Nancile, 
Et le filz Ogier de Ia plaee, 
Tuit li yienneut a une tracé; 
Et misire Hubert Grospet, 
Et le filz Foucbier Galopet. 
Li Ors s'enfuit hors de la noise. 
Et li prestres de Ia parroise 
Qui f ui peres Martin FOrliens, 
Reyenoit d'espandre son fiens: 
Une forche tint en ses mains , 

10890 Si le feri parmi les rains, 
Par un pou ne Fa abatu, 
Moult Fa bledié et confondu. 
Gil qui fet pingnes et lantemes. 
Si ataint FOrs entre deus cbesnes 
D'une eorne de buef qu'il potte ^ 
Li a tdte Fescbine tqrte. 



320 BYLAGEN. 

Et d'aatrea TÜaiiu i ot tant 
Qui as tinda Je Toni batant. 
Que a grant paine s'en esduipe. 

10400 Or est Renart en male trape 

Se Bnm li On Ie paet alaindre; 
Mès qant il Foi de loing plaindre. 
Si s'est mia parmi une adrece 
A Malpertaifl sa forteroce 
Gil U ae crient osl ne agait. • 
Au trespafltor que Brnns a fut 
^ Li a Renart dens gai& kmeiez» 

Bmn, estes-^vos bien avancies, 
Ce dist Renart^ ddi miei Lanfiroi 

10410 Que TOS ayes mengié sant moi? 
Yo^tre male fbi tos parra, 
Gertes il vos en mesoharra 
Que jè n'anrez è Ia fin prestre. 
De quel ordre Toles-vos estre 
Qui roge chaperon aves? 
Li Ors estoit si adolez 
Qu'il ne li pot respondre mol^ 
Fuiant s'en "ret plus que Ie trot: 
Encor quida chaoir es mains 

10420 Lanfroi et as autres TÜains. ^ 
Tant a alé esperonant 
Que denden^ Ie midi sonant 
Est revenui en la chariere 
Oü li Lion tint Gort pleniere* 
Pasmë chai ea payeiUoiis 
Do si haut con il estoit lona. 
De si n'aporte nule oreiUe» 
La Cort s'en aeigne è grant merrèilfe : 
Dist li Rois, Bruns, qui ti'a ce fet? 

10480 Laidement t'a ton ohapel tret. 
Par poi qu'il nel' t'a eacuissié. 
Brun i a tant del sanc lessié 
Que la parole H failli: 
Rois, fet*il, si m'a mal-baUli 
Renart oom vos pove« véoir, 
Atant li vet as piei chaoir. 

Qui lors vëbt Ie Lion braire, 
Par mautalent ses crins detraire 



BYLAGEN. 321 

Et jurer la Tie et la mort: 
10440 Bron, fet li Rois, Renart fa mort, 

Ne cuit qfaatre merci en aies, 

Mès par la mort et par les plaies 

Je t*en feré si grant Tenjance 

QvLon Ie saura par tote France. 

Ou eztes-vo8, Tyberz li Ghaz? 

Alez moi a Renart yiaz, 

Dites moi Ie rox depataird 

Qu'il me viengne en ma Gort droit faire , 

Si n'i aport or ne argent, 
10480 En la presence de ma gent, 

Ne parole por soi de deffendre , 

Mès la hart a sa gole pendre. 

Tybers ne Fosa refuser, 

Qae s'il s'en ponist escuser 

Encor fast sanz lui li sentiers ; 

Mès a enyis on volentiers 

Gonvient au sene aler Ie prestre, 

Et Tybert se mist a senestre, 

Parmi Ie fons d'une valëe. 
10460 Tant a sa mule esperonée 

Qu'il est yenuz a Tuis Renart; 

Deu reclaime et Saint Lienart 

Qui delier sent les prisons, 

Qu'il Ie gart par ses oroisons 

Des mains Renart son conpaignon, 

Qar il Ie set tant a gaignon 

Et a beste de put conroi, 

Néis k Dex ne porte-il foi. 

La riens qui plus Ie deseonforte, 
10470 Ge fu qant il yint a la porte; 

Mès entre un fresne et un sapin 

A yéu l'oisel Saint Martin: 

Assez si Ie hucha a destre, 

Et li oisiax yint a senestre. 

Tibert s'estut une grant pose, 

Or yos di que ce fu la cbose 

Qui plus Fesmaie et plus Ie donte , 

Ses cuers li dist qu'il aura bonte 

Et grant anui et grant yergoigne; 
10480 Tant doute Renart et rcsoigne 

41 



322 BYLAGEN. 

Qa'il n'ose entrer en sa mefi<m: 
Par defors ooote sa reson ; 
Mès mavës en ert ses gaaing. 
Renart, fet^il, sire coopaing. 
Respon moi, es-tn la dedeni? 
Renart respont entre ses denii 
Tot coiement que nns ne Toie, 
Tybert , par yostre male joie 
Et par Tostre pute s^yenture 

10490 Soiei venax en ma pastnre^ 
Si serez-Tos s'engin ne fant. 
Et puis li respondi en haat: 
Tybert, fet li Renart, yillecome, 
Se tn yenoies or de Rome 
On de Seint Jaqne Iresohement , 
Bien soiez venu bautement 
Conme Ie jor de Penteeostet 
Mès sa parole , qne li coate? 
Si Ie salue belement, 

lOKOO Et Tybert li respont briëment: 
Renart, neF tonez a desroi, 
Se je vieng ei de par Ie Roi, 
Ne cuidiez pas que je tos haee, 
Li Rois TOS bet et tos menace» 
Et Bruns et Isangrin li cons, 
Toz li mondes se plaint de yo9. 
Tos n'avez a la Cort voisin 
Eors Daqt Grinbert vostre cosin 
Qui ne vos haoe durement* 

10510 Et Renart li respont briément, 
Tybert, lessiez Ie menacier 
Et sor moi lor denz agnisier; 
Ge yiyrai tant con ge porrai, 
G'irai a Gort et si orrai 
Qui sor moi yodra noient dir^* 
Ge sera grant sayoir, biau sire, 
Si Ie yos lo, que je yos aim$ 
Mès certes je ai si grant fain 
Que tote en ai corbe Fescbine: 

10K20 Ayez-yos ne coc ne geline, 

Ne chose qu'en puisse mengier? 
Trop me menez or grant dangier, 



BYLAGEN, 325 



Ge 11 respont Renart^ baraz 
De som crasses 6t de raz, 
Ce cuit, TOB n'en gosteribz. 
Si ferë voir. Non feriez, 
Certes ja n'en seré lasses, 
£t je TOS en donré asnez 
Demain ainz Ie soleii levant: 

10530 Or me suiez, g'irai aTant. 

Atant s'en ist de sa tesniere , 
Et Tybert Ie «ient par derriere 
Qui n'i entent barat nö gile. 
Traiant en Tont A une TÜe 
Ou il n'aTOÜ ooc ne geline 
Dont Renart n'üs fet sa CniiiDe* 
Tybert, saTet qixe nos ferons? 
La dedenz entre oes mesons, 
Fet soi Renart, esta niks prestres^ 

10840 Et ge connois moolt bten ses estres; 
Assez a froment et aretne , 
Mès les soriz en font grant peinet 
Mengië en ont bien demi mui» 
N'a encor gaeres que g'i fui, 
Adonc lor fis une enraïe, 
Dix gelines prts sanz faülie ; 
Les cino en ai^ge mengiés hni, 
Et les antres mis en estni. 
Yez Ie p^rtttii oar ou g'i entre, 

10880 Passé ouire, saoule ton Tentre; 
Mès li kcbieres li mentoit; 
Qar li prestres qui la manoit , 
N'aToit ne orge ne aTaine. 
De ce n'«8loil-il ja en paiue , 
Tonte la TÜe Ie plaignoit 
Por nne pfotain qui tenoit, 
Qui mere estoit Martin d'OrlieBS, 
Si TaToit gtté de granz biensy 
Que il n'aToit ne buef ne Taobe 

10860 Ne autre beste que je saohe 
Fors deus gdines et uu coo* 
Martinet qui puis et te froo 
Et qui puis Sa ndioines readiiz, 
AToit au troü -deus laz Mfeduz 



324 BYLAGEN. 

Por Renart prendre Ie Gorpil. 
Diex garisse aa Prestre oei fil 
Qui \èi aprent si bel barat 
€on de prendre Gorpil oa chat? 
Et Renart Fenging savoit bien, 

10K70 A BOn conpaignon n'en dit rien. 
, Tybert, sail oatre, dist Renart, 

Fi ! merde , con tu es coart ! 
Je fatendrë au trou 9a fors. 
Et Tybert lance oatre son cors, 
Mès or se paet tenir por fol, 
Qar li laz 11 serre Ie coL 
Tret et retret Tybert li Chaï , 
Con plus tret , plas estreint li laz ; 
Eschaper caide, rien ne taat, 

10S80 Qar Martinet li clerc li saut: 

Or sas! or sus! fet-il, biaa pere, 
Ayde! aydo! bele mere! 
Alamez, si corez aa troa, 
Li Gorpil est tenaz por foa. 

La mere Martinet s'esveille , 
Saat sas, s'alame Ia cbandelle: 
A une main tint sa qaenoille: 
Li Prestres en son poing s'endoille 
S'est erraament da lit sailliz. 

10K90 Lors fa Tybert moult asailliz, 

Qa'il prist cent cox de livroison 
Einz qa'il partist de la meson. 
Fiert li Prestres, fiert la soignanz. 
Et Tybert giete avant les denz, 
Si con nos troTons en Festoire, 
Esgarde la coille au ProYOire^ 
As denz et as ongles trenchanz 
Li a trencbié un des pendanz. 
Qant la fame rit sa grant perte> 

10600 Lors primes ot dolor aperte, 

Trois fois s'est chaitiye clamëe, 
A la q[aarte cbai pasmée. 
Aa duel que Martinet menoit 
De sa mere qui se pasmoit, 
Tybert s'en eschape li Cbaz, 
Qu'il ot as denz mengië les laz. 



BYLAGEN. 325 



n a esté bien laidengiez, 

Mais en la fin s'est bien yengiez 

Del Prestre qui si Ie batoit. 

10610 Ahi! con il s'en Tengeroit 

De Renart s'il ert au desore! 
Mès li lechieres ne demore, 
Ainz s'enfoï sanz plns atendre 
Dès qne Tybert vit aü laz prendre; 
Qant Martinet dist, levez sus, 
Onques n'i volt arester plus, 
Ainz s'enfoï k son repere, 
Et cil remest por Ie mal trere. 
Qui donc oïst Tybert Ie Chat 

10620 Renart maudire de son barat, 
Ahi! dist-il, Renart, Renart! 
Ja Diex n'ait en vostre arme part f 
Bien dëusse estre chastiez 
Qui tantes foiz sui oonchiez 
Par Ie barat Renard li rox, 
Et li Presijres li mavès cox 
Qui Diex doint mal giste et pou pain 
Entre lui et s'orde putain, 
Qui hui me fist tel enwe ; 

10680 Mès d'un des pendanz nVil mie, 
A tot Ie mains en sa paroche 
Ne puet soner c'a une cloche. 
Et Martinet son filz d'Orliens, 
Que ja ne croisse en lui nus biens, 
Qui hui m'aloit einsi batant, 
. Ja ne muire-il de si q'atant 
Qu'il ait esté moines retrez 
Et puis par larrecin deffez! 
Tant k sa plainte demenée 
10640 Qu'il est Tenuz en la valée 
Et en la Gort oü li Rois siet» 
Ou qu'il Ie voit as piez li chiet, 
Si li raconte la merveille. 
Diex! dist li Rois, qar me conseUle, 
Con oi ore grant déabüe 
De Renart qui si me conehie! 
Ne je ne pui» trovet nului 
Qui me Tenge de eest anui. 



326 BYLAGEN. 

Sire Grinbert, moult me merYeil 

10680 Se ce n'est par Tostre coiueil 
Que Renart me tient si por tU. 
Je TOS pleTifl, flire^ aenil. 
Alez donc tost, si ramenez, 
Gardez sanz lui que rerenes* 
Sire, ce ne puis-ge pas fere, 
Renart est de si put afere 
Bien sai que pas ne ramenroie 
Si je Toz letres n'en aToie; 
Mès s'il yëoit Tostre séel, 

10660 Foi que je doi Saint Daniel, 

Lors sai-je bien que it mendroit, 
Ja nule essoine nel' tendroit. 
Yoire dist, fet soi TEmperere. 
Lors li deyise la matere. 
Et Baucent li Sengler Tescrit 
Et si sëela quanque il dist, 
Puis bailla Grinbert Ie séel. 
Et cil se mist en un prael. 
Et puis s'en entra en on bos* 

10670 Moult U sua la pel del dos 

Ainz qu'il yenist a Tuis Renart» 
Au Tespre troTO en un essart 
Un sentier qui bien Ie eonduit 
A Tuis Renart devant la nuit: 
Li mur sont haut et li detroit, 
Par un guicbet en ala droit. 
Entre Grinbert el premier baille, 
Dant Renart crient que ne Fasaille. 
Qant il oï celui Tenir 

10680 Prés de meson se Tolt tenir 
Tant que il saobe la yertë. 
Es-tos Grinbert en la fertë 
Au pont toméis avaler 
Au petit pas^ et au tomer 
Ainz qu'il entrast en la testiiare 
Le cul avant, la teste ariere, 
L'a bien Renart reeonén 
Ainz que de plus prés Tait véu» 
Grant joie en fet et grant iM>laz , 

10690 Au col li met a&deus les braz: - 



BYLAGEN. S27 



Desoz li ploie dens cossins 
Por ee qa'il estoit ses oosins. 
De ce tien-ge Grinbert a sage, 
Qu'il ne volt eonter son mesage 
Devant qa'éiist mengié asez; 
Et qant li mengiers fa finez, 
Sire Renart, ce dist Grinbert, 
Trop est Tostre barot apert: 
Savez-Tos qne li Rois vos mande, 
10700 Non mie mande, mès conmande 
Que TOS li vengnez fere droit 
En son pales oü que il soit. 
Prendra jA vostre gerre fin 
Que demandez-YOs Isengrin, 
Ne Brun l'Ors no Tybert li Chaz, 
Mar Tëistes yotre baraz. 
Ne TOS en puïs doner confort, 
J& n'en anrez el que la mort, 
Ne TOS ne tuit Tostre ehael. 
10710 Tenez, si brisiez eest séel, 
Gardez que la letre tos dist. 
Li lechierres tremble et fremist, 
O grant péor Ia eire brise 
Et Toit que la letre derise: 
Si sospira, au premier mot 
Rien sot a dire qu'il i ot. 

« Mesires Nobles li Lions, 
» Qui de totes les régions 
» Et des bestes est Rois et sire, 
10720 » Mande Renart bonte es martire 
i> Et grant anui et grans contrere 
» Se demain ne li Tient droit fere 
1) Enz en la Cort deTant sa gent, 
n Si n'i aport or ne argent , 
n Ne n'ameint bon por lui deflFendre, 
9» Fors la bart a sa gole pendre. » 

Quant Renart of la noTole, 
Le cuer li bat soz la mamele , 
Tot le Tiaire li neirci: 
107S0 Por Dien, fét-il, Grinbert, merci, 
Moult bë l'ore que je tant Tif: 
Conseillez eest dolent cbaitif, 



«28 BYLAGEN. 

Qar je serë demain/ penduB. 

Diez ! qar imo ore moines rendaz 

A Glagni ou a Clerevaxt 

Mès je conois tant moines £u 

Que je crieDs q*issir m'en conriegne, 

Por ce est mieus que je m'en tiegne. 

N'aiez de ce, dist Grinbert, cure, 

10740 Vos estes en grant aTonture 

Tant con tos estes ei sanz gent: 
Confesiez-Tos k moi briëment, 
Rent-toi a moi vraie confès, 
Qar je n'i Toi prestre plus prés. 
Renart respont, sire Grinbert, 
Ci a conseil bon et apert, 
Car se je vos di ma confesse 
Deyant ce que la mort m'apresse, 
De ce ne puet yenir nus max, 

10780 Se je muir, si serai toz sax : 
Or entendez k mes pechiez. 

Sire, j'ai esté entechiez 
De Hersent la fame Ysengrin, 
Mès or TOS en dirai la fin: 
Ele en fii a droit mescrëue 
Que Toirement l'ai-je croissue; 
Or m'en repent, Diex moie oorpe, 
Meinte foiz li basti la crope. 
Ysengrin ai-je tant forfet 

10760 Que nel' puis nier a nul plet. 
Diex mete or m'ame a garison ! 
Trois foiz l'ai fet metre en prison, 
Si TOS dirai en quel maniere. 
Gel' fis chaoir en la loTiere 
La OU il enporta l'agnel ; 
Lè ot si bien batu la pel 
Qu'il prist cent cox de liTroison 
Ainz qu'il partist de la meson. 
Gel' fis el braon enbraier 

10770 Ou Ie troTcrent trois berchier, 
Sel' batirent con asne k pont. 
Trois bacons aToit en un mont 
Chiës un prodom en un lardier, 
De ceux li fi-je tant mengier 



BYLAGEN. 329 

N'en pot issir, tant fa yentrei, 

Par Ie pertuis ou £a entrez. 

Gel' fis sëoir en la gelee 

Tant qu'il ot la qeae^eiiffelée; 

Gel' fis pesefaÏKr en la fontaine 
10780 Par nuit quant lalnne estoit plaine; 

Del ombre de la blancheitmage 

Coida por yoir ee fiist fromage^ 

Et si refu par moi traïz 

Devant la charete . as plaïz : 

Cent foiz Yaincu, huéet mat. 

Par fine ^fbrce de barat 

Li fis-je tant que il fa moines. 

Pais dist que il seroit cbanoines. 

Qant on li yit .la char mengier 
10790 Fox fii qui de Uii fist berchier. 

Ge ne tos aroie bui retrait 

La bonte que je li ai fait. 

Il n'a beste en la Gort Ie Rol 

Qui ne se puist plaindre de moi. 

Je fis Tybert ehaoir les raz : 

Qant il cuidoit mengier les raz ; 

Et je cbez un vilein alai, 

€oe ne geline n'i laissai 

De tot Ie parenté Pintein 
10800 Fors solement lui et s'anteia; 

N'i a remès eoc ne geline 

Dont je n'aie fait ma cuisine* 

Qant li Ors fa deyant mon crjiés, 

De Senglers, de Yaches, do BmÓB 

Et d'autres bestes bien.armées 

Que Ysengrin ot amenëes 

Por cele gerre metre a fin, 

Retint Roonel Ie mastin: 

Bien furent trente coapalgiaon , 
10810 Que chien, que lisses, que gaignon^ 

Tuit furent batu et plaië, 

Mès malement furent paié, 

Qar je lor toli lor soudées, 

Qant les oz s'en furent alëes. 

Par guile et par conchiement 

Lor toli-ge lor covenant. 

42 



330 BYLAGEN. 

Aa departir lor fis la lonpe. 

Or m'en repent, Diex moie coape! 

A tot ]e mont ai fait anui, 

108S0 Dolanz et repantanz en sui: 
Or voil venir a repentance 
De qanque je fis en m'enfance. 

Sire Reinart, ce dist Grinbert, 
Vos pechiez m'avez descoyert 
Et Ie mal que tos avez fet; 
Se Diex tos giete de eest plet 
Gardez^TOs bien del renchaoir. 
Ja Diex ne me dont tant Téoir, 
Ce dist Renart, que je mès face 

108S0 Nule chose qu'a Diex desplace, 
n li otroie qanqu'il Tolt, 
Il s'ababsa et cil Tasolt 
Moitió romanz, moitié latin. 
Renart, qant ce Tint au matin, 
Besa sa fame et ses enfanz, 
Au departir fu li dels granz; 
Congié prist a son manage, 
Enfanz, dist-il, de baut parage, 
Pensez de mes cbastiax tenir, 

10840 Que que de moi doie aTcnir^ 
Contre Contes et contre Rois, 
Que TOS ne troyerez des mois 
Conté , Prince ne Cbasteleine 
Qui TOS forfaee un fil de leine: 
Jè par eus ne serez grcTCz 
Se TOS aTCz les ponz Ictcz, 
Que TOS aTez asez Titaille, 
Ne cuit dcTant set anz tos faille. 
Que tos iroie-je disant? 

108B0 A Dame Deu toz tos conmant 
Qui me ramaint si con je toIL 
Atant mist Ie pië sor Ie soil: 
Au departir de sa tesniere 
A confnencié une priere» 

Diexy fist-il, Rois omnipotens» 
Garde mon saToir et mon sens 
Que ne Ie perde par péor 
Par deTant Ie Roi mon seignor, 



. BYLAGEN. 331 



Qant Ysengrin m'encusera 

10860 De qantqn'il me demandera, 
Que je li paisse reson rendre 
Ca del noier on del deffendre; 
Me doint sain et sanf reperier 
Que je m'en puisse encor yengier 
De cels qai me font si grant gerre. 

Lors se concha adenz k terre. 
Et trois foiz se rendi copables, 
Pais se seigna por les déablesr, 
Et por Dant Nobles Ie Lion 

10870 Moult fa en grant afflicion. 

Or s'en vont li Baron k Cort, 
Et passent Teve qai la cort, 
Et les destroiz et la montaiugne, 
Et pais cheyaachent par Ia plaingne» 
En ce qne Renart se demente 
El bois ont perdae la sente , 
La Toie et Ie chemin ferré, 
Et neqnedent, tant ont erré, 
Qn'il s'avoient parmi nns pleins 

10080 Delez nne grange k Noneins» 

La meson est moult bien gamie 
De toz les biens que terre crie, 
De Iet, de firomaches et d'aës, 
De brebiz, de yaches, de bués. 
D'unes et d'autres norricons^ 
Dist Renart, car nos adre9ons^ 
Par encoste de ces espines, 
Vers cele cori k ces gelines, 
Lè est la Toie que lessons. 

10890 Renart, Renart, dist li Tessons, 

Diex set bien por qoi tos Ie dites, 
Filz k putain^ puanz herites, 
Mauves lecbierres et engrès, 
N'estiez-vos k moi confés 
Et aviez merci crié ? 
Fet-il, ge l'avoie oblie: 
Alons-nos ent, vez moi tot prest. 
Renart, Renart, por noient est, 
Diex parjure, Diex foi-mentie, 

10900 Toe jors durra ta lecherie. 



832 bylagen; 

Con tu es fole créatóre! 
Tu es de mort en aTentore, 
Et après ta confession, 
Cr si Tels fere desraison ; 
Gertes granz pechiez te cort seore , 
Yien-t'en, que maudite sott Feure 
Que chaïs seur terre de' mere! 
Belement Ie dites, biau frere, 
Alon^nos ent en pès amblant. 

10910 N'en ose fere aatre semblant 
Por son cosin qui Ie ebastie, 
Et nequedent sovent colié 
Vers les gelines cele part, 
Moult est dolent qant il s'en part, 
Et qui la teste li coupast. 
As gelines tantost alast^ 
Mises les ëost a raison 
Se ne fust Gnnbert lö Taisson» 
Or s'en font li Baron ensemble : 

10920 Diex! con la mule Grinbert amble! 
Mès li cbevax Renart aoope, 
Li flans li bat desoz la crope; 
Tant oriënt et doute son seignor. 
Que onques mès n'ot tel pëor. 
Tant ont alë et plainset bos. 
Et Famblënre et les galos, 
Et tant ont la montaingne alëe, 
Qu'il sont Tentt en Ia valée 
Qui en la Gort Ie Roi avale, 

10080 Descenduz sont devant la sale; 

Sitost com Renart vinta Gort, 
Il n'i a beste ne s'atort 
Ou d'oposer ou- de respondre. 
Or est Renart prés de« eonfondre , 
N'en tornera qu'il ne s'en cuise, 
Qar Yseogrin sés den« aguise 
Et Tybert li Ghaz se conseiUe, 
Et Bruns qui la teste ot vBrmeille; 
Mès qui q'aint ou bée Renart, 

10940 Ne fet pas cbiere de coart,' 

Ainz conmence enmi la meson 
Teste leyée sa reton. 



BYLAGEN- 333 



Roifly fet Re^art, je yob sala 
Con cil qui plas vos a yalu 
Que tuit li baron de Ffinpire, 
Mès tort a qni^ yenr tos m'enpire; 
Ne sai se c'est par moi ëar» 
Je ne fui onqttes assëur. 
De Yostre amor on jor entier. 

10980 Je parti de Gort avanlrier 
Par yostre grë et par amor, 
Sanz maltalent et sanz clamor. 
Cr ont tant fet li loseogier 
Qui de moi se yolent yengier, 
Que yos m'ayez jugié k mort; 
Mès pub, sire, que Rois s'amort 
A croire les mauyès larrons, 
Et il lesse les bons barons^ 
Et gerpist Ie chief por la qene, 

10960 Lors yet la tore a male yene: 

Qar cil qui sont serf par nature ~ 
Ne seyent esgarder mesure. 
S'en Gort se paent aleyer, 
Moult se painent d'antrui greyer; 
Mès ehiens famillens en cuisine 
N'a cure de beste yoisine; 
Cil font la poyre gent tuer = 
Et les monnoies remuer. 
Cil enortent Ie mal k fere 

10970 Qui bien en seyent lor prou trere 
Et enbors^it autroi ayoir. 
Ice yodroie-je sayoir 
Que Bruns et Tybert me demandeiit; 
Il est yoirs se Ie Renart conmande 
Que bien me puent fere let 
Encor ne Faie-ge forfet, 
Qu'il ne seyent dire por qoi.- 
Se Bruns menja li miei Lenfroi 
Et li yilains Ie ledenja, 

10980 Et il por coi ne se yenja ? 

Ja a-il granz meins et gcans pies, 
Si a grant musel et grant giës. 
Se mesire Tjbert li Gfaaz 
Menja les soriz et les raz 



334 BYLIGEN. 

Qant en Ie prist et li fist honte. 
Por Ie caer biea k moi q«e monte? 
Jk ne siii-ge Prevoz ne Mere 
Que je l'en doie nal droit fere ; 
Volent moi ice demander 

10090 Qae il ne paent amender. 

D'Ysengriii ne sai-ge que dire, 
Qar il n'a mie tort del dire 
Que j'avoie sa fame amëe. 
Et qant ele ne s'est clamée, 
Sui-ge lecheres de m'amie? 
Li fox jaiox de ce a enTie, 
Et pais qui n'i ot braies traites ^ 
Ne huis brisiez, ne portes fraites, 
S'ele m'a chier et ele m'aime, 

11000 Gil faas jaloas de ooi se claime? 

£st-il por ce drois qu'en me pende? 

% Nenil, Sire, Diex m'en deffende! 

Moalt est grant Tostre roiaaté, 
La foi et la grant loiaatë 
Qae j'ai toz jors Ters tos ëue 
M'a Fame del eors meintenue; 
Mès foi qae doi Dea et Saint Jorge 
fai tote chenae la gorge. 
Yiex sai, si ne me pais aidier, 

11010 Si n'ai mès care de plaidier: 

Pechië fet qai k Gort me mande, 
Mès pais qae mesire conmande, 
Si est-il drois qae je i yiegne. 
Cr sai devant lai, si me tiegne 
Et si me face ardoir oa pendre , 
Qar ne me pais yers lui deffendre* 
Ge ne sai pas de grant paissance, 
Mès ce se seroit poTre yenjance, 
S'en parleroient meinte gent 

11020 Se l'en sanz jagement me pent. 

Renart, Renart, dist FEmperere, 
Dabez ait Fame yostre pere 
Et la pate qai yoz porta 
Qant ele ne yos ayorta! 
Or me dites, traïtre lerrea, 
Por qoi estes taat bareteres? 



BYLAGEN 326 



Bien sarez parier et plaidier^ 
Mè» ce, que vaut? N'i a mestier, 
N'en partirez en nule gpaise 

IIOSO Qae.de tos n'en face jostise ; 
N'i a mestier chiere hardie 
Ne n'i vaut Tostre renavdie, 
Monlt saTez de la faave anesse; 
Se ja n'avez vostre promesse 
Que TOS ai orendroit promise, 
Hai estes yenuz a juise 
Tel con jngeront mi baron , 
Qne Ten doit fere de laren 
Et con de felon traïtor. 

11040 N'en partirez sanz maaTès tor 
Se ne tos poes escondire 
De qanque Fen tos saora dire. 
Sire, dist Grinbert li Tessons, 
Se nos Ters tos nos abessons 
Por droit fere et por afetier, 
Ne doTez pas por ce tretier 
Yostre baron TÜainement, x 
Mès par loi et par jugement. 
Entendez 9a ^ ne tos anuit, 

HOBO Renart est Tenuz par conduit 
Por droit faire et por amender 
Ce c'on 11 saura demander. 
S'est qoi de loi face clamor. 
Vos li otroiez par amor 
A respondre par jugement 
En TOstreCort Toiant la gent. 
Ainz que Grinbert ënst finëe 
Sa reson et bien terminée. 
Se dre9a en piez Ysengrin 

11060 Et li motons sire Belin, 

Tybart li Chaz et Rooniax, 
Et Dant Tiecelin li Corbiax, 
Et Chantecler et Dame Pinte, 
Si con el Tint a Cort soi qninte, 
Es Espinarz li Heri9ons9 
Et Dant Petipas li Poons; 
Frobers li Grenllons s'aTance, 
Qai sor toz aatres crie et tenoe, 



3S6 BYLAGEN. 

Et Dant Rouciax li Esoaireus 

11070 Qui il a fet de moult grant deus. 
Coart li Lievres moalt 8*argae 
De cort en cort, de rue en rae, 
Meinie foiz li a fet anni, 
Yengier s'en onide eneor encni. 
Cr est Renart en mal randen 
Se Ten Ie velt metre a bandon; 
Mès li Rois les fet en sus trere. 
Lui en lest la yenjance tere. 
Li Rois. a parlé hanteinont 

11080 Si que loentiote la gent. 

Seignor, fet-il, conseilliez moi 
De eest larron de pnte foi, 
Quel jastice dalai ferai, 
Dites 'conment m'en yengeraji. 
Sire 7 font li baron au Roi, 
Trop est Renart de pute foi , 
Nus ne tos sauroit desloer 
Qu'en haut neU faciez encroer. 
Respont li Rois, bien avez dit: 

11090 Or tost, fet^il, sanz contredit 
Se Renart ft'en estoit tornez, 
Jamès ne soroit retornez; 
Sachiez que nos en mescherroit , 
Tiex n'en set mot qu'en ploreroit. 

Sor un baat mont en un rochier 
Fet li Rois les forebes drecier 
Por Renart prendre Ie Gorpil : 
Estes-Ie-Yos en grant peril. 
Li Singes li a fet la moe, 

11100 Grant coup li done lez la joe. 
Renart regarde arere soi, 
Yoit que i viegnent plus de troi; 
Li un Ie tret, l'autre k bote, 
N'est merveille se il redote. 
Coars li Lievres Farocboit 
De loing, qae pas neP aprocboit: 
A Farocber qu'è fet Coart 
En a crollë Ie cbief Renart; 
Coart en fa si esperduz 

11110 Que onques pais ne fd yëuz; 



BYLAGEN. 337 

Del signe qa'ot véu s'esmaie, 

Lors s'est mucheE en une haie : 

D'iloc, ce dist, engardera 

Quel justise Ten en fera. 

Mar i mu9a, si con je croi , 

Enqui aura poor de soi. 

Renart se yoit moult entrepris, 

De totes parz liez et pris; 

Mès il ne paet engin trover 
11120 Conment il s'en puist eschaper: 

Del eschaper est-il noient 

Si 11 enginz n'i est trop grant. 
Qant il vit les forches drecier, 

Lors n'ot en lui que corocier. 

Et dist au Roi, biaux gentix Sire, 

Qar me lessiez un petit dire: 

Vos m'avez fet lier et prendre, 

Cr me volez sans forfet pendre; 

Mès j'ai fet de moult granz pechiez 
11180 Dont je sui auques entechiez, 

Or voil venir a repentance, 

El non de sainte penitance 

Yoil la Croiz prendre poi aler 

La merci Dieu outre la mer. 

Se je la muir, si serai sax. 

Et se je sui penduz, c'est max, 

Si seroit moult povre venjance. 

Or Toil venir a repentance. 

Atant li vet chaoir as piez , 
11140 Au Roi en prist moult grant pitiez. 

Grinbert reyint de l'autre part 

Qui merci crie por Renart : 

Sire, por Deu entent a moi, 

Que Ie fai bien , porpense toi 

Con Renart est preuz et cortois: 

Se Renart yient dosq'a cinc mois 

Encor aura mestier moult grant, 

Qar n'avez si hardi serjant. 

Outre mer Yoise, la Croiz prengne,^ 
11180 Et a vbstre rppel reyeingne. 

Ce dist li Rois, ne fet a dire, 

Qant reyiendroit si seroit pire, 

4S 



338 BYLAGEN. 

Qar tuit ceste costnme tienen t, 

Qui bon i Tont, mal en revienent. 

Tot autretel refera-il 

S'il eschape de eest peril: 

S*il n'avoit lores bone pès, 

Sire, il n*en reviegne jamès. 

Ce dist li Rois, et il la preigne 

11160 Par tel convent que la remeigne. 
Quant Renart l'ot, si ot grant joie, 
Ne set s'il fornira Ia voie , 
Mès conment que il Ten doie estre^ 
La Croiz a sor Tespanle destre; 
Escherpe et bordon li aportent 
Les bestes moult s*en desconfortent , 
Cil qni enpaint et boté Tont 
Dient qa*encor Ie conperront. 
Es-TOs Renart Ie pelerin 

11170 Escberpe au ooi, bordon fresnin; 
Li Rois li dist qu*il lor pardont 
Trestoz les max que fet li ont. 
Et degerpisse engins et max, 
Adont s*il muert il sera sax. 
Renart ne met riens en defois 
De qanque li prie li Rois, 
Ainz li otroie toz ses diz 
Tant que il soit d*iloc partiz ; 
Ront Ie festu, si lor pardone. 

11180 De Cort se part un pou ainz none, 
Onques nus d*au8 ne salua , 
Enz en son cuer les desfia, 
Ne mès que li Rois et s'esponse 
Ma Dame Fiere lorgellouse, 
Qui tant par est cortoise ot bele* 
Renart gentement en apele , 
Sire Renart, proiez por nos , 
Et nos reproierons por tos. 
Dame, fet* il, yostre proiere 

11190 Devroie-ge avoir moult ohiere; 
Moult par devroit estre haitiez 
Por qni proier daingneriez, 
Et se cel yostre anel avoie, 
Moult en seroit mellor ma voie, 



BYLAGEN. 339 



Et sachiez , se Ie me dones , 
Bien tos sera gerredonez, 
Redonrai tos de mes joiax 
Tant qne yaara bien cent aniax. 
La Roïne l'anel li tent^ 
11200 Renart a grant joie Ie prent, 
Entre ses denz basset a dit, 
Gertes qui unques ne Ie vit 
L'anel , por Toir Ie conperra , 
Ja por nnlai ne remendra. 
Renart mist Tanel en son doi 
Et pais a pris congié an Roi* 



DIT IS DIE TAFEL VAN DESEN BOEKE. 

(de oude vrosa getoigd.) 



JIr den iersten , hoe dat die coninc van allen dieren een hof dede 
heroepen , ende gehoot alle dieren daer te comen. • • Y' 1 
Hoe Isegrim die wolf ierst claghet over Reinaert die vos. 61 

Hoe Cortois, dat hondekijn , ooc claghet over Reinaert. • 08 

Hoe Grimbaert die das Reinaert verantwoort voor den 

coninc 177 

Hoe Cantecleer die haen claghet over Reinaert .... 285 

Hoe die coninc spreket op die claghe 421 

Hoe Bmn die beer van Reinaert geexpediert ende uut ghe- 

recht v^ort 476 

Hoe Bruin die beer dat honich at 542 

Die claghe van Bruin over Reinaert 988 

Dits hoe die coninc Tibaert den kater uut seinde om Rei- 
naert te hove te brenghen , ende hoe Tibaert van Reinaert 

uutgerecht v^ort 1015 

Hoe Grimbaert die dasse Reinaert te hove brocht • • . 1339 

Hoe Reinaert sijn biechte sprac 1431 

Hoe Reinaert te hove quam , ende hoe hi hem excuseerde 

voer den coninc 1757 

Hoe Reinaert ghevanghen wort ende veroordeelt ter doot* 1850 
Hoe Reinaert ter galghen waert gheleyt wort .... 2024 
Van Reinaert, hoe hi openbaerlic sijn biecht dede voer 

den coninc , ende voer een ieghelijc diet hooren wonde. 2048 
Hoe Reinaert alle die ghene belastede, die hem ter doot 
wouden brenghen, ende hoe hi die hulde van den co- 
ninc verwerf 2170 

Dits van Isegrim ende Bruin , hoe sy gevangen worden bi 

toedoen van Reinaert 2801 

Hoe Isegrim ende sijn vrouwe hem moesten laten ont- 
scoeyen, ende Reinaert die toech haer scoenen an^ om 

daer mede te gaen 2847 

Hoe Guwaert die.hase ghedoot wort van Reinaert . . . 3017 
Hoe dat Reinaert Guwaerts hoeft seinde totten coninc by 

Bellijn den ram 3205 



TAFEL. 341 

Hoe Bellijn die ram ende alle sijn geslapht gegeven wort 

m handen Tan Isegrim, den wolf, ende Bruin" den beer. V' 8395 

Die claghe yan Lampreel dat conijn ende Vka Gorbout die 

roec over Reinaert • . • « . 8S10 

Hoe hem die conine seer vertoornt van deser claghen. . 8625 

Hoe Grimbaert die das Reinaert waerscouwede , dat die 

conine hem doden wonde . . « . 8768 

Hoe Reinaert anderwerf ten hove quam 4284 

Hoe hem Reinaert excuseert voer den conine van allen 

claghen 48S1 

Die antwoerde des conincs op Reinaerts excnsatie . . . 4687 

Hoe vrouwe Rukenauwe die apinne Reinaert verantwoert 

voer den conine 4788^ 

Een parabel van een man die een serpent verloste dat 
in node was , 4870 

Van Reinaerts maghen, welc si sijn die hem bestaen • 5104 

Hoe Reinaert met subtyle loghenen verantwoert den doot 
van Guwaert den hase, die hem aen gheseit was, ende 
alle ander saken. Ende hoe hy weder verwerf by schoen 
parabolen die hulde vanden conine 5278 

Hoe Isegrim weder over Reinaert die vos claghede. • . 6258 

Een schoen parabel van Reinaert ende van die wolf, hoe 

si te gader ghinghen totter apinnen 6482 

Hoe Isegrim Reinaert die hantschoen boot om te campen. 6788 

Hoe Reinaert den hantschoen ontfinc , ende hoe die conine 

hem beiden dach beteikende ten erite te comen. . . 6764 

Hoe vrouwe Rukenauwe Reinaert raet geeft wat hy/doen 

sal in den camp 6705 

Hoe Reinaert ten crite quam , ende hoe si ghinghen vech- 
ten : . . . 6917 

Hoe Reinaert van Isegrim tonder ghebrocht wort, ende 
hoe Reinaert hem aenginc met smekende woorden , alsoe 
dat hi weder te boven quam 7174 

Hoe Isegrim van Reinaert verwonnen wort ende Reinaert 

hielt die overhant, ende bleef in die ere . . • • , 7856 

Doe Reinaert Isegrim verwonnen hadde, ende die conine 
den camp opghenomen hadde, doe vertelde hi den co- 
nine dit exempel 7480 

Hoe die conine Reinaert alle saken vergaf, ende maecten 

soverein baljuw ende overste van alle sine landen . • 7588 

Hoe Reinaert met sinen maghen eerlijc van den conine 
sciet , ende trac tot sinen casteel Malpertuus , ende hielt 
die hulde van den conine ' • • 7746 



GLOSSARIUM 

DER VEROUDERDE WOORDEN. 



A. 



Acht, hecktenis, \» 685. 
Achterbacs, achter rug, 4249. 
Aefsch, averechts, 7071. 
Aenscijn, hlyh, 1781,4362. 
Aenninc, ongelukkige, Tffll^ 2210. 
Aes (dood) doode romp, 4497. 
Af, van, 21. 

After, achter, 6, 7540, Vai. 774, V» 36. 
Aftenneed, achterhuer, achterhoof, Vai. 
1651, V« 15. 



Akette, listen , hl 29!i, 

Alfa gedroch, hedrieglyke schyn door de 

ahen of elven veroor%aekt, Y* 5367. 
AU en als, geheel en al, 3030, 3284. 
Ameide, Aammeióoom^YAR. 774V«36. 
Apeert, openlyh, 204. 
Appelharre, appelschillen, 5130. 
Argertiere , kwaedwiUend , 2530. 
Artike (zekere dekte), arthritis, 5402. 
Ayre^aff 5317. 



B. 



Bachten, achter, Y« 1290, 2901. 
Bacumijn (een schrikbeeld) 6535. 
Baerde, handbyl, 701. 
Bake, verkensvleesch, hesp, 117, 1517, 

2127. 
Balch , huid , romp, 2821. 
Balch, belgde; üe Bolgen, 
Baraet, bedrog, 353, 483, 1196, 1486, 

1708, 6429. 
Barbacane , voormuer, 522. 
Baren, gebaren, bewegen, 2404. 
Barlebaen, (zekere kwade geest), 5184. 
Bat,zieJ7ef. 

Bate staen (in), goeddoen, 192. 
Bedi, bydien, dus, daerom, vermid», 

2357, 2912, 2995, 3130, 3182. 
Bedocht, bedacht, 84. 
Bedragen, beschuldigen, 2200, 4511. 
Bedregen, beschuldigd, 2527. 
Beede,ieMl0^ 147. 
Begaet, ontsierd, 4094. 
Begaren, begeren, 6652. 
BegeTen , de wereld verlaten , 369 , 1488, 

4523. 
Begien, bekennen, 2954. 



Begiet , bekend, 2954. 

Behalen, inhalen, bereiken, Vai. 1999 

V«53. 
Behangen, bezwaerd, 5325. 
Behelt,freAf6M,41l7. 
Beide, samen, 42. 
Belanct, aenbelangd zyn , 2541. 
Beloken, besloten, donker, 335, 1169, 

2271. 
Belopen, overmand, 2542. 
Bequame, aengenaem, 620. 
Beraden, oeniryjieft^ toebrengen, doen 

vinden, 592, 639, 2997. 
Berechten, berichten, uitleggen, 5536. 
Berg, i«n;A^ 3875. 
Beride, loop, 3555. 
Beriet, zie Bof oden. 
Bemen , branden , 303 , 1506. 
Berijt,6«toop, 7706. 
Bescf^lt, bescheid, sprak oen, 936. 
Betcoat, beschuldigd, 7549. 
Beseken, beseiken, 75. 
Besief , ^jse/^, Vax. 841 V» 13. 
Besperret,9«AtVu2enl, 6432. 
Bestaen, aenranden, 7086. 



GLOSSARIUM. 



343 



Besteken, beproeven, V* 1197. 

Bet , heter, 226 , 1063, 1090. 

Bet ▼oort , verder, 5769. 

Betegen, aengetygd , 2S>2S. 

Betyen, aentygen. Vit. 1999 Y« 87. 

Bewanen, duchten, 176. 

Bewant, bewend, gekeerd, 1630, Ya&. 

960 VM. 
Bewinden , aentrekken, 4846. 
Bewract, hepekeld, 6551. 
Binnen, tn^ 1795. 

Bisant, (byzantische goudmunt) 1153. 
Bitpel, voorbeeld, spreekwoord, 181, 

7793. 
Blanden, mengen, 2183. 
B]are,5letit^2494. 
Bleeren, baren ah een koe , 5734. 
. Bliven op een, een echeidsman kiesen, 

5518. 



Blouwen^ elaen, V« 251, 1584, 1827. 

Bocraen, fyn linnen, 5499. 

Boet, hulp, genezing, 5474. 

Bolgen, Btchbelgen, 1749, 3205. 

Borde, last, 114Z. 

Botsaert, soort van ralk, 3367. 

Boud, stout, 1266, 1769, 2308, 5152. 

Braeuwen . eten oen eenen vogel opstap- 
pen, 2890. 

Braken (opter), op heeter daed, 6306. 

Brate, bras, 3134. 

Broke, breuk, rechtsverbreking , 2514, 
4403, 6189. 

Broken (te), gebroken, 166. 

Bruuke, lie Broke. 

Bruwen , brouwen , 1 96 1 . 

Butteel, busaert, 1863. 

Buucsel , doorsy^er^ Vax. 219. 



ZIE 



K. 



D. 



Daet, deed, maekte, Y* 3062. 

Dale (te), nederwaerU, 540, 890, 910, 

958. 
Danen, van doen, 272, 1402, 2401. 
Daren, deren, benadeelen, 904. 
Darren, durven, 239, 1358, 2013. 
Da»e,tr6*0^ 7329. 
Delij t, vermaeA^ 1228. 
Dere, droefheid, 5306. 
Derre , dier, 979. 
De8,d//, 1223,4932. 
he^.mids, 5075, 5309. 
Deus, God! 6564. 

Deusage, deux-as, xeker spel, 3038. 
m,gy,u, 1444,2567,4949. 
Die, dicken, dikmaels, 2, 3902, 4368. 
Dichter, schrffver, 3361. 
Dieden, gedyen, 3182. 
THwï^ jongen , 1419. 
Dien, gedfyen, 1450, 3182. 
Dienen, gebruiken, 157. 
Diet«che, duitsch, 9, 1463. 
Dinken, dunhm, 126, 198, 1099. 
Diiuie,dim^ Ya». 3140 Y« 11. 



Doemsdag, oordeelsdag, 344S. 

Doen (te), vandoen , 4563. 

Doere, (ioeer^ 2966. 

Dogen, verdragen, 281, 2348, 2420, 

3612, 4042, 4959. 
Dogen, smart, 4480. 
Dogen, deugen, 3834, 4295, 4784. 
Dogen, mogen, 6769. 
Doget, deugd, 3141, 4829, 6027. 
Doorgangen , doorgaen, 5326. 
Doot, gedood, 1144. 
Dor, oj», 25, 66, 111, 897, 931, 2083, 

7617. 
Doren , dwazen, 13. 
Dorper, onbesthaefde , 13, 2352, dorpe- 

/tn^, 602, 845, 6327. 
Dorperheit, onbetaemlykheid , 1673, 

5434,6382. 
Dorren, durven, 3561. 
Dorret,dwr/ïf, 2534. 
Dossen, etooten, 6331. 
Dou, »oc*f, 7072. 
DoTen, woeden, 1718. 
DriYen, bedryven, handelen , 2384. 



344 



GLOSSARIUM. 



I>roch, bedrieger, 6827. 

Du, gy, 4946. 

Dolen, dol warden, 693. 



Duist, meèêt'gefroffen, 493. 
Dwaen, afwaaschen, reinigen, 1460. 
Dwoegen , afwaachten, 5166. 



E. 



Echt, achter, vervolgene, daema, 1648, 

2965,3430. 
Echt zie Acht, 
Echter, daerfia^ 4933. 
Eeke, eikenboom, 651. 
Eellinc , ellendeling, \am, 163. 
Eenlic, eenzaem, 883. 
Eere, eener^ 134, 1301. 
El, amiers, 571, 3245. 
Idifheten, 5507. 



Fallacie, èeJro^^ 3781, 4355. 
Flume, stroom, 2645. 
rUike, geneeskunst, bl. 294. 



Eogiene, kunst, 452. 

Entie, en c2te^ 191. 

Erre, gram, 2834, 3386, 5630. 

Erren , gram worden, 3208. 

Evel, kwaed, siekte , 2507, 5494,bladx. 

292. 
Evel (lang), steekte in de %yde , miserere, 

'6401. 
EYenkersten, evenchristen, evenmenech, 

4143. 



F. 



Focken, stoeien, 7326. 
'Eolea, spotten, 4050. 
Fonteine, fonteinwater, 5404. 



6. 



Gaerdeline, baerdhair, 1416. 
Gal, ^t7ii0^ 1230. 
Galp,^t7(i0^63O4. 
Ganc,^ae^'ö876. 

Gangen, ^ocn, 6604, Vii. 1422 V» 2. 
Garren , schreeuwhi , 6069. 
Gaudinen, wild, ongedierte, 5127. 
Geanden, wreken, 202. 
GeclBci, beklad, 6670. 
Gecrai, geroep, 2309. 
Gecroeien, ^eArutd^ 5264. 
Gedegen , verminderd, 413. 
Gedichte, <ficA/ op een, 812. 
Gedichte , schrift, 3261. 
Gedochte, acAfordocAt^ 642. 
Gedoen, doen, 3197^ 
Gedogen, verdragen , 1693. 
Gedoste, «/te/^ 6321. 
Geducht, ontea^^ 6582. 
Geerde, staef, stok, Vab. 1680 V» 2. 
Geerde, zie Geeren, 
Geere , geener, 687. 

Geeren, 6e^eefen^ 2307, 4346, 4482, 
4963. 



Geeste, geschiedenis, 4. 

Gehidet, verscholen, 2598. 

Gehouw , verknocht, 2509. 

Gehuke, lastige dracht , 1605. 

Geleden, voorbygetrokken , 2468. 

Geleede , «ry geleide, 141. 

Geleefde, fee/»0^ 5978. 

Geles, /e«^ ^«fted^ 2950. 

Geliden, glyden, 1525,4516,4779. 

Ge]iet,&6/edefi^3423. 

Gelode, gelofte, 4992. 

Geloven, loven, beloven, 608, 1599. 

Gelpen, gillen, 6325. 

Gemanc , bezigheid, handel , negociatie, 
ook koopwaer, (verwant met hak j*- 
landsch manga, handel , mangeling) 
doch soms ook als gemeng tootko- 
mende, 2308. 

Gemicke , van pas , 2879. 

Gemoet, ontmoeting, 1055. 

Genade, rust, 1745,2195, 3168, 3466. 

Genent,«foM^^2535. 

Generen, handelen, 1689. 

Genesen, verlost, behouden, 245, 1404. 



GLOSSARIUM. 



346 



Genet , nat getnaeki, V« 7076. 
Geninde, stoutheid, 2830. 
Crenoopt f genepen , 964. 
Genote, gelyken , 2253. 
Gentel, fr. gentille, 2532. 
Geonneert ,9er<icht, 2009. 
Gepronden , geroofd, 399. 
Gereden, 6oref den ^ 1762, 2978. 
Gereet, aemtonda, 5577, 5738, 6648, 

7046. 
Geren, zie Geeren. 
Gereiden, bereidtffi^ 1762. 
Gerinc, aenstonds, 5160, Yii. 1568 

V»2. 
Gerecht , geraekt, 752. 
Gerechte, zorg, 3324 
Gerechte, klaeggerucht, 6202, 7524. 
Geronnen, geloopen, 734, 760, 1325. 
Geruft, gerucht, Vii. 1370 V« 1. 
Gesacht, gesegd, 6716. 
Crescede , afscheid, 387. 
Gesijn, geweest, 4447, bl. 293. 
Getinde, gesin, 1399. 
Gesint , gezonden , 5443. 
Gesmide , sieraed ^ 26 1 4. 
Getocht , versacht, 3433. 
Getiille , stilzwggen , 25, 1136, 2194. 
Getelen, vruchtbrengen , 2359. 
Getemen , gedoogen ^ 22 1 1 . 



Geio^eifgetoogd, getoond, Y« 1060. 

Getrac, getrek, gerucht. Vim. 1931 V«4. 

Getwi, twüt, Yab. 2533. 

Gevel , geviel, 6629 , 6731. 

Gevorst, gevorst, uitgesteld, Vai. 251 

V»8. 
Gevreisschen, vernemen, 1582. 
Gewade, ingewand, 1283. 
Gewaert, verzekerd, 1123. 
Gewand, gekeerd , 1630. 
Gewande , tn^ei^aftd^ 1283. 
Gewarich, waerheidlievend, 4188. 
Gewes, gewis, 5066. 
Gewonden, willen, heschikken, gezag 

hebben, 430, 7610. 
Gewout, nuKht, 605, 2142, 2873. 
Giement, niemand, 4938. 
Gile,&edro9^5982. 
Gilen,yoiU0ii, 4260. 
Gine, gy en, 199. 
Godsat, (een vloek), 3196. 
Gene (de), de gene, deze, 5618. 
Goom, acht, 183, 659, 2000, 2138, 

4470. 
Granen , baerdhair, 2992. 
Green, greinde, grinnikte, 5734. 
Grognieren, grommen, 2118. 
Grongaerde, fr. grognards, 30. 
Gruut, gruit, bierdroesem, mout, 6262. 



H. 



Haenbalc, kruisbalk, 1617. 
Haer, her, hier, 2648, 4303, 4457. 
Haerde, zeer, 3. 
Haerwaert, herwaert, 1452. 
Hage, heg, 42, 1053, 1679, 2424, 3159. 
Hagedochte, hol, 541, 1367, 3094. 
Hamen, knien, billen, 971. 
Hant (te) f Aans^ 959, 983, 1154, 4604. 
Hant (toter) tot nu toe, 1540. 
Hantieren, hanteren, 4203. v 

Hantwerc, schryfwerk, 3368. 
Harde, «eer, 3,207. 
Hare, her, hier, 2648, 3242, 4623. 
Hare, hdirenkUed, 269, 274. 
Harentare, hier en ginds, 1628, 1711, 
2069, 7120. 



Hat, Aa/encJ, 3983. 

Have , waer, eetwaer, 563 , 4472. 

Heede,Aeule,3159. 

Heesch, eisch, 3072. 

Helet, held, 1071, 3141,3233. 

Heiige, reliquien, 83. 

Helpe, (God helpe!) 575. 

HeUen , omhelzen, bl. 288. 

Helt, MeW, 4106, 4117. 

Herde , herder, 5669 , 5675. 

Hem,Aen,7l6. 

Heven (op), gemaekt, 274. 

Biden, verschuilen, 2598. 

Bie, vrouw, 1852. 

Hinderwaert, achterwaert, 2017. 

Hine,Ayei»^963. 

44 



346 



GLOSSARIUM. 



Hire, Ay ef, Y* 62. 

Ho, Am9^443. 

Hoden , têsticuU, 7S61. 

Hoeckine, hokkm^ 2091, ite in iTf^/nlMi 

Hogen (in), verheugd, 1048, 2114. 
Hovesch , hêueeh, hekefii, 1221. 
Hou, «fo^, 7071. 

Houde, gunai, gtnegemheid, 2297. 
Hotesoh, heuech, hehefl, 122). 



HoYe8cliede,A0ilMjkMil[^ilMM(»28, \W^. 
Hout, genegen, gnt^Hg, V« 606. 
Houtmakigge, (ttoww 4i« wa hout wU 

maekt), 804. 
Hulde," grime^enMil^ S^, 1142, 1794, 

2173,2513. 
Hulde, dien8tg9trouv>kMi 16U. 
Hnlsen, btuUen, Yab. 693 , Y« I . 
HuMchen, iit(foiiioffi^ U. 291. 
Huren, foppen, 6850. 



I. 



|Mi,yo«iA»^ gmnd», 1075. 

Jane,ya «t>cA> 2208, 2552. 

leken, èmveh, 6673. 

Ie, oof/^ 1652, 2413, B829, 3493, 5271. 



lewet, ieu, 122, 2379. 
Ine, ik en, 93. 
Joie, vreu^d^ 3796. 
Jont4e,9a/;3309. 



K EN C. 



Caf, nMUamardigheid, 1803. 

G«rwie,«<M(Mi^2aQ,423. 

Cattien, vermanon, onderrichten, 489f 

bl. 294. 
Gatijf, wKeiiiff, 

Keer, toend^tg, liet, 3646, 7356. 
Ejdïiiittongelukiige, en als tcheldwoorcl 

^Z^, 640, 838, 2805, 3572, 4672, 

5291,6283,6937. 
Kele, roodkieur, 5510. 
Kempe, êtryder, 6977. 
Kenpetten,pafHi9AaeAeii^ wafels, 4459. 
Cetijn (zeker soort Tan honk), 5597. 
Kijf, kiye, i^f, verachil, 4996. 
Claf , kleefde, 7004. 
Qergie, geletterdheid, 4020. 
Qippel, A^», |%97. 
Qoet, epringstok, 7815, 792. 
aootterwinning, t^fiofii, 7205. 



Qoyen , êtooten , 5134. 

Knijf, fiM«^ 4217. 

Cobe, wrat, 5590. 

Koken, Aofertffi^ 789. 

Gore, *«f«, 5069,7196, 7224. 

Kor^e, romp, 6442. 

Govent , overeenkoms t, 1612, 2536. 

Crayeren, uitroepen, 45. 

Granc,siooA^ 1013. 

Cri, wapenkreet, 6970. 

Grijt, strydperk, 6758. 

Grijtsen, AraCsen^ 6312. 

Grijtwaerder, Urydperkbewaerder , 693Q. 

Grode, krui'lading. Yam, 1773 V« 21. 

Gronen , kreunen , 6118, 67 1 2. 

Gullen, testiculi, 7378. 

Cwe, naeuwelyhe, 611, 768, 2131 

2919. 
Kuwen, kaeuwen, 3840. 



L. 



Lacte, lekte, 808. 

lachter, schande, 71, 9», 1024, ISOOr 

2181, 6030, 7306. 
Laken, «i<M«9ii^ 4674. 
lanc (oTer), kmg doema , 547. 
lanken, fofidefi^875. 



lapen , leppen, 2Q85. 

Las, mepto^ 3610. 

Lat, tfiieg, 1182. 

Latyn (tael in 't algeme«i), blaéa. ! 

Lbt, foMi,7075. 

Letten, vertragen, 1318, 1904 



GLOSSARIUM. 



m 



Ude,locA#,VA*.1051,V». 
Uden, trekhen, diWtaÉmen^ 

löO, 1053, 1057, 2597, ai(», W34. 
Iidcn,l0/yile9»^6424. 
liebaeri, Uet/M , bl. 292, 
Ueden,ie/ydwi, 3113. 
lien, belyden, 2087, 6758, 7105, 7287. 
lier, wang, 745 , 855 , 895, 1352. 
lieve, We/üe, 2137, 3353. 
üjcteken , waerteeken, 2298, 
Ujf, feren,236, 1984, 4438, 4995. 
lijtsen , loteren , 6312. 
lijt,6e^yd[*,5009. 
line, koorde, 149Q, 3150. 
ünelesen (een spreekwoord), 1081. 



loi,w«*,V»40ö3. 

loodwapper, (»tin(C9rtQis), 790^ 

looft, 9flfoo/if, 5353. 

loos, lo^i 6300. 

los, lynx, 6931. i 

losengieren, loos bedriegemf 8091, 7525. 

losmaken , wegnomen, 1475. 

lossen, /ynir, 5220. 

loTen, achten , 4965. 

loTen, gehoven, 3276, 

loventuten, loftuiten^ 418Ö. 

lucht, «pAr, 7571. 

luchter, linker^ 1054. 

lude, /u«ie, 148. 

luten , op de luit epelen , 7831. 



M. 



Mak^, doen, 1041, 1475. 

Hakigge, maeki^r,B^ 

Hale (voor nuteg), 400, 889. 

Vabeh, week, 19. 

fflamet, JlfoAaffi«/>6534. 

Manlic andren, «M/^andnv 1578, 2109. 

VAte.vermaerd, 238, 294, 417, 615. 

Mare maken , iekendmake», 238.. 

S. Hartens vogrf, de Awwt, 1047. 

Haten (4e) wewniffy 626. 

Vee, «neer, 1379, 20ft2, 3198, 5668. 

ffleengat, gemeen doorgem^y bl. 290. 

Veeren, vermeerderen, 38dl, 6668. 

Veerre , meerder y 54S8 , 6ft46i. 

Hekel, ^ro9#, 7181 , 

Herren, dfroAm, 3207, 32(22. 

Vesse, meerache, 7482. 

Hettien ^metdien , lier mede, 709^ 57^1, 

6877. 
Vicken, merifcen^ 6556, bl. 291. 
mede, gift, behoning, 1988, 7284. 
Hiere, wyiwr^ 117, 318, 1051. 
Hineren, verminderen j 704. 



Hisleeden, mialMm, 208. 
Misprijs, miaashtinff,, 1479* 
Misquame, kwade toeval, 5392. 
Mbraken , mieeen, 496, I7ö6. 
Misrocht, misraekt, 447. 
Mbsakon, «wAww»* 6307, 762». 
Mis8chi«den,*ifla«<*g€«cAwd«i^Vu*l999 

V»34. 

Misselic, twiifUaehtig, 1391, 4120,4261, 

4864. 
Misvel, mieviel, 3585. 
MisTdfrt ^ «iMew* A 74, 
Mittien, metdien. Va». 757 V 2. 
Hoedecac des duvel» do©ht««, ^^®^- 
MoeU (te) , I» vredem, 4914, 
Hol, «Wkl.^to/', 6999, 
Mono, miwtA, 1487,^712. 
Mowel, 9iuk, *34, 923, 4484, 5063. 
Houde, sand, aerde, 465, 2307. 
Hul, sand, aerde, 7108. 
Museel, fr. mueeau, 219. 
Mntcn, fwwn, 4689. 
Huulkine, muiUien, 1417. 



N. 



Ifa,na(ie4na0l^3423. 

Nabelane, ai9nbeUmgend,%ermi,nt^ 5108» 

Naerre, fioderder^ bl. 294^ 



Naes, nem, 5992. 
Naesten, 9ia(i0r8fi> 2946. 
Nase, neus, 6105. 



348 



GLOSSARTOM. 



Jfauwe, tnêi naeuwgesetheid, Y« 2366 , 

2492. 
Nemare, ffUMT^ 447) 3740. 
Remmee, niet meer j 1318. 
Nemmeer, niet meerder^ €122 ^ 967. 
Nes, en ie, 564, 1442. 
Nese, nette, 798. 
lfei,w«^Vii.693,V»20. 



NeTelinc, neef, 697Ö, 7746. 

Neware, moer, 95, 174, 1749. 

Hie, nooit, 746, 1545, 1778, 1874. 

Niegerinc , nergens , bl. 287 . 

Iliemare, nieuwe, 367, 1577, 1604,4844. 

Niwelic, aerdig, sonderling, 6923. 

No, nocA^ 112. 

Nobel (geldstuk), Vim. 615, V» 2. 



O. 



Odeyare,ootra0r, 2316. 

Oei, voedster, Yai. 1852, \» 1. 

Of, a/-, 4956, 4998. 

Ombiten, opeten, 611. 

Onbequame, onaengenaem, haetelyk, 

4710. 
Onberen, verstellen, 124. 
Onberoepen, onbesproken, 3065. 
Onbescayen, onfremp^^ 17. 
Onbesnode ^ plomp, 6658. 
Oncont, onbekend, 5014, 5916. 
Ondercomen , («jsireAen^ 868. 
Ondoget , ondeugd, ^tsn%. 
ODgehoude , ongemak, 6436. 
Qngedwogen, on^eiroMcA^fi^ 5135. 
Ongerec, ongemak, mishagen, 1201. 
Ongerede, ongeval, 2176. 
Ongereed, onvoorston^ 3160. 
Ongeret , ongeval , 1 472. 
Ongescitte, bedrekt, 6668. 
Ongier, vreeslyk, 414, 1472, bl. 292. 
Onbout , ongenegen ,\\\, 4513. 
Onlanc, in 't kort, 5088. 
Ouhiioxit^verontsckuldigfng, verdediging, 

4130, 4386, 4517, Vim. 1773 V 7. 
Onselinc, ongelukkige. Vu. 2327. 
Onaochte, onjocA»^ 9^90, 3340,4734, 5171 



Onspellic, (fom^ luiten raed, ongelukkig, 

3022. 
Ontbaren, ontberen, 5140. 
Ontda en, open ^ 655. 
Ontdoen, openen^ 3806, 5806, 6980, 

7000. 
Ontscouden, ontschuldigen , verdedigen, 

3865. 
Ontscricken, ontspringen, 3152. 
Ontspringen, ontwaken, 1231, 1642. 
Ontwee, in stukken, uiteen, 654, 1317, 

3131,6812. 
Ontweget , uit den weg gedaen, vervoerd , 

2518. 
Ontwenden, ontgaen, 1844. 
Ontwisschen, ontglippen, 1510. 
Onvroet, kwalgk gezind, ^297. 
Onwaert , versmading , 498. 
Ootmoet, zachtmoedigheid, 7035. 
Opgeloken, onfttofen ^ 3577. 
Oplesen, oprapen, 211, 3610. 
Op worden, «/y^en^ 1647. 
Orber, oorbaerheid, 5712. 
Orconde, getuigen, 1882, 2647. 
Ouderader, ooivaer. Via. 2328. 
Ouwe , ouderdom , 6008. 
Owi, oei! 306, 925, 2679 , 3059. 



P. 



Pakter, pelgrimêstaf, gaenstok, 372, 

2795, 2987. 
Pant' doen, aenvatten, 1269. 
Parlement, onderhandeling, 2270. 
Persemier, woekerend, bl. 296. 
Planteit, overvloed, Vai. 3140, V* 22. 
Plateel,«cAoto^7495. 
Plecbt, verpleging, 2861. 
PUen, doen, 5712, Via. 1398, V« 5. 



Pine, werk, moeite, 1970. 

Pinen, moeite doen, werken , 696 , 1298 , 

1634,2347,5697,6958. 
Poleye, katrol, 6434. 
Porren, voortgaen , 1242. 
Prinden^ roooen^ 1441. 
]^oi,pry^3926. 

Pude, puien, kikvorschen, 2305. 
^ie, hoer, 919. 



GLOSSARIUM. 



349 



Q. 



ffnaóien f haosdomerê, Y* 4536. Quene, oude vrouw, V« 767, 6322, Tab. 

Quedden, aenspreken, groeten, 1108, 734, Y* 1. 

2390. Quic , vee , bl. 290. 



R. 



Raden, raiSbrahen, S31. 

Raet,ibtM^567. 

Rake , yzeren staef, 72. 

Rampineren, bespotten, 703, 849. 

Reckelic, gerechtig (zoo als een recke 

d. i. een ware held, is^ 4L88. 
Reiden, bereiden, 3882. 
Reinardie. vossenlist, 2044. 
Reinen , reinigen , 6997. 
Relief, overschot, 4475. 
Rent, rufid^ 1522. 
Bibant, rabaeuw, 938, 5128. 
Ric, rM9,3580. 
Richt, recht, 304. 
Ries, 't zelfde aU ribaut, 2672. 
RiJHgen, rysjen, 5263. 



Rike , machtige, 1068. 

Rinc, dingplaets, hofvergadering , 109, 

315, 5996. 
Risere, ryshout, struikgetoas , 3469. 
Rive, verheugd, 4942. 
Ro, ra<mtr, 7517. 
Rochte, geraekte, 3546. 
Rochten, achten; zie Roeken, 
Rocke, «jDi'nroA^ 732. 
Roec, kraei, 3566. 
Roeken, acA/en^ 1120,1653,5074. 
Roke, reuA, 5483. 
Rosecrans (als eerteeken) , 6023. 
Ruge, ruige, ruwe, 3537, 6831. 
Rumen, verlaten, 887. 
Rutsen, slibberen, 973. 



s. 



Sabel, zwart, 5338, 5510. 

Sade, vorzading, 5493. 

Saden, versaden, 4498. 

Saen, spoedig, 64, 98, 1596, 3105, 

3342, 7054. 
Saen (vele), zeer spoedig, 3178. 
Sage, koorts, 395. 
Sage, fabel, 1086. 
Sake, oorM«A^ 5600. 
Salvatie , verdediging, 4356. 
Scade, schaduw, 3167. 
Scalc , *«ecA^ 7275 , Vai. 2326. 
Scamelheit, eerbaerheid, 5556. 
Scampie, schamperlykheid , 704Z, 
Scaven , schuiven, wegslibberen ^2814, 
Sceiden, bescheiden, berichten, 5011, 



Scelden, aenspreken, berispen, 1821, 

1836, 2007, 4360, 5898. 
Sceren , schertsen , 7 1 87. 
Scennen, beschermen, 5076. 
Scerne, spot, 221, 545, 1292, 7040. 



Scerpe, reiszak, 2795. 
Scerpeloge , scherpoog, 788.^ 
Scieden, gebeuren, 3825« 
Sciere, spoedig, 245, 441 , 844. 
Scijn (in), naer het blykt , 4610. 
Seinen, blyken, 424. 
Scitte, drek, 6868. 
Scole, verzameling , 378. 
Scoren, scheuren, 338, 740. 
Scoude , schuld, 4002, 4445, 4514. 
Scouden, zieden, 7519. 
Scouwen, zien, bl. 291. 
Scramen, scra&6eit^ 6500. 
Scraven, krabben, 462, 6999. 
Scree , schreeuwde ,71 60. 
Scut, geschut, Z162. 
ScuTuut , schavuit, 2593. 
Seden (te), zediglyk, 666. 
Seende, synode, 2738. 
Sekeren, jsioeren^ waerborgen, 609. 
Sekerbede, (or^^ 4902, 5040. 
Sene , zenuw, Vii. 2887. 

45 



350 



GLOSSARroai. 



Sere, bedroefdheid, V* 419. 

Seriant, dienaer, 984, 2448. 

Serich, bedroefd, 1274,2486. 

Set, aers^ 6533, Vak. 225. 

Setten , oplegaen , 1 677. 

Sibbe, bloedverwantschap, 2105. 

Sich,ste/7338. 

Sidelgat, zyd^ur. Vim. 3140, V» 61. 

Sien den raet, schikken, overleggen, 2698. 

Sienst, verkieslykst , 6Sü!i. 

Siere, zyner, 10. 

Synoper, groen, 5511. 

Simmincle, apen, bl. 292. 

Sint, sinds, 264. 

Slach,«/a/5803. 

Slavine , pelgrimskleed , 372. 

Slecht, ej^^ 454. 

Sleets, des leeden, 12è0. 

Sleiers, />/af^5138. 

Slicht, gepolyst, Vai. 3299, V» 6. 

Smal, ife/etVi>l. 292. 

Smal-rood, bleekrood, 5146. 

Smeken, vleien, 485, 682, 1805, 2637, 

4349, 6240. 
Snevelen, wankelen, Yii. 1680, Y« 5. 
Snieme, snel, 3376. 
%o,alsoo, ^11^. 
Socht, zacht, &l\, 

Soe, %y, 30, 225, 2440, 2767, 3100. 
Soendinc, zoenzaek, zoengeding, 188. 
Soet, zy het, 229S, 
Som, sommige, 7801. 
Some, sommig, 980, 1018, 1898. 
Son, zoo en, 1515, 2747. 
Sonder, uitgezonderd, 50, 3016, 3502, 

4850. 



Sorge, vrees, V» 1990, 2201. 

Sorgen, 9reezon, 1378, 1438. 

Soude, so/tfy^ 2468. 

Sout, soldy, 2433. 

Spade, langdurend, 3004. 

Sparen, irocAton^ dralen, 1190, 1244, 

2022,3011,5992. 
Spele (uien), buiten berekening, 1585, 

1890, 7006. 
Spiker, spyswaerde, 1516. 
Spisel, spouwsel, 6670. 
Spot, «frooA> 2849. 
Spouwen , splyten, openen ^ 6007. 
Spreker», rondpar^itciff dichters, 4255. 
Stac, s/te^ 1551. 
Stade, ^d^7l99. 
Staer, star, 77, 3574. 
Stage, staenplaets, 2757. 
Stallicht, waschkaers, 303. 
Stampie, danslied (in de prosa datoiiMiif) 

3507. 
Stan, steende y 874, 990, Vak. 774, V» 21. 
Sifki, plaets , 1614,2248. 
Stem, befaemdheid, noem, 7685, 7711. 
Steve, staef, stok, 6342. 
Stic,«/uA, 1117. 
Stoet , «fond , 171. 
Storten, neerzinken, 4072. 
Stupe, slag, 860. 
Sueg, zogge, verken^ 5756. 
Surgie, chirurgie, 7644. 
Suucbeen, zuigbeen, 7530, 7566. 
Suuct, ziekte, 4365, 5963. 
Swaerde, huid, 1507, 7501. 
Swaer doen, zwaer maken, 1041. 
Swingen , slaen , 795. 



T. 



Tart, trad, 540. 
Tas, scAeur, bl. 289. 
Taverne, kroeg, 1291. 
Tee, /ecn^VAi. 774,V»1. 
Teeken, lidteeken, 163. 
Teer, feener, 2245. 
Telen, vrucAfdrati^en ^ 381. 
Terden, treden, 2875. 
Te8,fo<da^ 1065, 1751. 
Tes, tot des, 1833. 



Throon, firmament, 5470. 

Tiden, /reAAen, 4516. 

Tien, aentrekken, aeniygen ,2243 ^ 5233^ 

6756. 
Tijt, aenfy^f, 5233. 
Tijtsel,/yte,VAi. 1857, V» 6. 
Tisike, phtisie, 5401. 
Tjaer meer, voortaen, 1916. 
Toetiden, toenemen, 3916, 6571. 
Togel, «Mr^/> 1166. 



GLOSSARIUM. 



351 



Tooft, toogi, trekt j V« 6842. 

Toren, verdriet, 913, 915, 129ft,40U. 

Torne, zie Toren, 

Trekere (die met treken «mgaei), hedrie^ 

ger, 129. 
TrosseD, tors«c&Mi^ 3812. 
Trouwen (in), trouwene, 252, 3246. 



Tuiin , tuin, doolhof, V* 1910, 

Tuwaert , tegen u , 2690. 

Twaer, voorwaer, 4352, 5289, 7311. 

Twi, waerom, 1198, 1917, 2908,3211. 

Twi, duhbeliinnigheid, 4678. 

Twint, 6ee/;cfi,2017. 

Twlttaec , gaffel. Vu. 715, V« 9. 



U. 



Uten spele, 6Mt7en berekening, 1585, Uutboeten, srcnM«n, 5394. 
1890. üutlac , uitlekte , 808. 



y ei, vang ï 1555. 

Vaer, kleur, 5413. 

Vaer, zie Vare, 

Vaert (metter) , spoedig , 6905. 

Vaert (ter), spoedig, 3878, 4057, 6288. 

Vaet , vat, vangt, 5696. 

Vanc, vang, 1444. 

Vanden, verplegen, bezoeken, 1453, 

6577. 
Vant , verpleegd, besochi, 6577. 
Vare, vrees, 1627, 2301, 2327, 2977, 

4371, 4940. 
Vedelen, strykeH, 6736. 
Veerde , vetert , weg ^ 56 1 4. 
Vel, viel, 3551, 3585, 7051. 
Ver, croMir, 4024. 
Verbi, voorhy, 4879. , 
Verboord, verbeurd, 786. 
Verdoren , verdwazen, 1636, 1741, 2170, 

3075. 
yexQ^pennestreek, 4025. 
Vergave, gave, 1224. 
Verhogen, overtreffen, 7598. 
Verhoget, verheugd, 3142. 
Verhuut, verscholen, 7553. 
Verjonnen, misgunnen, 260. 
Verlanesse, ontlasting , 2062. 
Verlangen, verf70/0n^ 3937. 
Verloven , verzaken , 1 448. 
Vermeert , vermaerd, 4232. 
Vermeit, verraden. Va». 1629, V» 1. 
Vermerren, talmen, IZ17, 
Vemoi, Ued, jammer, 1279, 1295. 



Vemoien, verdrieten, leed doen, Z, 1370, 

1672,3218. 
Veronweerden , mMOcAton^ 2252. 
Verpinet, afgemat, 867. 
Verre, verder, 5244. 
Versach, za^^ 1328. 
Vertceiden, scheiden, bescheiden, 262. 
Verscroven, «erscAoven , 925. 
Verscuut, schuwgemaekt , bl. 290. 
Versieden, vergaen, 6207. 
Versien, bespeurd, 710. 
Veraien, mts gezien, overgezien , 2\2A, 
\ennéi\en, vooruitsnellen, 5665. 
Versoenen, vergoeden, 3422. 
Versumentheit , verjButm^ 5398. 
Versweren, afgezworen, 3174. 
Vertien, opgeven, afstaen, overdragen, 

voorby trekken, 5679, 6557, Via. 16, 

V-9,Vai. 2563. 
Vertrecken , vertellen, 4137. 
Vervroeden, overtreffen in verstand, 

4113. 
Verwaren, verjse^rofi^ 3945, 5056, 7743. 
Verwaten, vervloeken, 354, 853, 2732. 
Verwendelic, luisterlyk, 1067. 
Vierwaert, haerd, Vai. 1664, V» 1. 
Vigen, vyandelyk leven. Var. 3140, 

V» 17. 
Vingerlijn , ring , 5334. 
Viseren, uitdenken, 4204, Vai. 1773, 

V» 10. 
Visiert , uitgedacht, 5656. 
Vite, leven, treke, 8, bl. 295. 



352 



GLOSSARIUM. 



Yiwergat , êchmtw, Y« 1646. 

Ylage, v[éA,6588. 

Yleeschtmout ,9ei, 379. 

Vleke, vlek, 4814. 

Vlasch, /f iM, 4168,5284. 

Vluus, vlieê, 5590. 

Yocael, lahfn, 4088. 

Yockeu, sioeiên, 7326. 

Yode, teeldeel, 1948. 

Yoer, leefde, 5468. 

Vole f veulen, 4007. 

Yolgen, MiiiMfMl0mfn«n^ 3716. 

Yolna, byna, 4010, 5813. 

Yohraren , volvoeren , 57 1 8. 

Yoortien, voorzichtig, 6796. 

Yoortbrengen, aenbrengen, 2204. 

Yorderhant) de voorhand, Yii. 1790, 

V"3. 
Yorders, vooroudere, 6727. 



Yor^n, «9r«f^ voortoên, Y> 6781. 
Yorrt, winiervoret oïboech, 103, 2((4» 
Vont, <fioar«to/A, 3151. 
Yorwaert, vooriaen, 376. 
Vorwoord , beapreekeel, 2536. 
Vrede, '^«fiotf^doemii^j 3457. 
Vreitchen , ver$iemen , 1582. 
Vri, vrymachtig, 1070. 
Yriendenhout, vrMfufeit toegedaen, vrien- 

denminnend, 5151. 
Vroe, vfoe^, 4328, 5308. 
\roe, vrolyk, 7143. 
Vrome, 6a«/^ voordeel, 630, 3691. 
Vromen, 6olen, 962, 1841, 2346, 4374, 

6835, Vab. 2439. 
Vroude, vreugd, 7445. 
Vruchten, vreesen, 559, 2330, 3040. 
Vulic, vollyk, geheel, 5409. 
Vullen , verechaffèn, 3975. 



W. 



Waen, wat dan, 6426. 

Waer (te), toorvjoer, 603, 4352, 5389, 

7311. 
Wale, wel, 180, 462, 3868. 
Walschen, walsch spreken, 1461. 
Yfanc, wankelbaerheid, 1199. 
Wanconnen, kwaedwillen, 1925. 
Wanconst, Aioo9(ie naem, kwaedwillig^ 

heid, 907, 2548. 
Vaandel, verkeer, 3064. 
Wandren , verkeeren , 21 10. 
W^arande, diergaerde, Vax. 2634, V* 14. 
Waren (te), »ie Waer. 
W^atermael (zeker dier), 5219. 
W^atenrar (een dier), 1863. 
V^attan, waf dan, hoe nu, 245, 1296. 
W^edde, pand^ borg, 6786. 
Voeder, ram, bl. 288. 
Weder, o/*/ 945, 7310. 
Weeden, weiden, voedeel Moeken, 1703, 

1711. 



Weer, geweer, Vai. 715, V» 6. 

Weernen, afweren, 190. 

Were, verwering, verdediging, 4960, 

6777, 7003. 
Wers, wars, tegensfandig , 1549. 
Wes, wat, 3741, 6065, 6593. 
Wet (wat heilig zy) llöl. 
Wicht, booswicht, 3405. 
Wichteren , kinderen, 6694. 
Wijl,iie Wile, 
Wijs, Wtm^ 6956. 
Wile, /yd, 975, 1823,5517. 
Wilen eer, weleer, 101. 
Winkel, AoeA.bl. 292. 
Wisen, beslissen, 4925, 4927. 
Wopen (vraekgeroep) 4335, 5873, 5925, 

6671, Vab. 2158. 
Worden op, stygen, 1647. 
Wouden, willen, beschikken ,Z^09. 
Wroegen, beschuldigen, 113, 1791, 

2231. 



DRUKFEILEN EN VERBETERINGEN. 



Bladz. 1 y* 12 staet ik, lees ie. 

— 1 In de aenteekk. staet veriyen, voorbyirekken , lees vertyen, 

opgeven, 

— 84 In de aenteekk. staet V 810 lees ¥• 812. 

— 84 Y' 2091 staet bockine, lees hoekine, dat is bokjens, en 

vergelyk Metsr's Leven van Jesus, bl. 336. 

— 87 In de aenteekk. staet Y* 425ö lees Y* 4333. 

— 94 Y' 2317 staet verslanc, lees verslant. 

— — In de aenteekk. staet Lccas d'Heere , lees Eduaro de Dernb. 

— 120 » » » n JBibliaf lees Bibliotheca* 

— 152 » » » » onden text, lees ouden text, 

— 164 V 4163 alc, lees ah. 

— 182 V 4665 8ult, lees sulc. 

— 216 V 5690 hebt, lees hebs. 

— 267 Y* 7212 eertschen Got. Het zelfde wordt ook van den paus 

gezegd in Yridankes Bescheidenheit, naer de uitgave van 
W. GRiMM,bl. 151: 

Der bdbest ist ein irdesch got. 

— 272 V 7380 droeften, lees droefden. 

— 296 Onderaen: decertate, lees decertare* 

— 801 In de aenteekk. vergelyk F^ 28, lees vergelyk blads. 28 en 

^^•611. 

— 811 V 10023 ne tot, lees ne te pot. 

— 821 V» 10445 ezies, lees estes. 

— 322 V 10508 Eors, lees Fors. 

— 323 Y* 10549 oar, leesjoar. 

— 836 Y* 11092 ecroit, lees seroit. 

N. B. Hen beeft de uitgaTO Tan Kion met al de misstellingen, welke blykbaer daer 
üiToorkomen, nagedrukt; doch de door CmBAnLB opgegevene Terbeteringen in acht 
genomen. 



NABERICHT. 



In de exemplaren voor het publiek bestemd heeft men^ 
tcehtaenshalve y de variante bl. 51, F' 69-72, niet geheel 
afgedrtikt. Voor sommige andere exemplaren laet men 
dezelve alhier volgen: 

Hi scoot den paep tusschen die been , 

Ende haelde hem dat een 

Van den tween, dat ronde dinck, 

Dat tusschen sijn been binek, 

In dat budelkijn sonder naet. 

Dese spronc was den paep quaet. 

Va». V* 1296, enz.: 

Al beeft hi een kul verloren u beer 
Dat en scaet hem myn noch meer: 
Hy sel wel dienen Tan achter. 
Ten is der capellen geen lacbter 
Dat men luut myt eenre clocken. 



7 



r ... 



n 



'■■>.», .--r 



^ 



f 

I 

f 

I 
i 






sr 



A '